1 Corinthiërs 10:23-33
In deze afdeling toont de apostel aan onder welke omstandigheden de Christenen evenwel zonder bezwaar eten mogen wat den afgoden geofferd is. Zij mochten het niet eten uit eerbied voor den afgod, niet in heidense tempels gaan en daar de offerfeesten mee vieren, ook niet buiten den tempel, wanneer zij wisten dat het een offerfeest was, maar er waren gevallen waarin ze zonder zondigen het geofferde eten konden. Sommige daarvan noemt de apostel hier op. Maar:
I. Waarschuwt hij tegen het misbruiken van onze vrijheid in geoorloofde dingen. Iets kan geoorloofd zijn zonder oorbaar en stichtelijk te wezen. Een Christen moet niet alleen beoordelen of iets geoorloofd is, maar ook of het oorbaar is en nut stichten kan. Ieder Christen moet dat ook doen in zijn bijzondere leven.
Hij moet niet alleen het zijne zoeken, maar ook dat des anderen is. Hij moet zorgzaam zijn dat hij zijn nabuur niet kwetst, ja, maar hij moet er ook op bedacht zijn diens welvaart te bevorderen, en moet bedenken hoe hij handelen moet om anderen te helpen en hen niet te hinderen in hun heiligheid, vertroosting en zaligheid. Zij, die zich zelven vrijheid geven voor alles wat niet beslist zondig is, zullen dikwijls bij ongeluk in het kwade vallen en anderen veel nadeel berokkenen. Elk ding, dat geoorloofd is te doen, wordt daarom nog niet geoorloofd gedaan. Omstandigheden kunnen zonde maken van iets, dat op zichzelf geen zonde is. Dat moet wel in `t oog gehouden worden, en men heeft, alvorens tot enige daad over te gaan, wèl te overwegen of zij oorbaar is en de strekking van stichting heeft. Het welzijn van anderen zowel als ons eigen welzijn behoort in acht genomen te worden bij vele dingen, die we doen, indien we ze wèl zullen doen.
II. Hij zegt hun dat ze alles kunnen eten wat in het vleeshuis verkocht wordt, niets ondervragende. Het aandeel der priesters aan de heidense offeranden werd gewoonlijk te koop aangeboden, nadat het in den tempel als offer dienst gedaan had. Nu zegt de apostel hun dat ze niet zo angstvallig behoeven te zijn van den verkoper op de markt te vragen of het vlees, dat hij te koop aanbiedt, ook aan een afgod geofferd is. Het wordt daar als gewoon voedsel verkocht, en mag als zodanig gekocht en genuttigd worden, want de aarde is des Heeren en de volheid derzelve, vers 26, en de vruchten en voortbrengselen der aarde werden door Hem, den groten Eigenaar, bestemd tot voedsel en onderhoud van iedereen, en meer bepaald van Zijn kinderen en dienstknechten.
Alle schepsel Gods is goed en er is niets verwerpelijk, met dankzegging genomen zijnde, want het wordt geheiligd door het Woord van God en door het gebed, 1 Timotheus 4:4, 5. Alle dingen zijn rein den reinen, Titus 1:15. Ofschoon het zonde is enig voedsel op afgodische wijze te gebruiken, is het geen zonde het, al werd er door anderen dat misbruik van gemaakt, op heilige wijze tot het gewone doel aan te wenden.
III. Hij voegt er bij dat, indien een heidens vriend hen tot een feest genodigd heeft, zij mogen gaan, en eten al wat hun voorgesteld wordt, niets ondervragende, vers 27. Zelfs ofschoon ze wisten dat de spijzen bij zulke gelegenheden aan de afgoden geofferd waren, zowel als die welke in het vleeshuis verkocht werden. De apostel verbiedt niet een feest bij te wonen, waartoe een ongelovige genodigd heeft. Er is beleefdheid, welke men ook aan ongelovigen en heidenen verschuldigd is. Het Christendom betekent niet, dat we ons aan de gewone plichten der samenleving onttrekken moeten, of ons onbeleefd jegens iemand, wie ook, gedragen moeten, hoewel de anderen met ons verschillen in godsdienstige gevoelens en gebruiken. En wanneer Christenen genodigd werden op feesten met ongelovigen, hadden ze geen onnodige vragen te doen, betreffende het voedsel dat hun toegediend werd, maar konden dat zonder angstvalligheid eten. Nodeloos onderzoek kon hun zielen en gewetens verslagen maken, en daarom moest het vermeden worden. Alles wat eetbaar was, en hun in gewoon gezelschap opgedist werd, mochten ze gerust eten. En waarom zouden ze dan angstvallig onderzoeken of hetgeen op tafel kwam vroeger ook geofferd was? Dit moet verstaan worden van gewone, niet van godsdienstige feesten, want de laatste waren onder de heidenen offermaaltijden, en die had hij reeds veroordeeld als deelname aan afgoderij. Aan een gewonen maaltijd konden ze gewoon voedsel verwachten, en daaromtrent behoefden ze hun geweten niet te verontrusten met de vraag of dat vroeger ook afgodenoffer geweest was. Ofschoon de Christenen zeer zorgvuldig hun plicht moeten kennen en begrijpen, behoeven zij niet door nodeloos onderzoek zich zelven terneder te slaan.
IV. Maar toch voegt hij er bij, indien aan zulk een maaltijd iemand tot hen zeggen zou: dit is afgodenoffer geweest: eet het niet, om dergenen wil, die u dat te kennen gegeven heeft en om des gewetens wil. Hetzij de gastheer zelf of een der genodigden het mededeelde, hetzij het openlijk gezegd of in het oor gefluisterd werd, zij moesten het weigeren, om diens wille, die het hun gezegd had, hetzij hij een heiden of een onstandvastig Christen ware. En dat om des gewetens wille, uit eerbied voor het geweten, opdat ze dat eerbiedigen mochten in hen zelven, zowel als in anderen. Dezen raad steunt hij met dezelfde reden als den vorigen: Want de aarde is des Heeren en de volheid derzelve. Onze Heere heeft voedsel genoeg gegeven, waarvan wij zonder vrees eten mogen. Deze stelling mag op verschillende manieren toegepast worden. Bijvoorbeeld: De aarde is des Heeren, en dus moogt ge zonder vrees alles wat u als gewoon voedsel voorgezet wordt eten, maar toch, omdat de aarde des Heeren is, eet niets dat aanstoot geven kan, of anderen een struikelblok voorwerpen, en hen in afgoderij aanmoedigen, of anderen in verzoeking brengen iets te eten, waarvan het hun niet duidelijk is dat het geoorloofd is, zodat dezen zouden zondigen en hun eigen geweten kwetsen. Merk op: Christenen moeten zeer zorgvuldig zijn om niets te doen, wat het geweten van anderen kan benadelen, of zijn gezag over hen verzwakken, dat door alle middelen moet hoog gehouden worden.
V. Hij raadt hen zich te onthouden indien ze aanstoot geven zouden, terwijl hij toch toestaat te eten wat hun als gewoon voedsel voorgesteld wordt, ofschoon het als offerande gediend heeft. Eens anders geweten is geen maatstaf voor ons gedrag. Wat hij voor ongeoorloofd houdt, is daardoor nog niet ongeoorloofd geworden voor mij, het kan mij daarom nog wel vrijstaan, en zolang ik God erken als de gever van mijn voedsel en Hem er voor dank, is het zeer onrechtvaardig mij te verwijten dat ik het gebruik. Men moet dit opvatten afgescheiden van de ergernis, die in de voren genoemde omstandigheden vermeld wordt. Maar sommigen denken dat de apostel bedoelt: Waarom zou ik, mijne vrijheid gebruikende, hun die geërgerd worden aanleiding geven om kwaad van mij te spreken? Volgens de uitspraak van den apostel: Dat dan uw goed niet gelasterd worde, Romeinen 14:16. De Christenen moeten zorg dragen dat ze hun vrijheid niet gebruiken zo, dat anderen benadeeld of zij zelven gelasterd worden.
VI. De apostel neemt hieruit aanleiding om den Christenen een algemenen regel voor hun gedrag te geven en dien op dit bijzondere geval toe te passen, vers 31, 32, namelijk, dat we in eten en in drinken, en in al wat we doen, de eer Gods bedoelen moeten en Hem behagen en verheerlijken. Dat is het voorname grondbeginsel van alle Godsverering. Het grote beginsel van allen waren godsdienst moet ons regeren wanneer bepaalde en opzettelijke regelen ontbreken. Niets mag gedaan worden tegen de ere Gods en het welzijn van onze naasten, dat daarmee verbonden is. Ons gedrag moet het algemeen welzijn bedoelen, we moeten het aanzien van onzen heiligen godsdienst hoog houden, en dat is in zulke gevallen de maatstaf. En daarom moeten we zijn zonder aanstoot te geven, èn den Joden, en den Grieken, èn der gemeente Gods, vers 32. De Joden moeten niet nodeloos gegriefd of bevooroordeeld worden, zij hebben zulk een afschuw van de afgoden, dat ze al wat den afgoden geofferd is, daardoor besmet achten en geloven dat het ieder die het aanraakt, bevlekt en schuldig maakt. De heidenen mogen door ons gedrag niet gesterkt worden in hun afgoderij, zij zouden het kunnen opvatten alsof wij hun afgoden ere brachten. Jonge Christenen, pas uit het heidendom bekeerd, zouden in ons gedrag enige aanmoediging kunnen vinden om toch nog enigen eerbied te behouden voor de heidense afgoden en hun eredienst. Niets mogen we doen wat een middel zou kunnen zijn om enig lid der gemeente van de Christelijke belijdenis of levenswandel af te trekken. Naar onze eigen gezindheid en lust moet ons gedrag bepalen, maar de ere Gods, en het welzijn en de stichting der gemeente. Wij moeten minder ons eigen genoegen en belang op het oog hebben dan de komst van Gods koninkrijk onder de mensen. Een Christen moet iemand zijn, die aan God en aan het algemeen welzijn gewijd is.
VII. Al wat hij gezegd heeft, zet hij kracht bij door zijn eigen voorbeeld. Gelijkerwijs ik ook in alles allen behaag, niet zoekende mijn eigen voordeel, maar het voordeel van velen, opdat zij mochten behouden worden, vers 33. Een prediker kan met stoutmoedigheid en gezag zijn onderricht geven, wanneer hij daarbij kan wijzen op zijn eigen voorbeeld. Hij heeft den meesten kans van op anderen invloed te hebben, wanneer hij van zich zelven getuigenis afleggen kan. En het is ten hoogste den dienaren aan te bevelen hun eigen voordelen over `t hoofd te zien, om daardoor de redding van hun hoorders te bevorderen. Dit toont dat hun ziel overeenstemt met hun roeping. Die roeping is een post ten algemenen nutte en kan nooit getrouw vervuld worden door iemand van kleinzielige en zelfzuchtige beginselen.