Handelingen 15:22-35
Wij hebben hier den uitslag van de beraadslaging, gehouden te Jeruzalem in zake het verplichtend stellen van de ceremoniële wet voor de Heidenen. Er is waarschijnlijk veel meer gesproken dan hier meegedeeld wordt, maar eindelijk kwam men tot een besluit, en het advies van Jacobus werd algemeen goedgekeurd en aangenomen, nemine contradicente - eenstemmig. Dienovereenkomstig werden brieven gezonden door hun eigene boodschappers aan de bekeerden uit de Heidenen, om hen bekend te maken met hun gevoelen in deze zaak, hetgeen voor hen ene grote bekrachtiging zou zijn tegenover de valse leraars. Nu hebben wij hier te letten op:
I. De keuze der afgevaardigden, die met Paulus en Barnabas voor deze zaak gezonden werden. Niet alsof zij kwade vermoedens hadden omtrent de trouw van deze grote mannen, en hun hun brieven niet konden toevertrouwen, of dat zij dachten, dat degenen, tot wie zij gezonden werden, hen zouden verdenken van iets in hun brief veranderd te hebben, neen, hun liefde heeft geen kwaad gedacht van mannen van zulke beproefde oprechtheid, maar,
1. Zij hebben het raadzaam geoordeeld mannen uit zich met Paulus en Barnabas naar Antiochië te zenden, vers 22. Dit werd besloten door de apostelen en ouderlingen met de gehele gemeente, die waarschijnlijk op zich namen de kosten er voor te dragen, 1 Corinthiërs 9:7. Zij zonden deze boden,
a. Om eerbied te betonen aan de gemeente te Antiochië, als ene zustergemeente, hoewel ene jongere zuster, te tonen, dat zij met haar op den voet van gelijkheid wilden zijn, en ook zeer verlangend waren meer van haren toestand te weten.
b. Om Paulus en Barnabas te bemoedigen en hun terugreis aangenaam te maken (want waarschijnlijk hebben zij te voet gereisd) door zulke voortreffelijke mannen te zenden, om hun gezelschap te houden, amicus pro vehiculo -een vriend in plaats van een voertuig.
c. Om eer en gewicht bij te zetten aan de brieven, die zij brachten, daar het nu een plechtig gezantschap werd, en er zo veel te meer acht geslagen zou worden op de boodschap, die bij sommigen waarschijnlijk wel tegenstand zou ontmoeten.
d. Om de gemeenschap der heiligen te onderhouden, en bekendheid aan te kweken tussen de gemeenten en leraren, die op een afstand van elkaar waren, en te tonen, dat zij, hoewel velen, toch een waren.
2. De gezondenen waren gene personen van weinig aanzien, slechts geschikt om de brieven te brengen en te getuigen, dat zij ze van de apostelen ontvangen hadden, neen, het waren uitgelezene mannen, die voorgangers waren onder de broederen, mannen van uitnemende gaven, genade en bruikbaarheid, want dat zijn de hoedanigheden, die de mensen als voorgangers onder de broederen aanduiden, en hen bevoegd maken om de boodschappers of afgezanten der gemeenten te zijn. Zij worden hier genoemd, Judas, toegenaamd Barsabas, waarschijnlijk een broeder van dien Jozef, toegenaamd Barsabas, die een kandidaat was voor het apostelschap, Hoofdstuk 1:23. De naam, die deze mannen in de gemeente te Jeruzalem hadden, kon van invloed zijn op hen, die van Judea kwamen, en hen aansporen om de boodschap, die zij brachten, met achting en eerbied te ontvangen. II. Het opstellen der brieven, die aan de gemeenten gezonden moesten worden, om het gevoelen der synode betreffende deze zaak kenbaar te maken.
1. Er is ene zeer vriendelijke en beleefde inleiding tot dit besluit, vers 23. Er is gene hoogheid, gene aanmatiging in te bespeuren, maar wel:
a. De ootmoed der apostelen, daar zij zich in vereniging noemen met de ouderlingen en de broederen voor deze opdracht, de leraren en de gewone Christenen, met wie zij voor deze zaak beraadslaagd hebben, zoals zij dit ook voor andere zaken plachten te doen. Hoewel er nooit mensen zijn geweest, zo bekwaam en bevoegd voor monarchistische macht en gezag in de kerk, en nooit ene opdracht hebben gehad als de hun, luidt toch hun decreet, of hun verordening niet: "Wij de apostelen, Christus' plaatsbekleders op aarde, en herders van alle herders der kerken," (zoals de paus zich betitelt,)" en enige rechters voor alle zaken des geloofs", maar de apostelen en ouderlingen en broederen zijn overeengekomen voor deze bevelen, Hierin gedenken zij de voorschriften van hun Meester, Gij zult niet Rabbi genaamd worden, want gij zijt allen broeders, Mattheus 23:8.
b. Hetgeen hun' eerbied aanduidt voor de gemeenten, aan welke zij schreven, zij zonden haar groeten wensten haar heil, zaligheid, blijdschap, en noemden hen broederen uit de Heidenen, waarmee zij hun toelating in de kerk erkenden, en hun de rechterhand der gemeenschap gaven. "Gij zijt onze broeders, ofschoon gij Heidenen zijt, want wij ontmoeten elkaar in Christus, den Eerstgeborene onder vele broederen, in God, ons aller Vader." Nu de Heidenen mede-erfgenamen zijn en van hetzelfde lichaam, moeten zij gesteund, bemoedigd en broeders genoemd worden.
2. Hier is ene rechtvaardige en strenge bestraffing van de leraren, die hun de waarneming van de ceremoniële wet wilden opdringen, vers 24. "Wij hebben gehoord, dat sommigen, die van ons uitgegaan zijn, u met woorden ontroerd hebben, en het doet ons zeer leed dit te horen. Nu is deze brief dienende, om hen te doen weten, dat zij, die deze leer prediken, valse leraren zijn, daar zij zich op ene valse opdracht beroepen, en ene valse leer verkondigen."
A. Zij hebben den apostelen en leraren te Jeruzalem een groot onrecht aangedaan door voor te geven, dat zij van hen de opdracht hadden ontvangen om de ceremoniële wet verplichtend te stellen voor de Heidenen, terwijl zij zelfs geen schijn van recht hadden voor dit voorgeven. "Zij zijn van ons uitgegaan, zij behoorden tot onze gemeente, en toen zij op reis gingen, hebben wij hun misschien daarvan een getuigschrift gegeven, maar wat betreft hun aandringen, dat gij de wet van Mozes zoudt onderhouden, dat hebben wij hun niet bevolen, ja er zelfs niet aan gedacht, en hun gene aanleiding gegeven om hiervoor van onzen naam gebruik te maken." Het is niets nieuws dat apostolisch gezag wordt aangevoerd ter verdediging van leerstellingen en praktijken, die de apostelen noch bevolen, noch ondersteund of aangemoedigd hebben.
B. Zij hebben groot onrecht gedaan aan de bekeerlingen uit de Heidenen, door hun te zeggen: Gij moet besneden worden, en de wet onderhouden.
a. Het heeft hen in verwarring gebracht. "Zij hebben u ontroerd met woorden, hebben beroering en onrust bij u teweeggebracht. Gij steundet op hen, die u zeiden: Indien gij gelooft in den Heere Jezus Christus, zo zult gij zalig worden, en nu wordt gij verschrikt door hen, die u zeggen: Gij moet de wet van Mozes onderhouden, of gij kunt niet zalig worden, waardoor gij u in een, strik ziet gelokt. Zij beroeren u met woorden, woorden, en niets dan woorden, klanken zonder wezen." Hoe is de kerk niet beroerd geworden door woorden, door den hoogmoed van mensen, die gaarne zich zelven hoorden spreken!
b. Het heeft hen in gevaar gebracht, zij hebben hun zielen wankelend gemaakt, brachten hen in verwarring, wierpen neer wat opgebouwd was. Zij hebben hen afgeleid van het zuivere Christendom te volgen door hun hoofd te vullen met de noodzakelijkheid der besnijdenis en de wet van Mozes, die niets ter zake afdeden.
3. Hier is een eervol getuigenis, gegeven aan de boodschappers, die deze brieven overbrachten.
A. Aan Paulus en Barnabas, die door deze leraren, welke het onderhouden der wet voorstonden, tegengewerkt en gelaakt werden, alsof zij hun werk slechts ten halve verrichtten, omdat zij de bekeerden uit de Heidenen alleen maar tot het Christendom hadden gebracht, en niet tot het Judaïsme. Laten zij van deze mannen zeggen wat zij willen, maar:
a. Zij zijn mannen, die ons dierbaar zijn, zij zijn onze geliefden, Barnabas en Paulus, mannen, die wij waarderen, die wij liefhebben, en in wie wij hartelijk belang stellen." Het is soms goed, dat zij, die hooggeplaatst zijn, hun achting uitdrukken, niet alleen voor de geminachte waarheid van Christus, maar ook voor de geminachte predikers en verdedigers dier waarheid, om hen te bemoedigen en hun tegenstanders krachteloos te maken.
b. "Zij zijn mannen, die zich onderscheiden hebben in den dienst van Christus, en zich dus verdienstelijk hebben gemaakt jegens de kerken: zij zijn mensen, die hun zielen hebben overgegeven voor den naam onzes Heeren Jezus Christus, vers 26, en daarom zijn zij dubbele ere waardig, en kunnen niet verdacht worden van wereldlijk voordeel voor zich zelven beoogd te hebben, want zij hebben hun al gewaagd voor Christus, hebben zich in den gevaarlijksten dienst begeven, als goede krijgsknechten van Jezus Christus." Het is niet waarschijnlijk, dat zulke getrouwe belijders ontrouwe predikers zijn. Zij, die aandrongen op de besnijdenis, deden het om vervolging te ontgaan, Galaten 6:12, 13, zij, die er zich tegen verzetten, wisten, dat zij zich hierdoor blootstelden aan vervolging, wie van hen, wie van deze twee, zal het nu bij het rechte einde hebben?
B. Aan Judas en Silas, "zij zijn verkoren mannen, vers 25, en zij hebben onze beraadslaging gehoord, zijn volkomen op de hoogte der zaak, en zullen u met den mond hetzelfde verkondigen, vers 27. Het is goed om hetgeen ons nuttig is zowel mondeling als schriftelijk te hebben, zodat wij het voordeel hebben van het horen en van het lezen er van. De apostelen verwijzen naar de boodschappers voor nadere inlichtingen van hun oordeel en van hun redenen er voor, en de boodschappers zullen verwijzen naar hun brieven voor de zekerheid van het bepaalde.
4. Hier is de aanwijzing voor hetgeen van de bekeerlingen uit de Heidenen geëist moet worden, waarbij wij hebben te letten op:
A. Hetgeen hun geboden wordt, en dat is overeenkomstig den raad van Jacobus, nl. dat zij, ten einde den Joden gene ergernis te geven, a. Niets moeten eten van hetgeen zij weten aan een afgod te zijn geofferd, maar dit, hoewel rein op zich zelven, toch te beschouwen als daardoor voor hen besmet te zijn. Dit verbod werd later ten dele opgeheven, want hun werd vergund te eten al wat in het vleeshuis verkocht wordt, of hun aan de tafel eens vriends wordt voorgezet, al was het ook den afgoden geofferd, behalve wanneer er gevaar was van hierdoor ergernis te geven, dat is, er aanleiding door te geven aan een zwak Christen om van ons Christendom kwaad te denken, of aan een' slechten Heiden, om er des te betere gedachten om te hebben van zijne afgoderij, en in zulke gevallen is het goed om zich te onthouden, 1 Corinthiërs 10:25 enz. Voor ons is die zaak verouderd en voorbij.
b. Dat zij geen bloed moeten eten, of drinken, maar alles moeten vermijden wat een wreed of barbaars aanzien heeft.
c. Dat zij het verstikte niet moeten eten, gene dieren, die hun eigen dood gestorven zijn en waarvan het bloed niet uitgelaten was.
d. Dat zij diegenen streng moeten bestraffen, die zich schuldig maken aan hoererij, of personen huwden, die de Levitische wet verbood te huwen, hetgeen, naar sommigen denken, hier voornamelijk bedoeld is. Zie 1 Corinthiërs 5:1. Dr. Hammond stelt de zaak aldus voor: De Joods gezinde leraren wilden, dat de bekeerden uit de Heidenen zich zouden onderwerpen aan al hetgeen, waaraan diegenen zich onderwierpen, die zij proselieten der gerechtigheid noemden, zij moesten zich laten besnijden en de gehele wet onderhouden, maar de apostelen eisten niets meer van hen dan hetgeen geëist werd van de proselieten der poort, nl. het onderhouden van de zeven geboden der zonen Noachs, waarnaar hij denkt, dat hier verwezen wordt. Maar de enige grond voor dit decreet gelegen zijnde in inschikkelijkheid voor de strenge Joden, die het Christelijk geloof hadden aangenomen, en, behalve voor dat ene geval van ergernis, alle spijzen voor de Christenen vrij en onverschillig verklaard zijnde, heeft, zodra de reden voor dit decreet niet meer bestond, en dat was op zijn laatst na de verwoesting van Jeruzalem, ook het verplichtende er van opgehouden. "Deze dingen zijn zeer bijzonder aanstotelijk voor de Joden, weest hun dan hierin voor het tegenwoordige ter wille, binnen kort zullen de Joden met de Heidenen tot een lichaam verenigd zijn, en dan is het gevaar voorbij." Dit besluit is vervat in bewoordingen van enig gezag, opdat hetgeen zij schreven met achting en eerbied opgenomen zou worden. Het heeft den Heiligen Geest en ons goedgedacht, dat is: ons, onder de leiding van den Heiligen Geest, en door Zijne aanwijzing. Niet alleen de apostelen, maar ook anderen waren met buitengewone geestelijke gaven begiftigd, en zij hadden meer kennis van de bedoeling Gods dan waarop iemand, wie het het ook zij, sedert deze gaven hebben opgehouden, aanspraak kon maken. Hun onfeilbaarheid gaf een onbetwistbaar gezag aan hun besluiten, en zij zouden niet iets willen verordineren, omdat het hun goeddacht, maar omdat zij wisten, dat het eerst den Heiligen Geest goed heeft gedacht. Of wel, het verwijst naar hetgeen de Heilige Geest te voren hieromtrent bepaald had. Toen de Heilige Geest nederdaalde op de apostelen, heeft Hij hen voor hun prediking onder de Heidenen met de gave der talen begiftigd, hetgeen ene duidelijke aanwijzing was van Gods voornemen en bedoeling om hen te roepen. Toen de Heilige Geest nederdaalde op Cornelius en zijne vrienden nadat Petrus tot hen gepredikt had, was het duidelijk, dat Christus bedoelde de Joodse omheining weg te nemen, binnen welke zij zich verbeeldden, dat de Geest opgesloten was. Zij drukken zich uit met grote tederheid en vaderlijke bezorgdheid. Ten eerste. Zij zijn bevreesd hun lasten op te leggen: Wij willen u geen meerderen last opleggen. Het was hun zo weinig aangenaam hun iets op te leggen, dat zij niets zo zeer vreesden, dan hun te veel, of te zware lasten op te leggen, waardoor zij reeds bij het begin ontmoedigd konden worden.
Ten tweede. Zij leggen hun niets anders op dan noodzakelijke dingen. "Het zich onthouden van hoererij is ten allen tijde en voor alle Christenen noodzakelijk: het zich onthouden van het verstikte en van bloed en hetgeen den afgoden geofferd is, is nodig in dezen tijd ten einde ene goede verstandhouding te bewaren tussen u en de Joden, en om gene ergernis te geven, zolang het daarvoor nodig is, wordt hun dit opgelegd, maar niet langer. Kerkregeerders behoren alleen noodzakelijke dingen op te leggen, dingen, die Christus ons ten plicht heeft gesteld, en wezenlijk strekken tot opbouwing der gemeente, en, gelijk het voor deze dingen hier het geval is, tot bevordering der eenheid onder goede Christenen. Als zij zaken opleggen alleen maar om hun gezag te tonen, en der mensen gehoorzaamheid op de proef te stellen, dan vergeten zij, dat zij geen recht of volmacht hebben om nieuwe wetten te maken, maar slechts hebben toe te zien dat de wetten van Christus behoorlijk worden nagekomen, de naleving daarvan met kracht te handhaven.
Ten derde. Zij versterken hun order met een loven van hen, die haar zullen opvolgen, veeleer dan met ene veroordeling uit te spreken over hen, die haar zullen overtreden. Zij eindigen hun brief niet in den stijl der latere conciliën, inzonderheid dat van Trente, met: "Indien gij u daarvan niet onthoudt, dan zult gij anathema zijn, uitgeworpen worden uit de gemeente en vervloekt zijn," maar: " van welke dingen indien gij u zelven wacht", en wij twijfelen niet dat gij er u van zult wachten, zo zult gij wèl doen, het zal strekken tot eer en heerlijkheid Gods, tot bevordering van het Evangelie, tot versterking van de handen uwer broederen, en tot uwe eigene eer en vertroosting." Het is alles liefelijkheid en liefde en opgeruimdheid, gelijk het den volgelingen betaamde van Hem, die, toen Hij ons riep, om Zijn juk op ons te nemen, ons verzekerde, dat wij Hem zachtmoedig en nederig van hart zullen vinden. Zeer opmerkelijk is het verschil van stijl tussen de ware apostelen en de valse apostelen. Zij, die de naleving van de ceremoniële wet ten plicht wilden stellen, waren stellig en gebiedend: Zo gij haar niet houdt, kunt gij niet zalig worden, vers 1. Dan zijt gij ipso facto geëxcommuniceerd, buiten de kerkgemeenschap gesloten, den Satan overgeleverd. Christus' apostelen, die slechts noodzakelijke dingen aanbevelen, zijn zacht en gematigd: "Van welke dingen, indien gij uzelven wacht, zo zult gij wèl doen, doen zoals het u betaamt te doen.
Vaart wel. Wij wensen van harte uwe eer uwen vrede."
III. Het bezorgen der brieven en wat de boodschappers verder deden.
1. Dezen dan hun afscheid ontvangen hebbende, (waarschijnlijk hebben de apostelen bij dit afscheid met hen gebeden, hen plechtig in den naam des Heeren gezegend, hun instructies gegeven voor hun werk, en hen bemoedigd,) kwamen te Antiochië. Zij bleven niet langer te Jeruzalem dan nodig was voor het afdoen van hun zaken, en kwamen toen terug, en misschien zijn zij, die hen uitgeleide gedaan hebben, hen bij hun terugkomst tegemoet gegaan, want zij, die zich in openbaren dienst moeite geven, behoren gesteund en bemoedigd te worden.
2. Zodra zij te Antiochië kwamen, hebben zij de menigte vergaderd, en gaven den brief over, vers 30, 31, opdat zij allen zouden weten, wat hun verboden was, en deze orders zouden opvolgen, hetgeen hun niet zwaar of moeilijk zou vallen, daar de meesten van hen, voor hun bekering tot Christus, proselieten der poort waren geweest, die zich reeds aan deze beperkingen hadden onderworpen. Maar dit was niet alles, zij moesten ook weten, dat hun niet meer dan dit was verboden, dat het niet langer zonde was zwijnenvlees te eten, niet langer ene verontreiniging was een graf of een dood lichaam aan te raken.
3. De gemeente was zeer verheugd over de orders, die van Jeruzalem kwamen, vers 31.
Zij verblijdden zich over de vertroosting, en het was dan ook ene grote vertroosting voor de menigte.
a. Dat zij bevestigd waren in hun bevrijding van het juk der ceremoniële wet, en er niet mede belast werden, zoals deze nieuw opgekomen leraren het gewild hadden. Het was ene vertroosting voor hen te horen, dat de vleselijke verordeningen hun niet langer opgelegd waren, die wèl hun geweten verwarden, maar het noch konden reinigen noch bevredigen.
b. Dat zij, die hun geweten ontroerd hadden, door hun poging om hun de besnijdenis op te dringen, voor het ogenblik, hierdoor beschaamd en tot zwijgen waren gebracht, daar hun voorwenden, dat zij door de apostelen hiertoe gemachtigd waren, ontdekt werd bedrog te zijn.
c. Dat de Heidenen hierdoor aangemoedigd werden om het Evangelie aan te nemen en die het reeds aangenomen hadden, om het te blijven aankleven.
d. Dat hierdoor de vrede in de kerk hersteld was, en uit den weg was geruimd wat verdeeldheid dreigde te weeg te brengen. Dit alles was hun de vertroosting, waarover zij zich verblijdden, en waarvoor zij God loofden.
4. Zij verkregen van de vreemde leraren, die van Jeruzalem waren gekomen, dat zij ieder een of meermalen voor hen predikten, vers 32. Judas en Silas, die ook zelven profeten waren, begiftigd met den Heiligen Geest, en geroepen tot het werk, aan wie ook door de apostelen was opgedragen, om hun het een of ander betreffende deze zaak mondeling mede te delen, vermaanden de broeders met vele woorden, en versterkten ze. Zij zelfs, die voortdurend de prediking van Paulus en Barnabas konden genieten, waren toch blijde met de hulp van Judas en Silas, de verscheidenheid van gaven onder de leraren is nuttig voor de gemeente. Merk op wat het werk der leraren is bij hen, die in Christus zijn:
a. Hen te bevestigen of te versterken, door hen er toe te brengen om meer reden te zien voor hun geloof in Christus, en hun gehoorzaamheid aan Hem, hun keuze van Christus te bevestigen, en hun besluiten en voornemens voor Christus te versterken.
b. Hen te vermanen tot volharding en tot de bijzondere plichten, die van hen geëist worden, hen op te wekken tot hetgeen goed is, en hen daarbij leiding te geven. Zij vertroostten de broederen, (zoals het ook overgezet kan worden,) en dat zou bijdragen tot hun bevestiging, want de blijdschap des Heeren zal onze sterkte wezen. Zij vermaanden hen met vele woorden, zij maakten gebruik van vele en velerlei uitdrukkingen, het ene woord zal ingang vinden bij den een, een ander woord bij een ander, en daarom, al zou ook hetgeen zij hun te zeggen hadden in weinig woorden saamgetrokken kunnen worden, was het toch tot stichting en opbouwing der gemeente, dat zij vele woorden gebruikten, dia logou pollou -met veel spreken, veel redeneren, gebod moet zijn op gebod.
5. Het afscheid van de Jeruzalemmer leraren, vers 33. Toen zij enigen tijd onder hen hadden doorgebracht (zoals dit gelezen kan worden,) en dien tijd niet verbeuzeld, maar besteed hadden, hebben de broederen te Antiochië hen met alle mogelijke uitdrukkingen van vriendelijkheid en achting in vrede heen laten gaan naar de apostelen te Jeruzalem. Zij dankten hen voor de moeite, die zij genomen hadden en voor hun komst, en de goede diensten, die zij hun bewezen hadden, wensten hun heil en ene voorspoedige terugreis, en bevalen hen in de hoede van den vrede Gods.
6. Silas evenwel bleef samen met Paulus en Barnabas te Antiochië. Toen het ogenblik van scheiden daar was, wilde Silas niet met Judas terugkeren naar Jeruzalem, maar liet hem alleen gaan, daar het hem goed dacht te Antiochië te blijven, vers 34. En wij hebben volstrekt gene reden om er hem om te laken, hoewel wij de reden niet kennen, die hem tot blijven bewoog. Ik ben geneigd te denken, dat de vergaderingen te Antiochië talrijker en meer levendig waren dan die te Jeruzalem, en dat dit hem uitlokte om er te blijven, en hij heeft wèl gedaan, en Judas heeft wèl gedaan om in weerwil hiervan naar zijn post te Jeruzalem terug te keren. Hoewel Paulus en Barnabas voornamelijk onder de Heidenen arbeidden, bleven zij toch nog enigen tijd te Antiochië, daar hun de omgang met de leraren en de gemeente aldaar liefelijk was. Zij bleven daar, niet bloot voor hun genot en genoegen, maar lerende en verkondigende het woord des Heeren. Daar Antiochië de hoofdstad was van Syrië, zal het waarschijnlijk ene plaats van samenkomst geweest zijn voor vele Heidenen, die er zich om de ene of andere reden heen begaven, zoals de Joden naar Jeruzalem, zodat zij, dáár predikende, ook werkelijk tot vele volken predikten, want zij predikten voor hen, die het bericht van wat zij gehoord hadden tot allerlei natiën zouden brengen, en aldus den weg bereidden voor de apostelen als zij zelven zouden komen om tot hen te prediken. En zo waren zij dan te Antiochië niet ledig of werkeloos, maar hebben er hun voornaamste doeleinde gediend. Er waren daar ook nog vele anderen, die voor dezelfde zaak arbeidden. De menigte der arbeiders in Christus' wijngaard geeft ons geen voorwendsel of verlof tot niets doen. Zelfs dáár, waar vele anderen arbeiden in het woord en de leer, kan er ook voor ons gelegenheid zijn tot goed doen. De ijver en arbeidzaamheid van anderen moet ons opwekken, niet in slaap wiegen.