Lukas 15:1-10
Hier is:
I. De ijver van de tollenaars en zondaars om Christus' prediking te horen. Vele scharen van Joden gingen met Hem, Hoofdstuk 14:25, met zulk een verzekerdheid van toegelaten te zullen worden in het koninkrijk Gods, dat Hij het nodig vond om datgene tot hen te zeggen, hetwelk hun ijdel vertrouwen aan het wankelen kon brengen. Hier zijn het scharen van tollenaars en zondaars, die tot Hem naderden met een ootmoedige vrees van door Hem verworpen te worden, en voor hen vond Hij het nodig woorden van bemoediging te spreken, inzonderheid, omdat er hoogmoedige mensen waren, die met toorn en minachting op hen neerzagen. Onder de tollenaars, die de belastingen moesten innen voor de Romeinen, waren wellicht wel slechte mensen, maar men beijverde zich om aan allen dien slechten naam te geven, hetgeen voortkwam uit het vooroordeel der Joodse natie tegen hun ambt. Soms worden zij gelijk gesteld met hoeren, Mattheus 21:32, hier en elders met zondaars, de zodanige, die een openbaar slecht leven leidden, en omgingen met hoeren, bekende lichtmissen. Sommigen denken dat de zondaars, die hier bedoeld zijn, heidenen waren, en dat Christus zich thans in het Overjordaanse bevond, of in het Galilea der heidenen. Dezen naderden tot Hem, toen de scharen der Joden, die Hem gevolgd waren, zich na Zijne rede aan het einde van het vorige hoofdstuk wellicht terug hadden getrokken, zoals later de heidenen op hun beurt tot de apostelen gingen, nadat de Joden hen hadden verworpen. Zij naderden tot Hem, daar zij niet dichter tot Hem durfden naderen, dan voldoende was om Hem te kunnen horen. Zij naderden tot Hem, niet, gelijk sommigen, uit nieuwsgierigheid, om Hem te zien, noch als anderen, die genezing van Hem begeerden, maar om Zijn voortreffelijke leer te horen. In al ons naderen tot Christus moet het ons voornaamste doel zijn Hem te horen, het onderricht te horen, dat Hij ons geeft, en het antwoord op onze gebeden.
II. Hoe de schriftgeleerden en Farizeeën hierdoor geërgerd werden. Zij murmureerden, en verkeerden dit tot versmaadheid van onzen Heere Jezus. Deze ontvangt de zondaars en eet met hen, vers 2.
1. Zij waren vertoornd, omdat aan tollenaren en heidenen de middelen der genade waren toegestaan, dat zij tot bekering werden geroepen, en aangemoedigd om op hun bekering op vergeving te hopen, want zij beschouwden hun toestand als wanhopig, en dachten dat aan niemand dan aan de Joden het voorrecht geschonken werd van bekering en vergeving, hoewel de profeten aan de heidenen bekering hadden gepredikt, inzonderheid Daniël aan Nebukadnezar.
2. Zij achtten het een verkleining van Christus, en onbestaanbaar met de waardigheid van Zijn karakter, om zich gemeenzaam te maken met zulke soort van mensen, hen toe te laten in Zijn gezelschap en met hen te eten. Zij schaamden zich om het afkeurenwaardig in Hem te noemen, dat Hij voor hen predikte, hoewel dit het was wat hen het meest in woede ontstak, en daarom verweten zij Hem dat Hij met hen at, hetgeen meer direct en meer in het oog lopend tegen de inzetting der ouden was. Blaam en afkeuring zullen niet slechts de onschuldigste en voortreffelijkste personen treffen, maar ook de onschuldigste en voortreffelijkste daden of handelingen, en wij moeten dit niet vreemd achten. III. Hoe Christus zich hierin rechtvaardigt door aan te tonen dat, hoe slechter de lieden waren voor wie Hij predikte, hoe meer het God zou verheerlijken, en hoe meer blijdschap er zou zijn in den hemel, indien zij door Zijne prediking tot bekering werden gebracht. Het zou in den hemel lieflijker zijn heidenen tot de aanbidding van den waren God te zien gebracht dan te zien dat de Joden hiermede voortgaan, en tollenaren en zondaren tot een ordelijk leven te zien komen, dan te zien dat schriftgeleerden en Farizeeën voortgaan met zulk een leven te leiden. Dit maakt Hij hun duidelijk door twee gelijkenissen, die beide dezelfde uitlegging hebben.
1. De gelijkenis van het verloren schaap. Iets dergelijks hadden wij in Mattheus 18:12. Daar was zij bestemd om aan te tonen de zorg Gods voor de bewaring der heiligen, als ene reden, waarom wij hen niet moeten verachten of beledigen, hier is zij bedoeld om het welbehagen aan te tonen, dat God heeft in de bekering van zondaars, als een reden, waarom wij er ons in behoren te verblijden. Wij hebben hier:
a. Het geval van een zondaar, die op zondige wegen gaat. Hij is gelijk een verloren schaap, een schaap, dat van de kudde weggedwaald is. Hij is verloren voor God, die de eer en den dienst niet van hem heeft, die Hij van hem moest hebben, verloren voor de kudde, die gene gemeenschap met hem heeft, verloren voor zich zelven, hij weet niet waar hij is, hij dwaalt eindeloos om, is voortdurend er aan blootgesteld om de prooi te worden van roofdieren, onderworpen aan angst en schrik, weg van onder de zorg des herders, en gebrek hebbende aan groene weiden. En uit zich zelven kan hij den weg naar de kudde niet weder vinden.
b. De zorg van den God des hemels over arme verdwaalde zonderen. Hij blijft zorgen voor de schapen, die niet afgedwaald zijn, zij zijn veilig in de woestijn. Maar er moet een bijzondere zorg gedragen worden voor dit verloren schaap, en hoewel hij een aanzienlijke kudde heeft van honderd schapen, wil hij toch dit ene niet verliezen, maar zoekt hij het, en legt zeer veel zorg aan den dag. In het vinden er van. Hij volgt het, vraagt er naar, ziet er naar rond, totdat hij het vindt. God volgt de afvallige zondaars met de roepstemmen van Zijn woord, en het strijden van Zijn Geest, totdat ten laatste de gedachte in hen gewerkt is om terug te keren. In het tehuis brengen er van. Hoewel hij het gans vermoeid weervindt, uitgeput door al het dwalen, en niet instaat om naar huis gedreven te worden, verlaat hij het toch niet, laat hij het nu niet omkomen, zeggende: Het is niet waard om naar huis gebracht te worden, maar hij legt het op zijne schouders, en brengt het met grote tederheid en veel moeite in de schaapskooi. Dit is zeer toepasselijk op het grote werk der verlossing. Het mensdom is afgedwaald, Jesaja 53:6. De waardij van het ganse geslacht was voor God niet zo groot als die van dat ene schaap voor hem, die er honderd had, welk verlies zou het voor God zijn geweest, indien zij allen waren omgekomen ? Er is een wereld van heilige engelen, die als de negen en negentig schapen zijn, een schone, aanzienlijke kudde, maar toch zendt God Zijn Zoon, om te zoeken en zalig te maken dat verloren was, Hoofdstuk 19:10. Van Christus wordt gezegd dat Hij de lammeren in Zijne armen zal vergaderen en in Zijn schoot dragen, waarmee Zijne ontferming over en tederheid jegens arme zondaren wordt te kennen gegeven. Hier wordt van Hem gezegd dat Hij ze draagt op Zijne schouderen, waarmee de macht wordt aangeduid, waarmee Hij hen steunt en staande houdt, diegenen kunnen nooit omkomen, die Hij op Zijne schouderen draagt.
c. Het welbehagen, dat God heeft in berouwhebbende zondaars, die tot Hem wederkeren. Hij legt het op Zijne schouders, verblijd zijnde, dat zijne moeite om het te zoeken niet tevergeefs is geweest, en de blijdschap is des te groter, omdat hij schier geen hoop meer had van het te zullen vinden, en hij roept de vrienden en de geburen samen, de herders, die in zijne nabijheid hun kudde weiden, zeggende tot hen: Weest blijde met mij. Wellicht was er onder de liederen, die de herders zongen, een, dat voor zulk ene gelegenheid diende, en waarvan deze woorden het refrein konden wezen: Weest blijde met mij, want ik heb mijn schaap gevonden, dat verloren was, terwijl zij nooit zongen: Weest blijde met mij, want ik heb er geen verloren. Let er op dat hij het zijn schaap noemt, hoewel het een verloren, dwalend schaap is. Hij heeft er recht op (alle zielen zijn Mijne) en hij zal het zijne opeisen, en daarom gaat hij zelf uit om het te zoeken: ik heb het gevonden. Hij heeft geen dienstknecht gezonden, maar Zijn eigen Zoon, de grote en goede Herder, die zal vinden, wat Hij zoekt, en die gevonden zal worden van hen, die Hem niet zoeken.
2. De gelijkenis van den verloren penning.
a. Die hem verloren had, wordt hier verondersteld ene vrouw te zijn, die hartstochtelijker bedroefd zal zijn om haar verlies en ook meer verblijd zal zijn, als zij het verlorene gevonden heeft, dan wellicht een man zou zijn, en dus meer geschikt is om het doel der gelijkenis in het licht te stellen. Zij heeft tien penningen, en van die tien verliest zij er slechts een. Laat dit ons hoge gedachten doen koesteren van de Goddelijke goedertierenheid, dat er niettegenstaande de zondigheid en ellende van de wereld der mensheid, negen tegen een, ja, in de vorige gelijkenis zijn er negen en negentig tegen een van Gods schepping, die aan hun oprechtheid hebben vastgehouden, in wie God geprezen wordt en in wie Hij nooit onteerd was. O welk een talloos heir van wezens, talloze werelden wellicht van wezens, die nooit verloren waren, nooit afgeweken waren van de wetten en van het doel hunner schepping!
b. Het verlorene was een penning, een zilverstuk, drachmên -het vierde van een sikkel. De ziel is zilver, van innerlijke waardij, geen onedel metaal, zoals ijzer of lood, maar zilver, de zilvermijnen waren koninklijke mijnen. Het Hebreeuwse woord voor zilver is ontleend aan het begerenswaardige er van. Het is een zilveren munt, want dat was het drachma, het is gestempeld met Gods beeld en opschrift, en daarom moet het aan God gegeven worden. Die penning was, vergelijkenderwijs, toch ook van geringe waardij, gelijkstaande met zevenendertig en een halve cent van ons geld, waarmee te kennen wordt gegeven dat, indien zondige mensen overgelaten werden aan hen zelven, zodat zij omkomen, God er niets bij zou verliezen. Dat zilver was verloren in vuil, in stof en drek, ene ziel, gedompeld in de wereld en bedwelmd door liefde tot de wereld en zorg voor de wereld, is als een geldstuk in het slijk, ieder zou zeggen: hoe jammer dat zij daar ligt.
c. Er wordt hier zeer veel moeite gedaan om den penning te zoeken. De vrouw ontsteekt een kaars, om hem te zoeken, achter de deur, onder de tafel en in elke hoek van het huis, zij keert het huis met bezemen en zoekt naarstiglijk, totdat zij dien vindt. Dit stelt de onderscheidene middelen en methodes voor, door God gebruikt, om verloren zielen tot zich terug te brengen. Hij heeft de kaars des Evangelies ontstoken, niet om zich zelven den weg te wijzen tot ons, maar ons den weg te wijzen tot Hem, ons aan ons zelven te ontdekken, Hij heeft het huis "met bezemen gekeerd" door de overtuiging van het woord, Hij zoekt naarstiglijk, Zijn hart is er op gesteld, om verloren zielen tot zich te brengen.
d. Hier is grote vreugde wegens het vinden er van: Weest blijde met mij, want ik heb den penning gevonden, dien ik verloren had, vers 9. Zij, die zich verblijden, begeren dat anderen zich met hen zullen verblijden, zij die vrolijk zijn wensen, dat anderen met hen vrolijk zijn. Zij was blijde het geldstuk teruggevonden te hebben, al zou zij het dan ook uitgeven om hen te onthalen, die zij uitnodigde om vrolijk met haar te zijn, De aangename verrassing van het vinden brengt haar voor het ogenblik in vervoering, eurêka, eurêka -ik heb gevonden, ik heb gevonden, is de taal der vreugde.
3. De verklaring van deze twee gelijkenissen is van gelijke strekking, vers 7, 10. "Er is blijdschap in den hemel, blijdschap voor de engelen Gods over een zondaar, die zich bekeert," gelijk deze zondaren en tollenaren zich bekeerd hebben, sommigen van hen tenminste (en indien slechts een hunner zich heeft bekeerd, dan zou Christus het nog wel Zijner moeite waardig hebben geacht) meer dan over een groot aantal rechtvaardigen, die geen bekering van node hebben. Merk op:
a. Het berouw en de bekering van zondaars op aarde zijn oorzaken van vreugde en blijdschap in den hemel. Het is mogelijk dat de grootste zondaars tot bekering worden gebracht. Zolang er leven is, is er hoop, en zelf aan de slechtsten moet men niet wanhopen, als zij berouw hebben en zich bekeren, zullen zij barmhartigheid verkrijgen. Maar dit is nog niet alles, God zal er zich in verlustigen om hun genade te betonen, zal hun bekering een loon, een vergoeding achten voor alles wat Hij aan hen ten koste heeft gelegd. Er is altijd blijdschap in den hemel. God verblijdt zich in al Zijne werken, maar inzonderheid in de werken Zijner genade. Hij verblijdt er zich in goed te doen aan berouwvolle zondaars, en wel met geheel Zijne ziel. Hij verblijdt zich niet slechts over de bekering van kerken en natiën, maar zelfs over een zondaar, die zich bekeert, al is er slechts een. De goede engelen zullen zich er over verblijden, dat hun genade wordt betoond, zo ver is het er vandaan, dat zij er ontevreden over zouden zijn, hoewel zij, die van hun natuur zijn en gezondigd hebben, aan het verderf worden overgelaten, en hun geen genade wordt betoond, hoewel deze zondaars, die zich bekeren, die zo gering zijn en zo slecht waren, op hun bekering in gemeenschap met hen worden opgenomen, weldra hun gelijkvormig zullen zijn en met hen gelijk gesteld zullen worden. De bekering van zondaars is de blijdschap der engelen, en zeer gaarne worden zij na hun bekering gedienstige geesten voor hen, hun ten goede. De verlossing der mensheid was oorzaak van vreugde voor de engelen, want zij zongen: Ere zij God in de hoogste hemelen, Hoofdstuk 2:14.
b. Er is meer blijdschap over een zondaar, die zich bekeert, die zich afkeert van een openbaar, slecht, goddeloos leven, en zich van harte tot een rein, heilig, Godsdienstig leven wendt, dan over negen en negentig rechtvaardigen, die de bekering niet van node hebben, meer blijdschap over de verlossing en zaligheid van den gevallen mens dan over de bewaring en bevestiging van de engelen, die staande zijn gebleven, en dus ook werkelijk de bekering niet van node hadden, meer blijdschap over de bekering van zondaars uit de heidenen en van die tollenaren, die nu Christus hoorden prediken, dan over al den lof en Godsdienstige verrichtingen, en al het o God, ik dank U, van de Farizeeën en de andere, zich zelven rechtvaardigende Joden, die dachten dat zij de bekering niet van node hadden, en dat God dus zeer blijde over hen moest wezen, en zich op hen moest beroemen als op degenen, die Hem het meest tot eer waren. Maar Christus zegt hun dat het gans anders is, dat God veel meer geloofd wordt door, en dat Hij groter welbehagen heeft in, het berouwvolle verbroken hart van een dezer geminachte en benijde zondaars, dan in al de lange gebeden van de schriftgeleerden en Farizeeën, die niets verkeerds in zich konden bespeuren. Ja zelfs is er meer blijdschap over een zo groten zondaar, zulk een Farizeeër als Paulus geweest is in zijn tijd, dan over de regelmatige bekering van iemand, die zich altijd goed en fatsoenlijk gedragen heeft en, vergelijkenderwijs, de bekering niet van node heeft, niet zulk een algemene verandering van leven als deze grote zondaars nodig hebben. Niet alsof het niet het beste is om niet af te dwalen, maar de genade Gods, beide in de kracht en in de ontferming dier genade, is meer tentoongespreid in de terugbrenging van grote zondaars, dan in de leiding van hen, die nooit van den goeden weg zijn afgeweken. En menigmaal zijn zij, die voor hun bekering grote zondaars zijn geweest, uitnemender en ijveriger in het goede gebleken na hun bekering, van dewelke Paulus een voorbeeld is, en daarom is God grotelijks in hem verheerlijkt, Galaten 1:24. Zij, aan wie veel vergeven is, zullen veel liefhebben. Dat is: gesproken naar den mens. Wij gevoelen levendiger vreugde wegens het terugverlangen van hetgeen wij verloren hadden, dan over hetgeen wij voortdurend gehad en genoten hebben, over gezondheid na ziekte, dan over gezondheid zonder ziekte. Het is als een leven uit de doden. Een gestadig leven van Godsdienstigheid kan in zichzelf van groter waardij zijn, maar het plotseling zich-afwenden van een slecht leven en van den weg der zonde, kan een verrassender blijdschap teweegbrengen. Indien er nu zulk een blijdschap is in den hemel over de bekering van zondaars, dan moeten de Farizeeën al zeer vervreemd zijn geweest van een hemelsen geest en gezindheid, daar zij alles deden wat zij konden om die bekering te verhinderen, en er gegriefd om waren, zich vertoornden op Christus, als Hij een werk deed, dat meer dan alles den hemel welbehaaglijk was.