Mattheus 7:1-6
Onze Heiland wijst ons hier aan, hoe wij ons hebben te gedragen met betrekking tot de fouten van anderen, en Zijne uitdrukkingen schijnen bedoeld te zijn als ene bestraffing voor de schriftgeleerden en Farizeeën, die zeer strikt en streng waren, zeer meesterachtig en hoog in het veroordelen van allen, die hen omringden, gelijk die mensen gewoonlijk zijn, die hoogmoedig en verwaand zijn in hun rechtvaardigen van zich zelven. Wij hebben hier:
I. Ene waarschuwing tegen oordelen, vers 1, 2. Er zijn mensen, wier ambt bestaat in oordelen- overheidspersonen en evangeliedienaars. Christus is niet gekomen om zich zelven tot een Rechter te maken, maar Hij is ook niet gekomen om rechters af te schaffen, want door Hem stellen de vorsten gerechtigheid, maar dit is hier gericht tot particulieren, tot Zijne discipelen, die wel hiernamaals zullen zitten op tronen, oordelende, maar nu niet. Merk nu op.
1. Het verbod: Oordeelt niet. Wij moeten ons zelven oordelen, en onze eigene daden oordelen, maar onzen broeder moeten wij niet oordelen, ons niet meesterachtig zulk een gezag over anderen aanmatigen, als wij hun niet willen toestaan over ons zelven, daar het regel voor ons is, elkaar onderdanig te zijn. Zijt niet vele meesters. Jakobus 3:1. Wij moeten niet op den rechterstoel gaan zitten om ons woord aan iedereen tot wet te maken. Wij moeten onzen broeder niet oordelen, dat is: wij moeten geen kwaad van hem spreken, gelijk het verklaard wordt in Jakobus 4:11. Wij moeten hem niet verachten, Romeinen 14:10. Wij moeten niet roekeloos of onbezonnen oordelen, geen ongegrond oordeel vellen over onzen broeder, een oordeel, dat alleen door onzen naijver op hem en onze kwaadwilligheid is ingegeven. Wij moeten niet het slechtste denken van de mensen, uit hun woorden en daden niet zulke hatelijke dingen afleiden, als er niet uit af te leiden zijn. Wij moeten niet liefdeloos, niet onbarmhartig oordelen, en niet in een geest van wraakzucht en met de begeerte om kwaad te doen. Wij moeten iemands staat niet beoordelen naar een enkele daad, noch wat hij is in zichzelf, naar hetgeen hij is voor ons, omdat wij ten opzichte van onze eigene zaak allicht tot partijdigheid geneigd zijn. Wij moeten het hart, de bedoelingen van anderen niet oordelen, het is Gods kroonrecht het hart te doorgronden, en wij moeten niet op Zijn troon gaan zitten. Evenmin moeten wij over hun eeuwigen staat oordelen, noch hen geveinsden en verworpelingen noemen, dat is buiten onze bevoegdheid, wat hebben wij aldus eens anders dienstknecht te oordelen? Geef hem raad, help hem, maar oordeel hem niet.
2. De reden, om aan dit verbod kracht bij te zetten: Opdat gij niet geoordeeld wordt. Dit geeft te kennen:
a. Dat, zo wij ons onderstaan anderen te oordelen, wij verwachten kunnen geoordeeld te worden. Wie den rechterstoel overweldigt, zal voor den rechterstoel gebracht worden, gewoonlijk zullen zij het meest gekritiseerd worden, die zelf op alles en ieder kritiek uitoefenen, iedereen zal een steen hebben om op hen te werpen. Hij, wiens hand, wiens tong, gelijk de hand van Ismael, tegen iedereen is, zal bevinden, dat ieders hand en tong tegen hem is, Genesis 16:12, en gene genade zal betoond worden voor den goeden naam van hen, die van gene genade willen weten voor den goeden naam van anderen. Maar dat is nog het ergste niet: zij zullen door God geoordeeld worden, van Hem zullen zij het meerder oordeel ontvangen. Jakobus 3:1. Beide partijen moeten voor den rechterstoel van Christus gesteld worden, Romeinen 14:10, die, gelijk Hij den nederigen lijder zal helpen, den hoogmoedigen verachter zal weerstaan, en hem van het oordelen genoeg zal doen hebben.
b. Dat, zo wij bescheiden en liefderijk zijn in ons berispen van anderen, en weigeren hen te oordelen, en liever ons zelven oordelen, dan zullen wij van den Heere niet geoordeeld worden. Gelijk God hun zal vergeven, die hunnen broederen vergeven, zo zal Hij niet oordelen, die hun broederen niet willen oordelen, de barmhartigen zullen barmhartigheid verkrijgen. Het is een blijk van ootmoed en eerbied voor God, en zal door Hem als zodanig erkend en beloond worden, zie Romeinen 14:10. Het oordelen van hen, die anderen oordelen, is overeenkomstig de wet der wedervergelding.
Met welk oordeel gij oordeelt, zult gij geoordeeld worden, vers 2. In Zijne oordelen volgt de rechtvaardige God dikwijls een regel van evenredigheid, zoals in het geval met Adoni-Bezek. Richteren 1:7. Zie ook Openbaring 13:10, 18:6. Aldus zal Hij beide gerechtvaardigd en verheerlijkt worden in Zijne oordelen, en alle vlees zal voor Zijn aangezicht zwijgen. Met welke mate gij meet, zal u wedergemeten worden, wellicht in deze wereld, zodat de mensen hun zonden kunnen lezen in hun straf. Laat dit ons terughouden van alle strengheid tegenover onzen broeder. Wat zouden wij doen als God opstond? Job 31:14. Wat zou er van ons worden, als God even streng was in Zijn oordeel van ons, als wij in het oordeel van onze broederen, als Hij ons in dezelfde weegschaal woog? Wij kunnen dit met recht verwachten, als wij zo uiterst scherp in het licht stellen wat onze broederen verkeerds doen. Hierin, zoals in andere dingen, zal de heftigheid der mensen op hun eigen hoofd neerkomen.
II. Waarschuwing omtrent bestraffing. Omdat wij anderen niet moeten oordelen, hetwelk ene grote zonde is, volgt hier niet uit, dat wij anderen niet moeten bestraffen, hetwelk een grote plicht is, en een middel kan wezen om ene ziel van den dood te behouden, en in elk geval een middel zal wezen om onze ziel te behoeden van in hun schuld te delen. Merk hier nu op:
1. Dat niet iedereen er voor geschikt is om te bestraffen. Zij, die zelf schuldig zijn aan de gebreken, waarvan zij anderen beschuldigen of schuldig zijn aan nog erger, brengen schande over zich zelven, en zullen waarschijnlijk geen goed doen aan hen, die zij bestraffen, vers 3-5. Hier is
a. Ene rechtvaardige bestraffing van de bedillaars, die met hun broeder twisten wegens kleine gebreken, terwijl zij zich zelven grote veroorloven, die vlug zijn om een splinter in zijn oog te ontdekken, maar zich gans niet bewust zijn een balk in hun eigen oog te hebben, ja zelfs heel gedienstig willen zijn om den splinter uit zijn oog te doen, terwijl zij daar even ongeschikt voor zijn, alsof zij zelf volstrekt blind waren. Er zijn trappen of graden in de zonde, sommige zonden zijn, vergelijkenderwijs gesproken, als splinters, anderen als balken, sommigen als ene mug, anderen als een kameel, niet alsof er ene kleine zonde is, want er is geen kleine God, tegen wie gezondigd wordt. Als het een splinter is, dan is hij in het oog, indien ene mug, dan is zij in de keel, beide pijnlijk en gevaarlijk, en wij kunnen niet gerust of wel wezen, voor zij verwijderd zijn. Onze eigene zonden moeten ons groter toeschijnen dan dezelfde zonden in anderen, hetgeen de liefde ons leert slechts een splinter te noemen in het oog van onzen broeder, zullen oprecht berouw en droefheid naar God ons leren een balk te noemen in ons eigen oog, want de zonden van anderen moeten wij verkleinen, onze eigene moeten wij verzwaren. Er zijn velen, die balken in hun eigene ogen hebben, maar het niet bemerken. Zij zijn onder de schuld en heerschappij van zeer grote zonden, maar weten het niet, doch rechtvaardigen zich, alsof zij geen berouw of bekering van node hadden. Het is even vreemd, dat iemand in zulk een zondigen, rampzaligen toestand kan zijn zonder het te weten, als dat iemand een balk in zijn oog zou hebben zonder het te bemerken: maar de god dezer wereld weet hun hart zo listig te verblinden, dat zij nog met grote assurantie zeggen: Wij zien. Het is iets gans gewoons, dat zij, die zelf zeer zondig zijn, en dit het minst beseffen, de eersten en de luidsten zijn, om anderen te oordelen en te berispen. De Farizeeën, die het hooghartigst waren in het rechtvaardigen van zich zelven, waren het minachtendst in het veroordelen van anderen. Zij waren streng jegens Christus' discipelen, omdat zij met ongewassen handen aten, hetgeen nauwelijks een splinter was, terwijl zij de mensen aanmoedigden in het minachten hunner ouders, dat een balk was. Hoogmoed en liefdeloosheid zijn gewoonlijk balken in de ogen van hen, die voorgeven heel kritisch en nauwkeurig te zijn in hun berispen van anderen. Ja er zijn velen, die in het geheim schuldig zijn aan hetgeen zij de onbeschaamdheid hebben in anderen te straffen, als het ontdekt wordt.
Bedenk, dat de fout, waarover gij klaagt, bij een nauwkeurig onderzoek wellicht in u zelf ontdekt zou worden, en dat het onrechtvaardig zou zijn in het openbaar verontwaardiging uit te drukken over uwe eigene misdaad, Seneca, de Beneficiis. Maar de strengheid der mensen voor de fouten en gebreken van anderen, terwijl zij toegevend zijn voor hun eigene, is een kenmerk van geveinsdheid. Gij geveinsde, vers 5. Wat zo iemand nu ook moge zeggen, het is zeker, dat hij geen vijand is van de zonde, (indien hij het ware, hij zou een vijand zijn van zijne eigene zonde), en daarom is hij niet prijzenswaardig, ja het blijkt, dat hij een vijand is van zijn broeder, en dus afkeurenswaardig is. Dit geestelijk liefdewerk moet te huis, dat is, aan ons zelf, beginnen. Want hoe kunt gij zeggen, hoe kunt gij, zonder u te schamen, zeggen: Laat mij u helpen u te verbeteren, als gij er toch niet eens aan denkt u zelven te verbeteren? Uw eigen hart zal u om die ongerijmdheid bestraffen, het zal u slecht afgaan, en gij kunt verwachten, dat iedereen tot u zeggen zal, dat ondeugd de zonde bestraft: geneesmeester, genees u zelven. -Ga voor, dan zal ik u volgen. Zie Romeinen 2:21. De gedachte aan hetgeen verkeerd is in ons zelven, moet, hoewel zij ons niet terug moet houden van vriendelijke bestraffing, ons terughouden van meesterachtig berispen en bedillen, en ons zeer liefderijk doen zijn in ons oordelen van anderen. "Daarom, brengt hem, die van ene misdaad overvallen is, terecht met den geest der zachtmoedigheid, ziende op u zelven, Galaten 6:1, wat gij geweest zijt, wat gij zijt, en wat gij zoudt zijn, indien God u aan u zelf overliet."
b. Hier is een goede regel voor de bestraffers, vers 5, Werp eerst den balk uit uw oog. Onze eigene slechtheid is gene verontschuldiging voor ons niet bestraffen, integendeel, dat zij ons tot bestraffen ongeschikt maakt, is ene verergering van onze slechtheid. Ik moet niet zeggen: "Ik heb een balk in mijn eigen oog, daarom zal ik mijn broeder niet helpen in het verwijderen van den splinter uit het zijne." Iemands overtreding kan nooit zijne verontschuldiging wezen, eerst moet ik mij zelf verbeteren, teneinde dan mede te werken aan de verbetering van mijn broeder, en mij bevoegd te maken hem te bestraffen. Zij, die anderen berispen, behoren zelf onberispelijk te zijn. Zij, die bestraffers zijn in de poort, krachtens hun ambt, magistraten en leraren, hebben wèl toe te zien, dat zij voorzichtiglijk wandelen, zeer geregeld zijn in hun gedrag, een opziener moet onberispelijk zijn, 1 Timotheus 3:2. De snuiters van het heiligdom moesten van louter goud zijn.
2. Niet iedereen is geschikt om bestraft te worden: Geeft het heilige den honden niet, vers 6, Dit kan beschouwd worden: a. Als een regel voor de discipelen bij hun prediking van het Evangelie. Niet dat zij het niet aan de goddelozen en onheiligen zouden moeten prediken, (Christus zelf heeft het aan tollenaren en zondaren gepredikt), maar wie bedoeld worden zijn zij, die halsstarrig blijven ook nadat hun het Evangelie is gepredikt, en zij, die het lasterden, en de predikers er van vervolgden. Laten zij niet veel tijd besteden aan de zodanige, want het zou vergeefse moeite zijn, maar laten zij zich tot anderen wenden, Handelingen 13:41. Of
b. als een regel voor allen, die bestraffen. Onze ijver tegen de zonde moet geleid en bestuurd worden door bescheidenheid en voorzichtigheid, en wij moeten niet rondgaan om onderricht en raad en bestraffing -veel minder nog vertroosting- te geven aan verharde spotters, aan wie het stellig geen goed zal doen, maar die er slechts verbitterd en in woede tegen ons ontstoken om worden. Werp ene parel voor een zwijn, en het zal er vertoornd om worden. alsof gij het met een steen wierp, bestraffing zal smaadheid heten, Lukas 11:45, Jeremia 6:10, geef dus aan gene honden en zwijnen (onreine schepselen) heilige dingen. Goede raad en bestraffing zijn heilige dingen, parelen, zij zijn ordinantiën Gods, zij zijn kostbaar als een gouden versiersel en een halssieraad van het fijnste goud zo is een wijs bestraffer bij een horend oor, Prediker 25:12 en ene wijze bestraffing is als olie des hoofds, Psalm 141:5, zij is als een boom des levens, Prediker 3:18. Onder het geslacht der goddelozen, zijn sommigen tot zulk ene diepte van boosheid gekomen, dat zij als honden en zwijnen beschouwd worden, zij zijn onbeschaamd en openlijk slecht, zij hebben zo lang gewandeld op den weg der zondaren, dat zij zich neergezet hebben in het gestoelte der spotters. Openlijk komen zij er voor uit alle onderwijs te haten en te verachten, zij weerstaan en tarten het, zodat zij hopeloos en onherstelbaar slecht zijn, met den hond keren zij weer tot hun uitbraaksel, en met de zeug tot de wenteling in het slijk. Bestraffing van onderricht wordt verkeerdelijk aan dezulken gegeven, en de bestraffer wordt er door blootgesteld aan al de verachting en het kwaad, dat van honden en zwijnen te wachten is. Men kan niet anders verwachten dan dat zij de bestraffing onder hun voeten zullen vertreden, in verachting er van, en in woede er tegen, want zij kunnen geen toezicht, gene tegenspraak verdragen, en zij zullen zich omkeren en de bestraffers verscheuren, hun goeden naam verscheuren door hun smaad, hun voor hun helende woorden, vlijmende woorden teruggeven, hen verscheuren door vervolging. Herodes heeft Johannes den Doper verscheurd wegens zijne getrouwheid. Zie hier wat het blijk is, dat mensen als honden en zwijnen zijn. Dezulken worden als zodanig geacht, die bestraffing en bestraffers haten, en hen in woede aanvliegen, die in vriendelijkheid jegens hun ziel, hen op hun zonde en hun gevaar wijzen. Dezen zondigen tegen het geneesmiddel, wie zal nu hen helpen en genezen, die niet geholpen en genezen willen worden? Het is duidelijk, dat God besloten heeft de zodanige te verderven, 2 Kronieken 25:16. De regel, hier gegeven, is toepasselijk op de onderscheidene, verzegelende inzettingen des Evangelies, die niet veil gegeven moeten worden aan hen, die openlijk slecht en onheilig zijn, opdat hierdoor het heilige niet verachtelijk worde gemaakt, en onheilige mensen er nog door verhard worden.
Het is niet betamelijk het brood der kinderen te nemen, en den hondekens voor te werpen. Toch moeten wij zeer voorzichtig zijn en wèl toezien wie wij als honden en zwijnen veroordelen, en dit niet doen, dan na nauwkeurig onderzoek, en onmiskenbaar bewijs. Menige patiënt wordt als onherstelbaar opgegeven, die, indien de middelen gebruikt waren, nog behouden had kunnen worden. Gelijk wij er ons voor moeten wachten om de goeden slecht te noemen, door alle belijders als geveinsden te veroordelen, zo moeten wij er ons ook voor wachten, om de slechten onverbeterlijk te noemen, door te oordelen, dat alle slechten honden en zwijnen zijn. Onze Heere Jezus is zeer teder omtrent de veiligheid Zijns volks, Hij wil niet, dat zij zich onnodig blootstellen aan de woede van hen, die zich omkeren en hen verscheuren. Laten zij niet al te rechtvaardig zijn, zodat zij zich zelven zouden verderven. Christus maakt de wet der zelf-bewaring tot een Zijner eigene wetten, het bloed Zijner onderdanen is Hem dierbaar.