66 Hierdoor worden verstaan de drie jaarlijkse feestdagen, die God in het Oude Testament had ingesteld, Lev. 23:4, gelijk door de nieuwe maan de maandelijkse feesten, Num. 28:11, en door het woord sabbatten de sabbatten der jaren, en bijzonderlijk de wekelijkse, voor zoveel dezelve ceremonieel waren, Ex. 20:11. Lev. 19:3, welke door de komst van Christus zijn tenietgedaan, ten aanzien van hun bijzondere en meerdere heiligheid, die zij door Gods instelling hadden, alsook vanwege hun betekenis en noodwendigheid. Hoewel de christelijke kerk ook sommige feestdagen, naar de vrijheid der Christenen, heeft goedgevonden te onderhouden, tot gedachtenis van enige bijzondere weldaden van Christus, om God naar Zijn bevel in dezelve te dienen, met gehoor van Zijn Woord, gebruik der heilige sacramenten, openbare en gemene gebeden en lofzangen, en geven van aalmoezen, enz. Aan welke dagen evenwel de consciëntie der Christenen nu niet verder is gebonden, dan om goede orde te onderhouden, en om elkander in de christelijke vergaderingen, door onderlinge opwekkingen, meer en meer te stichten en te sterken. Hetwelk ook op andere tijden wel mag gedaan worden, wanneer het met goede orde kan geschieden. Zie 1 Kor. 11:17, enz.; 14:23, enz. Doch in plaats van den wekelijksen sabbat is van der apostelen tijden af de eerste dag der week tot hetzelve einde altijd onderhouden. Zie Hand. 20:7. 1 Kor. 16:1, 2. Openb. 1:10.
SV, Leviticus 23:4 SV, Numeri 28:11 SV, Éxodus 20:11 SV, Leviticus 19:3 SV, 1 Korinthe 11:17 SV, 1 Korinthe 14:23 SV, Handelingen 20:7 SV, 1 Korinthe 16:1 SV, 1 Korinthe 16:2 SV, Openbaring 1:10