Efeze 2:14-22
Wij komen nu tot het laatste gedeelte van dit hoofdstuk, dat een mededeling bevat van de grote en heerlijke voorrechten, welke beiden, bekeerde Joden en heidenen, van Christus ontvangen. De apostel toont hier aan dat zij, die in een toestand van vijandschap leefden, nu verzoend zijn. Tussen Joden en heidenen had grote vijandschap bestaan, en evenzo bestaat die tussen God en iedere onwedergeborene. Maar Jezus Christus is onze vrede, vers 14. Hij maakte vrede door Zijne zelfsofferande en kwam om te verzoenen:
1. Joden en heidenen met elkaar. Hij heeft die beiden een gemaakt, door de twee delen der mensheid, die gewoon waren elkaar te vervloeken, te haten en te beledigen, met elkaar te verzoenen. Hij brak den middelmuur des afscheidsels, de ceremoniële wet, waardoor de grote vijandschap ontstaan was en die de oorzaak was van der Joden afzondering. Die wordt hier den middelmuur des afscheidsels genoemd, in heen wijzing naar de afscheiding in den tempel, die het voorhof der heidenen scheidde van het voorhof, waar de Joden in mochten komen. Zo maakte Hij de vijandschap in Zijn vlees teniet, vers 15. Door Zijn lijden in het vlees nam Hij de bindende kracht der ceremoniële wet weg (en ruimde daardoor de oorzaak van vijandschap en verwijdering tussen hen uit den weg), die hier genoemd wordt de wet der geboden in inzettingen bestaande, omdat zij een menigte van uitwendige plechtigheden en ceremoniën bevatte, en bestond uit allerlei inzettingen en bepalingen, betreffende de uitwendige vormen van den eredienst. De wet der inzettingen werd door Christus afgeschaft, want zij was door Hem vervuld. Door deze teniet te maken vormde Hij ene gemeente van gelovigen, om het even of ze Joden dan wel heidenen waren. Zo schiep Hij die twee in zich zelven tot een nieuwen mens. Hij verenigde die twee delen in ene gemeenschap, een lichaam van het volk Gods, hen in zich zelven samenvoegende als hun gemeenschappelijk hoofd, hen vernieuwende door den Heiligen Geest, en hen nu leidende in een nieuwen weg van evangelische aanbidding, en maakte zo vrede tussen de beide delen, die vroeger zoveel van elkaar verschilden.
2. Daar was vijandschap tussen God en de zondaren, beiden Joden en heidenen, en Christus kwam om die vijandschap teniet te doen en hen beiden met God te verzoenen, vers 16. De zonde baart vijandschap tussen God en de mensen. Christus kwam om een einde te maken aan dien twist, door beiden Joden en heidenen te verzoenen, hen te verzamelen en te vergaderen in een lichaam, voor een vertoornd en beledigd God. En zulks door het kruis, door Zijne zelfsofferande aan het kruis, de vijandschap aan hetzelve gedood hebbende. Toen Hij verslagen en geofferd werd, versloeg Hij de vijandschap, die bestond tussen God en arme zondaren. De apostel komt nu tot de beschrijving van de grote voorrechten, welke beide partijen wonnen door het middelaarschap van onzen Heere Jezus Christus, vers 17. Christus, die vrede verwierf door het kruis, kwam gedeeltelijk in Zijn eigen persoon als tot de Joden, die hier genoemd worden: nabij te zijn, en gedeeltelijk in Zijn apostelen, dien Hij opdroeg het Evangelie te verkondigen, tot de heidenen, die gezegd worden: verre te zijn, in den zin die hij tevoren aan die woorden gaf. En verkondigde vrede, Hij maakte de voorwaarden bekend van de verzoening met God en van eeuwig leven. Merk hier op: Wanneer de boodschappers van Christus Zijn waarheid verkondigen, staat dat gelijk alsof Hij het onmiddellijk zelf deed. Er wordt gezegd, dat Hij hun predikte, want die hen ontving, ontving Hem, en die hen veracht wanneer zij volgens Zijn opdracht handelen en Zijn boodschap overbrengen, veracht en verwerpt Christus zelf. Het gevolg van dezen vrede is vrije toegang, beiden voor Joden en heidenen, tot God, vers 18. Want door Hem, in Zijn naam en door Zijn middelaarschap hebben wij beiden den toegang of toelating in de tegenwoordigheid Gods, die de verzoende Vader van beiden geworden is, de troon der genade is opgericht voor ons om er heen te komen, en de vrijheid om daartoe te naderen is ons gegeven. Onze toegang is door den Heiligen Geest. Christus verwierf ons verlof om tot God te komen, en de Geest geeft ons vrijmoedigheid en kracht om te komen, en genade om Gode aangenaam Hem te dienen. Wij naderen tot God, door Jezus Christus, door de hulp des Geestes. Daar de Efeziërs na hun bekering zulk een toegang tot God hadden, zowel als de Joden, en door dezelfden Geest, zegt de apostel hun: Zo zijt gij dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, vers 19. Dit zegt hij in tegenstelling met hetgeen hij opgemerkt had over hun toestand in het heidendom, zij waren nu niet langer vervreemd van het burgerschap Israël's, niet langer dat, waar de Joden alle volken der aarde, behalve zich zelven, voor hielden, vreemdelingen van God, maar medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods, dat is leden van de gemeente van Christus en rechthebbenden op al hare voorrechten. De gemeente wordt vergeleken bij een stad, en iedere bekeerde zondaar is daar burger. Zij wordt ook vergeleken bij een huis, en iedere bekeerde zondaar is een van de huisgenoten, lid van het gezin, dienstknecht en kind in Gods huis. In vers 20 wordt de gemeente vergeleken bij een gebouw. De apostelen en profeten zijn het fondament van dat gebouw. Zij worden zo genoemd in betrekkelijken zin, want Christus is het eigenlijke fondament, zodat wij het moeten verstaan van de leer overgeleverd door de profeten van het Oude Testament en de apostelen van het Nieuwe. Er volgt: waarvan Jezus Christus is de uiterste hoeksteen. In Hem ontmoeten Joden en heidenen elkaar en vormen ene gemeente, en Christus draagt het gebouw door Zijn kracht.
Op welken het gehele gebouw, bekwamelijk samengevoegd zijnde, vers 21. Alle gelovigen uit welken het bestaat. in Christus door het geloof verenigd zijnde, en met elkaar door de Christelijke liefde verbonden, wassen op tot een heiligen tempel, worden een geheiligde gemeenschap, waarin veel omgang is tussen God en Zijn volk, gelijk in den tempel. Zij aanbidden en dienen Hem, Hij openbaart zich in hun midden. Zij brengen God hun geestelijke offeranden, Hij geeft hun Zijn zegeningen en gunsten. Daardoor is het gebouw in zijn aard een tempel, een heilige tempel, want de gemeente is de plaats, die God verkoren heeft om daar Zijn naam te doen wonen, en zij wordt zulk een tempel door genade en kracht, die van Hem komen, -in den Heere. De algemene kerk, gebouwd op Christus als het fondament, verenigd in Christus als de hoeksteen, zal ten slotte verheerlijkt worden in Hem als de kroonsteen. Op welken ook gij mede gebouwd wordt enz., vers 22. Niet slechts de algemene kerk wordt den tempel van God genoemd, maar ook elke gemeente, en evenzo is ieder waarachtig gelovige een levende tempel, een woonstede Gods in den Geest. God woont nu in al Zijn gelovigen: zij zijn Zijne tempels geworden door de bewerking van den gezegenden Geest, en Zijn wonen bij hen is het onderpand van hun wonen met Hem in de eeuwigheid.