8. Weer, van een andere zijde beschouwd, namelijk ten opzichte van de wereld (vs 2), wat het voor deze is (
Johannes 13:34), schrijf ik u een nieuw gebod; hetgeen toch waarachtig is in Hem, in Christus volkomen verwezenlijkt is (
Johannes 15:12 v.), zij ook in u, Zijn discipelen en navolgers (
Hoofdstuk 3:16), waarachtig. Dat gebod, reeds naar de klank van de woorden te voren bekend (
Leviticus 19:18), behoort in u ook werkelijkheid te zijn; want sinds Christus verschenen is moet overal, waar het geloof in Zijn naam de harten vervuld heeft, gezegd kunnen worden: de duisternis gaat voorbij, is aan het verdwijnen en het waarachtige licht schijnt nu, reeds op een wijze, dat het meer de heerschappij verkrijgt, totdat de volle dag aanbreekt (
Romeinen 13:12).
Het woord "broeders" zegt dat de apostel vooral veel gewicht legt op hetgeen volgt.
Johannes is aan zijn lezers nog verklaring verschuldigd, die de geboden van God zijn (Vers 3 vv.), waarin het eigenaardige van de Christelijke wandel bestaat (Vers 6). Die verklaring geeft hij hun nu, maar op zo'n wijze, dat hij in de eerste plaats opmerkt, hoe zo'n verklaring eigenlijk niet nodig is, omdat toch het gebod, waarvan hij spreekt, een oud, hun sinds lang bekend gebod is, zodat zij het meteen vanzelf moesten weten, ook zonder dat hij het noemde. Hij noemt het nu ook ten eerste nog niet, maar stelt het slechts voor naar de wondervolle eigenaardigheid, omdat hij zegt, hoe het tegelijk voor hen het oude en in een ander opzicht een nieuw gebod was.
Johannes wil aan de gemeenten, waaraan hij schrijft, niet iets nieuws voordragen, maar wat steeds de inbond van de hun verkondigde leer was, opnieuw hun duidelijk maken en hen aanmanen tot een juiste toepassing van het gehoorde. Wat hij hun steeds heeft voorgesteld als het een gebod van de Heere, waarin alle andere geboden vervat zijn, als datgene, waarop het wezen van het werkdadig Christendom rust, dat wil hij hun opnieuw op het hart drukken. Wanneer hij echter dat een gebod noemt als het woord, dat hij van de aanvang van de verkondiging van het Evangelie hun heeft doen vernemen, dan zullen wij niet alleen aan zijn verkondiging zelf bij deze gemeenten, maar ook aan de vroegere door de apostel Paulus moeten denken. Het was altijd, was het ook in verschillende vormen, dezelfde waarheid, die hun was verkondigd en dat woord had dat een gebod tot middelpunt. "Dat u van het begin gehoord heeft", zo kon de apostel alleen schrijven, als die aanvang nog in het bewustzijn van de aangesprokenen, daaruit nog niet verdwenen was. Deze uitdrukking is dus een bewijs, dat de brief niet buiten de apostolische tijd, moeilijk zelfs in het laatste deel daarvan kan worden gesteld.
De apostel noemt het gebod om het voorbeeld van Christus in broederlijke liefde na te volgen (Vers 6), daarom een oud gebod, omdat het van het begin, sinds het Evangelie tot de lezers gebracht en door hen aangenomen is, hun bekend is geweest, omdat het de eigenlijke, wezenlijke inhoud van het woord, dat zij gehoord hebben, uitmaakt. Toch kan hij het in ander opzicht weer een nieuw noemen. Reeds in het "weer" is een zeker zinrijk spelen met de benamingen, "oud" en "nieuw" aangeduid. Hetzelfde gebod moet, naardat het van deze of van een andere zijde wordt beschouwd, als oud en dan weer als nieuw worden opgevat. In welk opzicht kan echter Johannes het gebod van broederlijke liefde naar het voorbeeld van Christus nieuw noemen? Evenals hij te voren uit het heden in de Christelijke tijd van de lezers de blik sloeg en hem dan het gebod voorkwam als een, dat sinds lang de lezers bekend was, dat een oud gebod was, dat zij reeds zolang hadden gehad, als zij Christenen waren, zo ziet hij nu van dit standpunt in de tijd, die vóór het begin van het Christelijk leven van de lezers lag, hetzij zij vroeger Joden of Heidenen waren. Dan komt datzelfde gebod voor als een nieuw, werkelijk Christelijk gebod, dat voor de lezers eerst met dat begin begon, want ook voor de Christenen uit de Joden is het Christelijk gebod van de broederlijke liefde, omdat deze als navolging van Christus wordt geëist, een nieuw gebod. In de woorden "hetgeen waarachtig is in Hem, zij ook in u" zegt de apostel, dat hetgeen door het nieuwe gebod geëist wordt, de broederlijke liefde evenals die in Christus' wandel het meest duidelijk geworden is en in deze levendige feitelijke waarheid of werkelijkheid aanwezig is en krachtig bestaat, zo ook door Zijn gelovigen naar Zijn voorbeeld wordt beoefend. De lezers staan in de stroom van licht en liefde, die in Christus zijn steeds aanwezige bron heeft, de liefde, die Christus in Zijn wandel heeft geopenbaard, werkt ook in hen, zij streven Zijn wandelen van de liefde na. Daarom heeft, zoals verder gezegd wordt met de woorden "de duisternis gaat voorbij en het waarachtige licht schijnt nu" de grote crisis plaats. Reeds wordt de duisternis door het waarachtige licht, dat in waarheid in Christus en in Zijn gelovigen schijnt, verdreven; reeds wordt door de liefde, die in Christus en Zijn gelovigen leeft, de haat (die ook volgens Paulus de hoofdzonde van de onbekeerde wereld is, Romeinen 1:29, Titus 3:3) overwonnen. Zeker houden deze woorden een grote lof in en die lof is aan velen uitleggers te groot voorgekomen; maar de apostel, die in zijn lezers kinderen van God ziet (Hoofdstuk 3:2), die weet, dat zij de Geest bezitten (Vers 27), kortom, dat zij echt in levensgemeenschap met God en Christus staan, kan en moet erkennen, dat de eigenaardigste bloesem, die het hele Christendom kweekt, de broederlijke liefde, volgens het voorbeeld van de Heere werkelijk en waarachtig in de lezers aanwezig is (en hebben wij recht als wij menen dat de brief uit Patmos ten tijde van de Christen vervolging onder Nero geschreven is, dan heeft zich juist toen die liefde op de eigenaardige Christelijke wijze, in Hoofdstuk 3:16 gekarakteriseerd, veelvuldig geopenbaard. Hierdoor wordt toch de gedurige vermaning, om zo'n liefde te voelen, niet alleen niet overbodig, maar die blijft voortdurend noodzakelijk, zo zeker als het gehele Christelijk leven altijd volmaakbaar blijft, een schat, die men alleen dan heeft, als die door zedelijke arbeid, door wandelen in het licht, steeds vernieuwd en steeds rijker wordt.
Dat licht en duisternis op geestelijk gebied als twee uiterste polen onverzoenlijk tegenover elkaar staan, het wordt door geen Christen betwijfeld en dat zowel in de grote wereld daarbuiten, als in de kleine daarbinnen de macht van de duisternis zich tot ontroerende hoogte ontwikkelen kan en werkelijk ontwikkelt, het hoeft niet eerst bewezen te worden. Maar nu, al die duisternis, zelfs die welke onder de naam van licht zich laat gelden, is niet slechts bestemd om eenmaal voorbij te gaan, maar daarmee onophoudelijk bezig; uit haar aard niet bestand tegen het licht, dat er niet alleen reeds is, maar onvergankelijk blijft, ja ook in en na de zwaarste strijd met de nevel het laatste woord zal behouden: is er niet in die voorstelling op zichzelf reeds iets, dat onbeschrijfelijk verheven en tegelijk hartverheffend mag heten? Iets schoners kunnen wij ons nauwelijks denken en iets minders onmogelijk wachten en wel mochten sommigen wensen, dat elke wereldbeschouwing zich zo voldingend als deze van de apostel-profeet volhouden en rechtvaardigen liet! Of ligt het niet in de aard van de zaak, wanneer wij in een heilige God en een eeuwige bestemming geloven, dat Hij zelf als het ware de Bondgenoot is van het licht, zodat in Zijn gebied de duisternis noodzakelijk zwichten moest? Is niet de hele geschiedenis van de grondvesting en uitbreiding, de hervorming en instandhouding van het Godsrijk een eeuwen-oud bewijs voor dit woord? Ja, wordt niet ieder zondaar, die innerlijk door de kracht van de Heilige Geest wordt herboren, een opgericht teken te meer, dat ook hierbinnen de kans van het licht oneindig gunstiger dan die van de duisternis staat? De duisternis gaat voorbij, zeker zo langzaam kan het gaan, dat men bijna zuchten zou: kruipt voorbij, oude dwalingen, oude zonden, oude ellenden, die wij meenden, wat nu toch eindelijk wel voorgoed uitgeroeid mochten heten, komen weer in nieuwe vormen terug; het is als in de natuur, waar de liefelijkheid van de Meimaand vaak op eenmaal vervangen wordt door het grimmig gelaat van de winter, "en het waarachtig licht schijnt nu", ja, maar soms flauw, zo beneveld, zo vreugdeloos, dat het al zijn glans en gloed heeft verloren. Toch als het hart in waarheid oprecht is voor God, kan het zo onmogelijk blijven, het licht, dat achter de wolken als verzonken en verdronken kan schijnen, slaat de sluier van zijn gelaat weer weg en het blijkt telkens opnieuw dat de duisternis de tijd, maar het licht de eeuwigheid vóór zich heeft. Kennelijk trekt in onze dagen de Vorst van de duisternis zijn strijdkrachten tegen het Godsrijk en zijn onderdanen bijeen, maar juist het felle van zijn toorn bewijst, dat hem nog slechts een kleine tijd is gesteld (Openbaring 2:12), en waar het klein geloof zucht: het is bij de avond, speurt het geloof reeds van verre de schemering van een eeuwige morgen. Zeker, de duisternis gaat voor, om zwaar van gang te zijn en blind van oog en ongezind om te wijken; maar toch, het gaat dan met schokken en tegenspartelen, zij gaat tijdelijk wellicht vooruit, maar eindelijk toch voor altijd voorbij, zo echt Pinksteren het feest is van het licht. Wat zegt men, dat het Evangelie verouderd en reeds voorgoed zijn wereldverjongende kracht heeft verloren? Dwaas, die het volhoudt, u wordt oud met uw afgesleten bedenkingen, maar het Evangelie draagt een levenskracht in zich, waarvan u geen voorstelling heeft! Het komt er slechts op aan om de kracht van de Apostolische wereldbeschouwing, van de vertroosting en heiliging van ons en velen zou te doen blijken, dat geen weerspraak meer ingang kan vinden. Geen nieuwe uitstorting van de Heilige Geest hebben wij nodig; de Geest is éénmaal voorgoed op het Pinksterfeest neergedaald en wij leven in het laatste van de dagen; maar hierop komt het aan, dat wij beter dan tot dusver leren verstaan en gebruiken, wat God werkelijk reeds in Christus geschonken heeft. Het waarachtig licht schijnt nu, maar om niet eenmaal van blinden te spreken, ook in de levende gemeenten zijn zo velerlei ooglijders. En dan nog iets. Menigeen laat het licht wel vallen in het voorportaal, woon- en slaap- en arbeidsvertrek, maar er is één kamertje achter in zijn huis, waarvan de vensters gesloten blijven en hij alleen de sleutel bewaart, omdat hij er een afgod in huist. O u, voor wie het geldt, laat het waarachtige licht ook eindelijk die vensteren in en geef de sleutel ook van dat geheim vertrek onvoorwaardelijk in de handen van Jezus.