1 Johannes 3:14-19
De geliefde apostel kan nauwelijks het onderwerp van de geheiligde liefde aanroeren, of hij moet er over uitweiden en er op aandringen, zoals hij hier door verscheidene beweegredenen doet.
I. De liefde is een kenmerk van onze evangelische rechtvaardigmaking of van onze overplaatsing in den staat des levens. Wij weten dat wij overgegaan zijn uit den dood in het leven, dewijl wij de broeders liefhebben, vers 14. Wij zijn van nature kinderen des toorns en erfgenamen des doods. Door het Evangelie (het verbond of de belofte des Evangelies) is onze staat tegenover de andere wereld veranderd. Wij gingen uit den dood over in het leven, uit de schuld des doods tot het recht op het leven, en deze overgang werd bewerkstelligd door ons geloof in den Heere Jezus. Die in den Zoon gelooft, heeft het eeuwige leven, maar die niet gelooft: de toorn Gods blijft op hem, Johannes 3:36. Wij kunnen er toe komen van dezen gelukkigen staat verzekerd te zijn: Wij weten dat wij overgegaan zijn uit den dood in het leven. Wij kunnen het weten door de openbaring van ons geloof in Christus. Een der bewijzen daarvan is onze liefde tot de broederen. Dat leidt er toe om deze liefde te kenschetsen als een bewijs van onzen staat van rechtvaardigmaking. Het is niet de ijver voor een partij in den gemeenschappelijken godsdienst, en niet de genegenheid of de voorgewende genegenheid voor hen, die met ons dezelfden partijnaam dragen of op ondergeschikte punten dezelfde gevoelens delen. Maar deze liefde:
1. Onderstelt een algemene liefde voor de mensheid. De wet der Christelijke liefde en de Christelijke gemeenschap berust op de algemene wet in de samenleving der mensheid.
Gij zult uwen naasten liefhebben als uzelven. De mensheid moeten wij liefhebben om deze beide redenen:
A. Als een uitnemende schepping Gods, door Hem gemaakt, en gemaakt in wondervolle gelijkenis aan Hem. De reden, die God aangeeft voor de zekere straf van den moordenaar, is een reden tegen het haten van een der broederen uit de mensheid, en dus een reden om hen lief te hebben: want God heeft den mens naar Zijn beeld gemaakt, Genesis 9:6.
B. Als schepsel, tot op zekere hoogte door Christus bemind. De gehele mensheid moet beschouwd worden, in onderscheiding van de gevallen engelen, als een verloste eenheid, omdat voor haar een goddelijke Verlosser is aangewezen, toebereid en gegeven. Alzo lief heeft God de wereld gehad, deze zelfde wereld, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve maar het eeuwige leven hebbe, Johannes 3:16. Een wereld, die God zo heeft liefgehad, behoren wij derhalve ook lief te hebben. En deze liefde moet zich openbaren in ernstige begeerten, gebeden en pogingen voor de bekering en redding van de nog ongeroepen, verblinde wereld. Het gebed mijns harten voor Israël is tot hun zaligheid. Deze liefde moet dus in zich bevatten ook alle aan onze vijanden verschuldigde liefde.
2. Zij sluit in zich een bijzondere liefde voor de Christelijke gemeenschap, voor de algemene kerk, en dat wel ter wille van haar hoofd, omdat zij Zijn lichaam is, in en door Hem verlost, gerechtvaardigd en geheiligd. En deze liefde handelt en werkt in het bijzonder jegens hen, met welken wij persoonlijk bekend zijn of omtrent wie wij geloofwaardig getuigenis ontvingen. Zij worden niet zozeer om huns zelfs wil bemind als ter wille van God en Christus, die hen hebben liefgehad. En het zijn God en Christus-of, wilt gij liever: de liefde van God en de genade van Christus-die in hen en jegens hen gewaardeerd en bemind worden. Het is dus een gevolg van ons geloof in Christus en daardoor een bewijs, dat wij uit den dood overgegaan zijn in het leven.
II. Het haten van onze broederen daarentegen is een bewijs van onzen doodsstaat, of van ons voortdurend blijven verkeren onder het wettelijk oordeel des doods. Die zijn broeder (zijn broeder in Christus) niet liefheeft, blijft in den dood, vers 14. Hij verkeert nog onder den vloek en het vonnis der wet. De apostel licht dit toe door een duidelijke vergelijking. Gij weet dat geen doodslager het eeuwige leven heeft in zich blijvende, maar hij die zijn broeder haat is een doodslager, en daarom moet gij wel weten dat hij, die zijn broeder haat, het eeuwige leven niet in zich blijvende heeft, vers 15. Of: hij blijft in den dood, zoals in vers 14 is uitgedrukt: die zijn broeder haat is een doodslager, want het haten van iemand is, zover het gaan kan, een haten van zijn leven en welzijn, en leidt natuurlijk tot de begeerte om die te vernielen. Kaïn haatte zijn broeder en daarom sloeg hij hem dood. De haat sluit de ingewanden van ontferming voor de arme broederen, en zal hen daarom blootstellen aan de smarten des doods. En men ziet dat alle eeuwen door de broederhaat hen najoeg met kwaadspreken, scheldnamen, lasteringen, en hen ten slotte blootstelde aan vervolging en zwaard. Geen wonder dus dat hij, die enige kennis van het menselijk hart heeft, die onderwezen is door Hem, die het volkomen kent, die de natuurlijke strekking en uitslag van verkeerden en hevigen hartstocht weet, en die de volheid van de goddelijke wet kent, verklaart dat hij, die zijn broeder haat, een doodslager is. En wie door de geneigdheid en de richting zijns harten een doodslager is, kan niet het eeuwige leven in zich blijvende hebben, want wie zo is, moet wel vleselijk-gezind zijn, en het bedenken des vlezes is de dood, Romeinen 8:6. Met de uitdrukking: het eeuwige leven hebben in zich blijvende, schijnt de apostel te bedoelen een eeuwig, inwendig beginsel van eindeloos leven, overeenkomstig het woord des Zaligmakers: Zo wie drinken zal van het water, dat Ik hem geven zal, die zal in eeuwigheid niet dorsten (er nooit geheel en al van verstoken zijn), maar het water, dat Ik hem geven zal, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven, Johannes 4:14. En daarom zijn sommigen geneigd om te geloven, dat het overgaan van den dood in het leven, vers 14, niet bedoelt de betrekkelijke verandering, gemaakt in onze rechtvaardigmaking des levens, maar de werkelijke verandering, ontstaan door onze wedergeboorte ten leven, en bijgevolg dat het blijven in den dood, waarvan vers 14 spreekt, de voortzetting is van den geestelijken dood, zoals het gewoonlijk genoemd wordt, het blijven in den verdorven dodelijken staat van nature. Maar aangezien deze overgangen meer natuurlijk slaan op den toestand van den persoon, waardoor over hem ten leven of ten dode beslist wordt, zo kan de betrekkelijke overgang van den dood in het leven wel worden bewezen (of worden bewezen niet te bestaan) door het bezitten of niet-bezitten van het inwendig beginsel van eeuwig leven, want het wassen van de zondeschuld gaat onafscheidelijk gepaard met het vrijmaken uit de onreinheid en de macht der zonde. Maar gij zijt afgewassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd, in den naam van den Heere Jezus en door den Geest onzes Gods, 1 Corinthiërs 6:11.
III. Het voorbeeld van God en Christus moet in onze harten deze heilige liefde doen ontvlammen. Hieraan hebben wij de liefde gekend, dat Hij Zijn leven voor ons gesteld heeft, en wij zijn schuldig voor de broeders het leven te stellen, vers 16. De grote God heeft Zijn Zoon voor ons in den dood overgegeven. Maar aangezien de apostel verklaard heeft, dat het Woord God was en dat Hij voor ons vlees geworden is, zie ik niet waarom wij dit niet mogen uitleggen als van toepassing op God het Woord). Hier is de liefde van God zelven, of van Hem die in Zijn eigen persoon God is, ofschoon niet de Vader, dat Hij een leven aannam, opdat Hij het voor ons zou afleggen. Hier is de nederdaling, het wonder, het geheim der goddelijke liefde dat God de gemeente wilde verlossen met Zijn eigen bloed. Zeker behoren wij hen lief te hebben, die God zo heeft liefgehad en zo lief heeft, en wij zullen dat ook gewis doen, indien wij enige liefde voor God zelven hebben.
IV. Nadat de apostel deze brandende, voorbeeldeloze liefde en haar beweegreden ons heeft voorgesteld, gaat hij er toe over om aan te duiden wat de gesteldheid en uitwerking van onze Christelijke liefde moet zijn. En:
1. Zij moet, in den hoogsten graad, zo vurig zijn, dat zij ons gewillig maakt om zelfs den dood te ondergaan voor het welzijn der gemeente, voor de veiligheid en zaligheid van onze broederen, Wij zijn schuldig voor de broederen het leven te stellen, vers 16, zowel in onze bediening voor hen, (Ja, indien ik ook tot een drankoffer geofferd word over de offerande en bediening uws geloofs, zo verblijd ik mij en verblijd mij met u allen, Filippenzen 2:17), als door ons zelven aan gevaren bloot te stellen, indien wij daartoe geroepen worden, voor de zaligheid en bewaring van hen, die nuttiger kunnen zijn voor de ere Gods en de opbouwing der gemeente dan wij zijn kunnen: Die voor mijn leven hun hals gesteld hebben, dewelke niet alleen ik dank, maar ook al de gemeenten der heidenen, Romeinen 16:4. Hoe moet de Christen dit leven afgestorven zijn! Hoezeer behoort hij bereid te zijn om het te verlaten! En hoe wèl verzekerd moet hij zijn van een beter leven!
2. Zij moet in de tweede plaats zijn medelijdend, vrijgevig en gaarne mededelende tot de behoeften der broederen. Want: zo wie nu het goed der wereld heeft, en ziet zijnen broeder gebrek hebben, en sluit zijn hart toe voor hem, hoe blijft de liefde Gods in hem? vers 17. Het behaagt God dat sommigen van de Christenbroeders arm zijn, tot oefening van de weldadigheid en liefde van hen, die rijk zijn. En het behaagt God om anderen Christenbroeders het goed der wereld te geven, opdat zij hun genade mogen oefenen in mededeling aan hun arme broederen. En zij, die het goed der wereld hebben, moeten des te meer hun God en hun broederen liefhebben, en bereid zijn om hunnentwil bij te dragen. Hier blijkt dat de liefde tot de broederen gegrond is op de liefde tot God, de apostel zegt daarom: Hoe blijft de liefde Gods in hem? Deze liefde tot de broederen is liefde tot God in hen, en waar in `t geheel geen liefde voor de broederen is, daar is ook geen liefde tot God.
3. De derde of laagste trap wordt aangegeven in het volgende vers, ik behoef die niet aan te duiden, want de apostel heeft dat reeds duidelijk genoeg gedaan door te zeggen, dat die laatste liefdadige liefde in personen, die er toe instaat zijn om mede te delen de laagste is, die bestaanbaar kan geacht worden met de liefde Gods. Maar er kunnen andere vruchten van deze liefde zijn, en daarom begeert de apostel dat zij in allen ongeveinsd en werkzaam zal zijn zoveel als de omstandigheden veroorloven.
Mijne kinderkens (dierbare kinderen in Christus) laat ons niet liefhebben met den woorde, noch met de tong, maar met de daad en waarheid, vers 18. Complimenten en vleierijen passen den Christenen niet, maar de oprechte uitdrukking van heilige genegenheid en diensten en moeiten uit liefde wel.
V. Deze liefde zal bewijs geven van onze oprechtheid in den godsdienst en ons hoop geven op God: En hieraan kennen wij dat wij uit de waarheid zijn, en wij zullen onze harten verzekeren voor Hem, vers 19. Het is een groot geluk verzekerd te zijn van onze oprechtheid in den godsdienst. Zij, die daarvan verzekerd zijn, mogen een heilige vrijmoedigheid of vertrouwen op God hebben, zij mogen zich op Hem beroepen van de beoordelingen en veroordelingen der wereld. Het middel om te komen tot de kennis van onze eigen waarheid en oprechtheid in het Christendom en onzen inwendigen vrede te verzekeren. is overvloedig te zijn in liefde en in liefdewerken aan onze Christelijke broederen.