23. Welke wel hebben een schijnrede, een naam, maar niet de werkelijkheid van wijsheid; zij hebben namelijk die schijn bij hen, die niet doorzien, maar zich door het uitwendige laten misleiden. In werkelijkheid leven zij echter in eigenwillige godsdienst en nederigheid (
Vers 18) en in het lichaam niet te sparen, dat hen in de ogen van de grote menigte als grote helden in de deugd doet voorkomen; maar zij zijn niet in enige waarde, maar tot verzading van het vlees. Zij zoeken niet anders dan eigen eer; zij zijn opgeblazen door het verstand van het vlees (
vers 18 Romeinen 13:14.
1 Timotheus 4:1).
God wil dat het lichaam geëerd wordt, d. i. het moet zijn voedsel, kleren en zoveel nodig is hebben en niet door ondraaglijk vasten, arbeid of onmogelijke kuisheid verdorven worden, zoals de inzettingen van de mensen willen. Christus komt niet zo, dat Hij uitwendige zaken wil veranderen en Zijn schepsel wil verwoesten. Daarom moet men het lichaam volgens nooddruft en, zoals gewoonlijk, kleden, voeden of spijzigen en tot arbeid gebruiken. Dat is Gods regeling. Laat het daarbij. Hij is niet gekomen, dat Hij daarvan iets wil veranderen. De zonde laat zich niet afleggen en vernietigen door een monnikskap, door geen vlees te eten of te vasten; de dood kan er niet door worden overwonnen; maar beiden, zonde en dood steken evengoed onder een grauwe of zwarte kap als onder een rode rok. Maar daar komt het op aan, dat het hart een nieuw licht en een nieuw zegel heeft, voordat men kan zeggen: "ik weet dat God Zich over mij ontfermt en mij liefheeft; want Hij heeft Zijn Zoon gezonden, Hem mens laten worden, opdat ik door Hem zou bezitten overwinning van de dood en het eeuwige leven". Daardoor wordt het hart geheel anders gestemd dan van te voren: dat is de juiste verandering.
Het is veel gemakkelijker een besluit te nemen om zinnelijke ontberingen zichzelf op te leggen, dan om het hart te verootmoedigen en de geest in bestendige tucht te houden. Het ascetisme is ten allen tijde een hof van geestelijke hoogmoed geweest. Juist het bijzondere werkt of de menselijke fantasie; op hetgeen men zelf bedacht roemt men het meest, op door kunst verkregen ootmoed doet men zich het meest tegoed. Men kwelt het lichaam en verzadigt daarbij het vlees.
Belangrijk was zeker zo'n onderricht in Paulus dagen tegen de verleiding en afval van zijn tijd; maar niet minder belangrijk ook voor ons. Waren de Platonische en Aristotelische wijsbegeerte en andere wijsgerige stelsels van latere eeuwen nooit in de Christelijke gemeente ingevoerd en op de Christelijke leer in haar voorstelling toegepast, er zouden zoveel dwaalbegrippen ook ten aanzien van den persoon van de Verlossers niet in omloop zijn gekomen. Had men in de Christenkerk het onderscheid tussen de bedoeling des Ouden en des Nieuwen Testaments altijd wel begrepen, nooit eigendunkelijke menselijke instellingen en vormen naast of boven de leer van Christus geplaatst en was men aan geen nietige uitwendigheden blijven hangen, de Antichrist, tegen welken Paulus reeds in zijn tweeden brief aan de Thessalonicensen en later ook de andere apostelen gewaarschuwd hebben, zou nooit de kerk van onze Heer hebben kunnen bedreigen en verwoesten. Maar daarom moeten wij elk voor ons zelf en gemeenschappelijk als gemeente van Christus uitsluitend blijven bij de leer van Jezus en de apostelen, Hem door een waar geloof erkennen als onze enigen Heiland en Heer, het lichaam van al de schaduwen van den ouden dag en in wien de volheid van de Godheid lichamelijk woont. In Hem en in de gemeenschap van Zijn doods en van Zijn nieuwe leven moeten wij, gedachtig aan onze ontvangen waterdoop en het heerlijk doel daarvan, volmaakt trachten te zijn, zodat wij eniglijk leven door het geloof des Zoons van God. Langs die weg beantwoorden wij aan de wil van God, zijn wij een ere van Christus en zullen wij een zaligheid vinden, die nooit kan verloren worden.
Een van de moeilijkste vragen in de wetenschap van de theologische uitlegging is die, waarin de dwaalbegrippen te Kolosse bestonden en van welk karakter die zijn geweest. In hetgeen Paulus in deze afdeling daarover zegt, is hij wel zo kort en eenvoudig, dat wij daaruit snel een beeld zouden kunnen ontwerpen. Toch schijnen echter ook vele van die gezegden, waarin hij de ware evangelische leer over Christus en de zaligheid voordraagt, met het oog op de tegengestelde ketterse inzetting in het bijzonder hun vorm te hebben gekregen, zodat wij recht zouden hebben ook, van deze uitgaande, besluiten te trekken tot het geheel van het stelsel van de dwaalleraars. Dan komen wij dicht bij het gebied van het latere gnosticisme, in zoverre dit zich aansloot aan de godsdienst van het Oude Testament. Het is dus de vraag, in hoeverre wij dit mogen veronderstellen als reeds aanwezig ten tijde van de apostel, waarbij echter niet slechts onze brief in verband met die aan de Efeziërs, maar daarnaast ook de brieven aan Timotheüs en die aan Titus, alsmede de brieven van Johannes in aanmerking komen. Voor heden, zolang wij nog over die brieven zelf niet kunnen handelen, moeten wij ons onthouden een oordeel naar de ene of de andere kant uit te spreken. Wij laten het er daarom bij, om aan de woorden, in Hoofdstuk 1:16 aangehaald, de woorden van Schaff en Grau, hier nog die van enkele andere schriftverklaarders te voegen. V. Hofmann wil dat wij alleen uit hetgeen Paulus in Vers 8, 16, van ons hoofdstuk schrijft, ons besluit trekken, van welke aard de leer van de dwaalleraars, die de Kolossensen bedreigden, geweest zal zijn. Hij karakteriseert de dwaalleraars nu aldus: "In de zaken van de zaligheid, welker kennis in de apostolische leer alleen en geheel gegeven was, wilden zij een vermeende wijsheid in zwang brengen, die behoort tot het gebied van de wetenschap en waarvoor de menselijke leer en wel de menselijke leer, die over de zaken van de geschapen wereld handelt, beslissend is. Er werd namelijk gesproken van eten en drinken, in het algemeen over zaken van de zichtbare wereld, die men niet mocht aanraken, noch genieten. Het houden van deze geboden stelden die dwaalleraars als voorwaarde van de zaligheid, hierin onderscheiden van de Romeinse Christenen, die voor zichzelf er een gewetenszaak van maakten, om alles zonder onderscheid te genieten, zonder datgene, waarvan zij zichzelf meenden te moeten onthouden, in die zin voor onrein te houden, dat hij, die het genoot, daardoor de zaligheid verloor. Ook zij maakten onderscheid tussen de zaken, maar alleen voor zichzelf. Zij echter, die de apostel hier bestrijdt, grondden op een, zij het ook door henzelf uitgedachte of overgenomen leer van mensen over het onderscheid van geschapen dingen een wet van onthouding, zonder welker waarneming het geloof van de in Christus' naam gedoopten onvoldoende zou zijn om de zaligheid te verkrijgen. Die leer kon in beginsel een heidense schoolgeleerdheid zijn, Nieuw-Pythagorese of Nieuw-Platonische. Met deze en de daarop gevestigde verboden komt een eis, alleen begrijpelijk in de mond van Joodse Christenen, om sabbat en nieuwjaarfeesten waar te nemen, dus een onderscheid van dagen en tijden vast te houden, dat tot de wet van Sinaï terugvoert. Dit is een eis, die tot het geval in Romeinen 14, dat de een meent sommige degen anders dan de overige te moeten achten, evenzo staat, als het verbod om dit en dat aan te raken of te genieten tot de gewetensbezwaren van die Romeinse Christenen. Ook van de eis, waartegen de apostel de gemeenten in Galatië moest waarschuwen, is die, die te Kolosse moest worden bestreden, onderscheiden, maar slechts in zoverre, als de laatste er niet op doelde, de heidense belijders van de Heere door de besnijdenis in het Joodse volk in te lijven, maar onder erkenning van een zelfstandig heiden-Christendom het daarbij vastgehouden onderscheid tussen dit en Joods-Christendom, door hetgeen men voor een heiliging van het uitwendige leven van de onbesnedenen hield, weer goed te maken. De hele tijd moest geheiligd worden door het houden van zekere regelmatig terugkerende tijdsafdelingen, die aan de Sinaïtische wet waren ontleend en hun manier van leven door het onthouden van het gebruik van zekere zaken, van die namen echter niet door de Sinaïtische spijswetten, maar door een eigen leer over het wezen van de zichtbare zaken bepaald was. Het was toch niet te doen om de geopenbaarde wet als zodanig weer in zwang te brengen, maar om de zaligheid te binden aan de voorwaarde van een uitwendige heiligheid, waarvan de wet, anders dan de Sinaïtische, de mensen daarom tot een zeer geringe mate van stoffelijk verbruik moest beperken, omdat de heiligheid, die overeenstemde met die leer over het wezen van de stoffelijke zaken, in het onthouden van die bestond. Zonder twijfel waren de dwaalleraars te Kolosse Joodse belijders van Jezus, die, uitgaande van de veronderstelling, dat de Christenen uit de heidenen in hun eigenschap als behorende tot de volken, onder de daarin werkende Gode vijandige geesten stonden, zich verplicht achtten, ten einde hun staat van de zaligheid, die in dat opzicht aanvulling nodig had, volkomen te maken een heiliging van de uitwendige wandel aan te prijzen, die deels op de Sinaïtische wet, deels op filosofische gronden rustte. Dit moest hun een vergoeding zijn voor hetgeen hun als niet-Israëlieten, wier leven niet binnen de regelingen van de geopenbaarde wet begrensd was, bepaald ontbrak. Het gehele stelsel was niets meer dan een poging, om aan het heiden-Christendom op een voor Christenen uit de heidenen aannemelijker manier het aanstotelijke te ontnemen, dat het voor de Joden als zodanig, dus ook voor de wettisch gezinde Christenen uit de Joden moest hebben. De aanbevolen onthouding moest de Christenen uit de heidenen daardoor aannemelijk worden dat zij door filosofische leerstellingen over het wezen van de stoffelijke zaken bevestigd werd en aangeprezen als eerste vroomheid, die de mens boven het zinnelijke van zijn wezen verhief, en die de heiden aan de invloed onttrok van de geesten, die onder hen werkte en de mens gelijkvormig maakte met de geesten van God. De opvatting van v. Hofmann wordt echter door anderen verworpen als onvoldoende tot verklaring van de karakteristieke bijzonderheden; men houdt zich daartegenover hieraan vast, dat men in de dwaalleraars te Kolosse te doen had met gnostieken, die de Joods-Christelijke, de Esseese richting waren toegedaan, die benaming echter niet moet worden opgevat in de zin van een bepaald stelsel, maar zo, dat in de stellingen van onze theosofen de ver verbreide, vooral in het Esseïsme zich verheffende elementen van het gnosticisme op de voorgrond traden, waaruit zich later de bepaalde gnostische stelsels van een Cerinthus, van de Valentinianen enz. ontwikkelden. In die zin merkt Meijer op: "De dwaalleraars te Kolosse waren Christenen uit de Joden, maar niet degenen, die in Galatië en in de omtrek van Filippi zich op het gebied van de eisen van de wet en vooral van de noodzakelijkheid van de besnijdenis zich beperkende, de Christelijke vrijheid, wier fundament de gerechtigheid van het geloof is, ophieven, maar degenen, die het Christelijk Judaïsme door theosofische speculatie hadden veranderd, zodat zij wel eveneens besnijdenis, inzettingen over spijzen en feesten ten nadele van Christus' verzoeningswerk vasthielden, maar tevens en dit is het onderscheidend kenteken een filosofie over de wereld van hogere geesten dezen gelden, waarmee fantasiën en haarkloverijen een verkeerde nederigheid, dienst van de engelen en harde lichamelijke ascese als praktische dwalingen waren verbonden. Deze waren afdwalingen van een ongezonde gnosis, die in het phsygische, mystisch fanatieke volkskarakter, dat eens de dweepachtige Cybele-dienst, later het montanisme als eigenaardige plaats diende, geen onvruchtbare bodem konden vinden. Die theosofen troffen echter zeer gevoelig de heerlijkheid en het verlossingswerk van Christus, die zij niet Zijn volle, goddelijke waarde lieten behouden, maar slechts een rang zullen hebben gegeven in de orde van de hogere geesten en aan de engelen een bemiddelende werkzaamheid, waarbij zij waarschijnlijk over de wereldschepping demiurgische voorstellingen vasthielden en op dualistische manier de stof voor slecht hielden. Op dergelijke manier spreekt zich Olshausen uit: "Het dweepachtige, dat in het Frygische volkskarakter lag en zich in het heidendom, in fanatieke Cybele-dienst openbaarde, verkreeg bij het aannemen van het Christendom dergelijke vormen, als in de tweede eeuw het montanisme, dat in Frygië ontstond, aanwijst. De Frygiërs hadden het Christendom, dat met grote geestelijke kracht was toegerust, aangenomen, maar zonder met waarachtige zelfverloochening geheel en al van hun vroegere richtingen afstand te doen. Daardoor ontstonden dan vermengingen van dwaling en waarheid, zoals wij die in de voorstelling van de apostel over de daar aanwezige dwalingen vinden. Bovendien mengde zich in Voor-Azië het Oosterse met het Westerse en hadden zich Joden van onderscheiden partijen in menigte neergezet; neiging tot speculaties over het geestenrijk was algemeen verbreid en wel niet slechts in Helleens-philosophische, maar ook in Oosters-theosofische vorm. Niets was daarom natuurlijker, dan dat het Christendom, dat in deze gistende menigte intrad, door de bewegelijke bevolking begerig werd opgenomen, maar ook willekeurig werd misvormd. Intussen vertoonden zich, toen Paulus de brief schreef, slechts eerste sporen van ketterse leer te Kolosse. Hij haast zich daarom deze in beginsel te onderdrukken en de dwalenden op de juiste weg te leiden. Hij had geen reden deze dwalingen voor kwade bedoeling te houden; hij zocht de oorzaak ervan in onervarenheid en zwakheid. Daarom wendt hij niet dadelijk strenge maatregelen aan, uitsluiting uit de kerkelijke gemeenschap en dergelijke, maar hij handelt verschonend, beschouwt en behandelt de dwalenden nog als leden van de gemeente en probeert ze door zachtmoedig wijzen op hun dwalingen tot de waarheid terug te leiden. "