Jeremia 9:23-26
De profeet had lang getracht het volk met een heilige vrees voor God en Zijn oordelen te vervullen, om ze beide van zonde en toorn te overtuigen, maar zij namen steeds hun toevlucht tot een of andere uitvlucht, om zich daarachter te verschuilen tegen de overtuiging en er hun hardnekkigheid en zorgeloosheid mee te verontschuldigen. Daarom zet hij zich hier om hen uit deze schuilplaatsen te verdrijven en de onvoldoendheid er van aan te tonen.
I. Toen hun gezegd werd, hoe onvermijdelijk het oordeel zou zijn, noemden zij de verdediging van hun politieke macht, die met behulp van hun rijkdom en schatten, naar hun mening hun stad onneembaar maakte. In antwoord hierop toont hij hun de dwaasheid van een vertrouwen op al deze steunsels, en van zich er op te beroemen, terwijl zij geen verbond met God hadden om op te steunen, vers 23, 24. Hier toont hij,
1. Waarop wij ons niet verlaten kunnen in de dag des kwaads: "Een wijze beroeme zich niet in zijn wijsheid", alsof hij met behulp daarvan de vijand schaakmat kon zetten of belagen, of in de uiterste nood een uitredding vinden, want iemands wijsheid kan te kort schieten, als hij die `t meest nodig heeft, en hij kan door zijn eigen list overwonnen worden. Achitofel werd te schande gemaakt, en "raadslieden worden dikwijls beroofd weggevoerd." Maar wanneer iemands maatregelen mislukken, kan hij nog winnen door moed. Neen, "de sterke beroeme zich niet in zijn sterkheid," want de strijd is niet altijd van de sterke. David, de jongeling, was de reus Goliath te machtig. Alle menselijke macht is niets zonder God en minder dan niets tegen Hem. Maar kan niet de rijkdom van de rijken zijn sterke stad zijn? (Met geld kan men alles verkrijgen.) Neen, "de rijke beroeme zich niet in zijn rijkdom," want wel verre van hem te beschutten, stellen zij hem bloot en maken hem tot een mikpunt. Laat het volk zich niet beroemen op zijn wijzen, sterken en rijken," die in hun midden wonen, als waren zij nu bestand tegen de Chaldeën, om de wijzen die hun goede raad konden geven, om de sterken die hen verdedigen, om de rijken, die de oorlogskosten konden dragen. Laat niemand menen te ontsnappen door zijn wijsheid, kracht of geld, want al deze dingen zullen blijken "ijdele steun voor veiligheid."
2. Hij toont, waarop wij mogen vertrouwen in de dag van de ellende.
a. Onze enige troost in de nood zal zijn, dat wij onze plicht hebben gedaan. Die weigerden God te kennen, vers 6, zullen zich tevergeefs beroemen op hun wijsheid en rijkdom, maar zij, die God kennen en verstaan, dat Hij de Heere is, die niet alleen een recht inzicht hebben in Zijn natuur en eigenschappen en betrekking tot de mens, maar ook indrukken van Hem ontvangen en behouden, mogen daarin roemen. het zal hun vreugde zijn ten dage des kwaads.
b. Ons enig vertrouwen in de moeite zal zijn, dat wij door genade tot op zekere hoogte onze plicht gedaan hebben, en wij in God, voorziening in al onze tekortkomingen vinden. Wij mogen ons "daarin" beroemen, dat, waar wij ook zijn, kennis hebben aan en vertrouwen op God, die "lankmoedigheid en oordeel en rechtvaardigheid oefende op aarde," die niet alleen rechtvaardig is jegens al zijn schepselen en geen van hen kwaad zal doen, maar vriendelijk voor al zijn kinderen om te beschermen en voor hen te zorgen. Want daarin heb Ik een welbehagen." God heeft welgevallen in de betoning van vriendelijkheid en de uitvoering zijns oordeels, en heeft behagen in degenen, "die zijn navolgers zijn als zijn geliefde kinderen". Zij, die zo'n kennis van Gods heerlijkheid hebben, dat zij tot hetzelfde beeld veranderd worden en deel aan Zijn heiligheid hebben, vinden daarin hun volmaking en roem, en zij mogen blijmoedig op Hem, naar Wiens beeld zij zich hervormen, vertrouwen als hun vaste hoop. Maar de profeet wijst er op, dat zijn volk in het algemeen daarop geen acht gaf. Hun wijsheid, sterkheid en rijkdom waren hun blijdschap en hoop, die zouden eindigen in smart en wanhoop. Maar de weinigen onder hen, die kennis van God hadden, mochten zich daarover verheugen en er zich op beroemen, het zou hun beter zijn "dan duizenden van goud en zilver."
II. Toen hun gezegd werd, hoe hun zonden God tot toorn verwekten, pleitten zij alleen op het verbond van de besnijdenis. Zij waren ongetwijfeld het volk van God, gelijk de tempel des Heeren in hun midden was, hadden zij ook zijn zegel in hun vlees. Het is waar, dat de Chaldeën die en die volken hebben overwonnen, omdat die onbesneden waren, en dus niet onder bescherming van de goddelijke voorzienigheid, zoals wij! Daarop antwoordt de profeet, dat de dag hunner bezoeking nu aanstaande is, wanneer God alle goddeloze mensen zal straffen, zonder tussen besnedenen en onbesnedenen enig onderscheid te maken, vers 25, 26. Door hun zonde hadden zij de troon hunner voorrechten als Gods volk ontheiligd en leefden als de onbesneden volken, dus hadden zij het "voordeel van de Jood" verbeurd en niet beter te verwachten dan het lot van de heidenen. "God zal bezoeking doen over alle besnedenen met degenen die de voorhuid hebben". Al de onwetendheid van de onbesnedenen zal hun goddeloosheid niet verontschuldigen, en de voorrechten van de besnedenen zullen de hun niet wegnemen, zij zullen tezamen gestraft worden. Let hierop: De rechter van de gehele aarde is onpartijdig, en niemand zal om zijn uiterlijke omstandigheden vrijgesproken worden, Hij zal ieder, besnedene of onbesnedene, vergelden naar zijn werk. De veroordeling van de onbekeerlijke zondaars, die gedoopt zijn, is even gewis als die van de onbekeerlijke zondaars, die niet gedoopt zijn. Het moet iemand treffen, Juda hier te vinden, geplaatst tussen Egypte en Edom, als met hen gelijk, onder hetzelfde vonnis, vers 26. Deze volken hadden geen deel aan de voorrechten van de Joden, Deuteronomium 23:3, maar de Joden wordt hier gezegd, dat zij de straf van genen wel delen zullen. "Allen, die aan de hoeken afgekort zijn, die in de woestijn wonen" worden verondersteld, de Kedarenen en de inwoners van de koninkrijken van Hagar te zijn, naar Hoofdstuk 49:28-32. Sommigen menen, dat zij zo genoemd werden, omdat zij als het ware aan een uithoek van de wereld woonden, anderen, omdat "hun hoofdhaar hoekig afgesneden was." Hoe dat ook zij, ze waren onbesneden volken, en de Joden zouden om hun zonden derzelver lot delen, want "het gehele huis Israëls had de voorhuid des harten, " het teken bezaten zij, maar de betekende zaak niet Hoofdstuk 44. Zij waren heidenen in hun hart vervreemd van God en vijanden in het verstand door de boze werken. Hun hart ging de afgoden na, zoals dat van de onbesneden heidenen. Zie, de zegelen des verbonds, al verheffen ze ons, leggen toch ons onder verplichting, zij zullen ons niet redden, tenzij hart en leven daarmee overeenstemmen. Dit is de besnijdenis en dit is de doop, namelijk die van de harten, Romeinen 2:28, 29.