Efeze 2:11-13
In deze verzen vervolgt de apostel zijn uiteenzetting van den ellendigen toestand dezer Efeziërs, van nature. Daarom gedenkt enz., vers 11. Hij zegt als `t ware: Gij moet u herinneren wat gij geweest zijt en dat vergelijken met wat gij nu zijt, dan zult ge nederig zijn en vol lof en dank voor God". Bekeerde zondaren behoren dikwijls terug te zien op de zondigheid en ellendigheid van den toestand, waarin zij van nature waren. Heidenen in het vlees, dat is: levende in de verdorvenheid uwer natuur, verstoken van de besnijdenis, het uitwendig teken van een aandeel in het verbond der genade. Voorhuidgenoemd door degenen enz., dat is: Veracht en verworpen door de Joden, die uitwendige belijdenis hadden en niet verder zagen dan de uitwendige beschikking. Huichelachtige belijders verheffen zich gaarne voornamelijk op hun uitwendige voorrechten, en verachten en verwijten anderen, die deze missen. De apostel beschrijft nu de ellende van hun toestand in verscheidene opzichten, vers 12.
In dien tijd, toen gij heidenen en onbekeerden waart, toen waart gij:
1. Zonder Christus, zonder kennis van den Messias, en zonder enig behoudend aandeel aan Hem of betrekking tot Hem. Dat is waar van alle onbekeerde zondaren, allen die verstoken zijn van het geloof, waardoor men zaligmakend deel aan Christus heeft, en het is een treurige en betreurenswaardige toestand voor een ziel om zonder een Zaligmaker te zijn. Zonder Christus zijnde, waren zij:
2. Vervreemd van het burgerschap Israël's, zij behoorden niet tot de gemeente van Christus en hadden geen gemeenschap met haar, want die was beperkt tot het volk van Israël. Het is geen gering voorrecht te behoren tot de gemeente van Christus, en met al haar leden deel te hebben aan haar bijzondere voorrechten.
3. Vreemdelingen van de verbonden der belofte. Het verbond der genade heeft altijd dezelfden inhoud gehad, alhoewel het verscheidene bijvoegingen en veranderingen onderging in de verschillende toestanden van de gemeente, en daarom wordt het genoemd verbonden, en de verbonden der belofte, omdat het gesloten was op belofte en voornamelijk de grote belofte bevatte van den Messias en het eeuwige leven door Hem. De Efeziërs, in hun heidendom, waren vreemdelingen van dat verbond, zij hadden er nooit enige mededeling of inzicht van gehad, en alle onbekeerde zondaren zijn er vreemdelingen van en hebben er geen deel aan. Zij, die zonder Christus zijn en dus geen deel hebben aan den Middelaar des verbonds, hebben ook geen deel aan de beloften van het verbond.
4. Zij hadden geen hoop, dat is: buiten dit leven, geen wel gegronde hoop op geestelijke en eeuwige zegeningen. Zij, die zonder Christus en vreemdelingen van het verbond zijn, kunnen geen goede hoop hebben, want Christus en het verbond zijn de grond en het fondament van al de hoop des Christens. Zij waren in een toestand van verwijdering en vervreemding van God. Zonder God in de wereld, niet zonder enige kennis van een godheid, want zij aanbaden afgoden, maar levende zonder enige ware kennis van Hem, zonder zelfbewuste afhankelijkheid van Hem en zonder enige bijzondere belangstelling in Hem. Er staat: atheïsten in de wereld, want ofschoon zij verschillende godheden aanbaden, waren zij zonder den waren God. De apostel gaat voort, vers 18, de gelukkige verandering te schetsen, die in hun toestand gekomen was. Maar nu, in Christus Jezus zijt gij, die eertijds verre waart. Zij waren ver van Christus, van Zijne gemeente, van Zijne belofte, van de Christelijke hoop en van God zelf, en dus van al wat goed is, gelijk de verloren zoon in het ver gelegen land, dat was hun voor ogen gehouden in de voorgaande verzen. Onbekeerde zondaren bewegen zich op verren afstand van God en God houdt hen op een afstand. De verhevenen kent Hij van verre. Maar nu, in Christus Jezus, enz., door uw bekering, uit kracht van uw vereniging met Christus, en door uw deel aan Hem door het geloof, zijt gij nabij geworden. Zij waren tot God gebracht, opgenomen in de gemeente, besloten in het verbond, en dientengevolge in het bezit gesteld van al de overige voorrechten. De heiligen zijn een volk nabij God. De zaligheid is ver van de godlozen, maar God is een hulp nabij de Zijnen, en dat door het bloed van Christus, door de verdienste van Zijn lijden en sterven. Iedere gelovige zondaar dankt zijn nabijzijn bij God en zijn deel in Gods gunst aan den dood en het offer van Christus.