Colossenzen 2:13-15
De apostel stelt hier voor de voorrechten der Christenen boven die der Joden, welke zeer groot zijn.
I. Christus' dood is ons leven. En Hij heeft u, als gij dood waart in de misdaden en in de voorhuid uws vlezes mede levend gemaakt met Hem, vers 13. Een staat van zonde is een staat van geestelijken dood. Zij, die in de zonden zijn, zijn dood in de zonden. De dood van het lichaam bestaat in zijn gescheiden-zijn van de ziel, zo bestaat de dood der ziel in de scheiding van God en Zijn gunst. De dood van het lichaam is zijn verderf en ontbinding, zo is de zonde het verderf en de ontbinding der ziel. Gelijk de dode mens geen macht hoegenaamd heeft om zich zelven te helpen, zo is de zondaar zedelijk geheel onmachtig, ofschoon hij natuurlijk vermogen, of het vermogen van een redelijk schepsel heeft, ontbreekt hem alle geestelijke macht, alvorens hij het goddelijke leven of de vernieuwde natuur deelachtig is geworden. Dit moet vooral verstaan worden van de heidenwereld, welke in het boze lag. Zij waren dood in de voorhuid des vlezes, vreemdelingen van de verbonden der belofte en zonder God in de wereld, Efeze 2:11, 12. Door hun voorhuid waren zij dood in de zonden. Dat moet verstaan worden van hun geestelijke onbesnedenheid of natuurlijke verdorvenheid, en toont aan dat wij voor de wet dood zijn en dood in onzen toestand. Dood voor de wet, gelijk een veroordeelde misdadiger een dood man genoemd wordt omdat hij onder het vonnis des doods ligt, zo liggen zondaren door de schuld hunner zonden onder het vonnis der wet en zijn alrede veroordeeld, Johannes 3:18. En dood in onzen staat, door de voorhuid onzes vlezes. Een ongeheiligd hart wordt een onbesneden hart genoemd, dat is onze staat. Maar door Christus zijn wij, die dood waren door de zonden, weer levend gemaakt, dat is: er is daadwerkelijke voorziening gemaakt om de schuld onzer zonden weg te nemen, en haar macht en heerschappij te breken. Met Hem opgewekt, krachtens onze vereniging met Hem, en in gelijkvormigheid aan Hem. Christus' dood was de dood onzer zonden, Christus' opwekking is de levendmaking onzer zielen.
II. Door Hem hebben wij de vergeving der zonden. Al uwe misdaden u vergevende. Dat is onze opwekking. De vergeving van de misdaad is het leven van den misdadiger, en dit danken wij aan de opstanding van Christus zowel als aan Zijn dood, want gelijk Hij stierf voor onze zonden, alzo stond Hij op voor onze rechtvaardigmaking, Romeinen 4:25.
III. Hetgeen tegen ons was is uit den weg geruimd. Hij heeft voor ons verkregen volkomen kwijtschelding van het handschrift, dat tegen ons was, vers 14. Hieronder hebben wij te verstaan:
1. De verplichting om straf te dragen, waarin de schuld onzer zonde bestaat. De vloek der wet is het handschrift tegen ons, gelijk het schrift op den muur van Belsazars paleis. Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is. Dit was een handschrift, dat tegen ons was, want het dreigde ons eeuwig verderf. Dit is weggenomen toen Hij ons verloste van den vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons, Galaten 3:13. Hij voldeed aan die verplichting voor allen, die berouw tonen en geloven. "Op Mij zij de vloek, mijn Vader!" Hij ontwapende en vernietigde het oordeel, dat tegen ons was. Toen Hij aan het kruis genageld werd. werd die vloek aan het kruis genageld. En ons inwonend bederf is met Christus gekruist, door de kracht van Zijn kruis. Wanneer wij den dood van den Heere Jezus herdenken en Hem aan het kruis genageld zien, moeten wij daar het handschrift zien dat tegen ons was. Ook kan het: 2. Verstaan worden van de ceremoniële wet, het handschrift in inzettingen bestaande, de ceremoniële instellingen van de wet der geboden, bestaande in inzettingen, Efeze 2:15, welke een juk voor de Joden en een afscheidsmuur voor de heidenen was. De Heere Jezus nam die uit het midden weg en nagelde die aan het kruis, dat is: Hij vernietigde de plicht om haar te houden, zodat allen zien konden en overtuigd worden, dat ze niet meer verbindend was. Toen het wezen kwam, verdween de schaduw. Het is teniet gedaan, 2 Corinthiërs 3:13. Hetgeen oud is en verouderd, is nabij de verdwijning, Hebreeën 8:13. De vergelijking is ontleend aan de oude wijzen van ontbinden van een verplichting, door een kruis door het geschrevene te halen of het met een pin uit te krassen.
IV. Hij heeft een schitterende overwinning voor ons op de machten der duisternis behaald.
En de overheden en de machten uitgetogen hebbende, heeft Hij die in het openbaar tentoongesteld, en heeft door hetzelve over hen getriomfeerd, vers 15. Gelijk de vloek der wet tegen ons was, zo was ook de macht des Satans tegen ons. Christus handelde met God als de Rechter, en verloste ons uit de handen van Zijne gerechtigheid voor een prijs, maar uit de handen van Satan verloste Hij ons door de macht van een hogen arm. Hij heeft de gevangenis gevangen genomen. De duivel en al de machten der hel werden overwonnen en ontwapend door den stervenden Verlosser. De eerste belofte duidde dit aan, het vermorzelen van de hiel van Christus was het vertreden van den kop der slang, Genesis 3:15. De uitdrukkingen zijn uitgezocht en verheven, laat ons ze nader beschouwen. De Verlosser overwon door Zijn dood. Zie Zijn doornenkroon veranderd in een krans van lauweren. Hij heeft hen uitgetogen, des duivels macht gebroken, hem overwonnen en ontwapend. Hij heeft hem in het openbaar tentoongesteld, blootgesteld aan de openbare schande, hem een schouwspel voor engelen en mensen gemaakt. Het rijk des duivels werd een dodelijken slag toegebracht door den Heere Jezus. Hij bond hem aan zijn zegekar en reed voort overwinnende en ter overwinning, zoals de bevelhebbers, na den strijd terugkerende, hun zegevierenden intocht hielden. Hij heeft over hen getriomfeerd. Aan het kruis en in Zijn dood, en gelijk anderen het verstaan, in zich zelven door eigen macht, als een die de wijnpersbak alleen trad en er was geen der volken met Hem.