1 Timotheus 6:13-21
De apostel beveelt Timotheus hier: Houd dit gebod (dat is, het gehele werk zijner bediening, alles wat hem toevertrouwd werd, al de dienst die van hem verwacht werd) onbevlekt en onberispelijk. Hij moest zich in zijne bediening zo gedragen, dat hij geen aanleiding gaf tot enigen blaam en geen verwijt verdiende. Welke beweegredenen bestonden daarvoor?
I. Hij geeft hem een plechtig bevel. Ik beveel u voor God, die alle dingen levend maakt, vers 13. Hij beveelt hem omdat hij eens rekenschap geven moet aan dien God, wiens ogen zijn op ons allen, die ziet wat wij zijn en wat wij doen. God, die alle dingen levend maakt, die het leven heeft in zich zelven en de fontein des levens is. Dit moet ons levend maken in den dienst van God, dat wij een God dienen, die alle dingen levend maakt. En hij beveelt hem voor Jezus Christus, tot wie hij als dienaar van het Evangelie in bijzondere betrekking stond. Die voor Pontius Pilatus de goede belijdenis betuigd heeft. Christus stierf niet alleen als slachtoffer, maar ook als martelaar, Hij legde de goede belijdenis af toen Hij voor Pontius Pilatus stond, zeggende: Mijn koninkrijk is niet van deze wereld. Ik ben gekomen om der waarheid getuigenis te geven, Johannes 18:36, 37. Deze goede belijdenis, die Hij voor Pilatus betuigde: Mijn koninkrijk is niet van deze wereld, moet genoeg zijn om al Zijn volgelingen, dienaren en de overigen, af te trekken van de liefde voor de wereld.
Il. Hij herinnert hem aan de belijdenis, die hijzelf heeft afgelegd. Gij hebt de goede belijdenis beleden voor vele getuigen, vers 12, namelijk toen hij geordend was door oplegging der handen des ouderlingschaps. Die verplichting rustte nog op hem, hij moest daardoor leven en er door verlevendigd worden om zijn werk als dienaar te verrichten.
III. Hij herinnert hem aan Christus' wederkomst. Houd dit gebod, onbevlekt en onberispelijk, tot op de verschijning van onzen Heere Jezus Christus, vers 14. Houd dit gebod uw leven lang, tot Christus in den dood komt om u te ontslaan. Houd het met het oog op Zijn wederkomst, wanneer wij allen verantwoording afleggen moeten van de ons toebetrouwde talenten, Lukas 16:21. Merk op: De Heere Jezus Christus zal verschijnen, en het zal een luisterrijke verschijning zijn, niet gelijk Zijn eerste verschijning in de dagen Zijner vernedering. Dienaren moeten een oog hebben voor deze verschijning van den Heere Jezus Christus, in al hun arbeid, en tot aan Zijne verschijning moeten zij dit gebod houden, onbevlekt en onberispelijk. Nu hij de verschijning van Christus, dien hij liefheeft, vermeldt, spreekt Paulus met liefde van Hem, die dan zal verschijnen. De verschijning van Christus is zeker (Hij zal hem vertonen) maar het komt ons niet toe de tijden en gelegenheden te weten, die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft, laat dit ons genoeg zijn dat Hij haar tonen zal te Zijnen tijd, den tijd dien Hij daarvoor geschikt oordeelt.
1. Betreffende Christus en God den Vader zegt de apostel hier grote dingen.
A. God is de alleen-machtige Heere, de macht van aardse vorsten is alleen door Hem verleend en hangt geheel van Hem af. De machten, die er zijn, zijn door God verordend, Romeinen 13:1. Hij is de enige Macht, die volkomen vrij en onafhankelijk is.
B. Hij is de zalige en alleen-machtige Heere, oneindig gelukkig, en niets kan in enig opzicht Zijn gelukzaligheid verminderen. C. Hij is de Koning der koningen en de Heere der heren. Al de koningen der aarde ontlenen hun macht aan Hem, Hij geeft hun hun kronen, zij hebben die onder Hem, en Hij heeft vrijmachtige heerschappij over hen. Dit is de naam van Christus, geschreven op Zijn kleed en op Zijne dij, want Hij heeft een naam boven alle koningen der aarde.
D. Die alleen onsterflijkheid heeft. Hij alleen is onsterfelijk in zich zelven, en heeft de onsterflijkheid als een fontein in zich, want de onsterflijkheid van engelen en geesten is door Hem gegeven.
E. Die een ontoegankelijk licht bewoont: een licht, dat niemand naderen kan, geen mens kan ten hemel ingaan, dan die het Hem behaagt daar te brengen en in Zijn koninkrijk toe te laten.
F. Hij is onzichtbaar. Dien geen mens gezien heeft of zien kan. Het is onmogelijk dat sterflijke ogen het licht der goddelijke heerlijkheid zouden verdragen. Niemand kan God zien en leven.
2. Na deze heerlijke hoedanigheden beschreven te hebben, besluit hij met ene lofverheffing: Welken zij eer en eeuwige kracht. Amen! Aangezien God alle kracht en eer in zich zelven heeft, is het onze plicht Hem alle eer en kracht toe te schrijven.
A. Welk een kwaad is de zonde, begaan tegen zulk een God, de gezegende en alleenmachtige Heere! De snoodheid is groter naarmate de waardigheid van hem, tegen wie gezondigd werd, groter is.
B. Groot is Zijne neerbuiging, om zich te bemoeien met zulke lage en slechte schepselen als wij zijn. Wie zijn wij, dat de zalige God, de Koning der koningen en de Heere der heren, naar ons omziet!
C. Gezegend zijn zij, die toegelaten worden om te wonen bij dezen groten en alleen-machtigen Heere. Gelukzalig zijn uwe mannen, zei de koningin van Scheba tot den koning Salomo, welgelukzalig deze uwe knechten, die gedurig voor uw aangezicht staan, die uwe wijsheid horen! 1 Koningen 10:8. Hoeveel meer gelukzalig zijn zij die mogen staan voor den Koning der koningen!
D. Laat ons dien groten God liefhebben, verheerlijken en prijzen, want: Wie zou U niet vrezen, Heere, en uwen naam niet verheerlijken? Want Gij alleen zijt heilig! Openbaring 15:4.
IV. Bij wijze van naschrift voegt de apostel hier een les voor de rijken bij, vers 17-19.
1. Timotheus moest bevelen, dat de rijken op hun hoede moesten zijn tegen verzoekingen, en de gelegenheden van hun voorspoedigen toestand goed gebruiken.
A. Hij moest hen waarschuwen op hun hoede te zijn tegen hoogmoed. Dat is de zonde, die zich lichtelijk meester maakt van rijke lieden, die de gehele wereld toelacht. Beveel hen dat zij niet hoogmoedig zijn, dat zij zich niet bovenmate hoog schatten, niet door hun rijkdom opgeblazen worden.
B. Hij moest hen waarschuwen tegen een ijdel vertrouwen op hun schatten. Beveel hen, dat zij niet hun hoop stellen op de ongestadigheid des rijkdoms. Niets is onzekerder dan de rijkdom dezer wereld, velen hebben schatten bezeten en waren den volgenden dag straatarm. Rijkdommen maken zich vleugelen en vliegen weg als arenden, Spreuken 23:5.
C. Hij moet hen bevelen, dat zij hopen op den levenden God, Hem tot hun hoop stellen, die ons alle dingen rijkelijk verleent om te genieten. Zij, die rijk zijn, moeten zien dat God hun hun rijkdom geeft, en wel om rijkelijk te genieten, want velen hebben rijkdommen en genieten slechts armelijk, omdat zij ze niet durven gebruiken.
D. Hij moet hen bevelen goed te doen met hetgeen zij hebben, want wat is de waarde van het grootste goed anders dan dat het iemand in staat stelt om des te meer goed aan anderen te doen? Dat zij weldadig zijn, rijk worden in goede werken. Zij zijn waarlijk rijk, die rijk zijn in goede werken. Dat zij gaarne mededelende zijn en gemeenzaam, het niet alleen doen, maar het gaarne doen, want God heeft den vrijwilligen gever lief.
E. Hij moet hen bevelen aan de andere wereld te denken en zich daarvoor door werken van liefdadigheid voor te bereiden. Leggende zich zelven weg tot een schat een goedfondament tegen het toekomende, opdat zij het eeuwige leven verkrijgen mogen.
2. Hierbij mogen wij opmerken:
A. Dienaren moeten niet bevreesd zijn voor de rijken, al zijn ze nog zo rijk, zij moeten met hen spreken en hen bevelen.
B. Zij moeten hen waarschuwen tegen hoogmoed en ijdel vertrouwen op hun rijkdommen, opdat zij niet hoogmoedig zijn en hun hoop stellen op de ongestadigheid des rijkdoms. Zij moeten hen aansporen tot goede werken van liefdadigheid. Dat zij weldoen, enz.
C. Dat is het middel voor de rijken om zich een schat weg te leggen tegen den toekomstigen tijd, en het eeuwige leven te grijpen, in den weg van weldoen hebben wij allen heerlijkheid, eer en onsterflijkheid te zoeken en het einde het eeuwige leven, Romeinen 2:7.
D. In het bevel aan Timotheus is een bevel aan de dienaren gegeven: Behoud wat u toevertrouwd is. Iedere dienaar werd een schat toevertrouwd, dien hij heeft te behouden. De waarheden Gods, de ordinantiën Gods, behoud die, vermijdende het ongoddelijk, ijdel roepen. Laat u niet behagen menselijke lofspraak, welke de apostel noemt ijdel roepen. Evenmin menselijke lering, welke dikwijls tegen de waarheden Gods overstaat. Maar houd u dicht bij het geschreven Woord, want dat is u als een pand toevertrouwd. Sommigen, die zeer trots op hun leringen geweest zijn, hun valselijk genaamde wetenschap, hebben daardoor schipbreuk geleden in hun beginselen en zijn afgeweken van het geloof in Christus. En dat is een goede reden, waarom wij ons moeten houden bij het eenvoudige woord des Evangelies, en besluiten daarbij te leven en te sterven.
a. Dienaren kunnen niet ernstig genoeg vermaand worden om het pand te bewaren, dat hun toevertrouwd is, want het is een pand van grote waarde. O, Timotheus! bewaar het pand u toebetrouwd! Alsof hij zeggen wil: "Ik kan niet eindigen zonder u dit nog eens te bevelen, wat gij ook doet, wees zeker ervan dat gij het pand bewaart, want het is te groot om te laten verloren gaan!" b. Dienaren moeten een afkeer hebben van ongoddelijk ijdel roepen, wanneer zij bewaren willen wat hun toevertrouwd is.
c. De wetenschap, die zich tegen het Evangelie stelt, wordt valselijk zo genoemd, zij is geen ware wetenschap, want dan zou zij zich als zodanig bewijzen door met het Evangelie overeen te komen.
d. Zij, die zo op zulke wetenschap gesteld zijn, verkeren in groot gevaar van de waarheid af te dwalen, zij, die de rede boven het geloof willen stellen, zijn in gevaar het geloof te verlaten.
V. De apostel eindigt met plechtig gebed en zegen. De genade zij met u. Amen! Dit is een kort maar inhoudrijk gebed voor onze vrienden, want in genade is alles goeds begrepen, de genade is het onderpand, ja, de aanvang der heerlijkheid, want waar God genade geeft, zal Hij ook ere geven, en Hij zal het goede niet onthouden degenen, die in oprechtheid wandelen. Genade zij met u allen. Amen.