17. Ik bid voor u, opdat de God van onze Heere Jezus Christus (
Johannes 20:17), de Vader van de heerlijkheid (
Handelingen 7:2), u geeft de Geest van de wijsheid en van de openbaring (
1 Corinthiërs 12:8 2:10) in Zijn kennis (
2 Petrus 1:2.
Johannes 17:3De voorstelling van God als "God van onze Heere Jezus Christus" en "Vader van de heerlijkheid" staat in treffend verband tot de inhoud van de voorbede; want van de God van Christus en de Vader van de heerlijkheid is te verwachten, dat Hij zal doen wat de zaak van Christus bevordert, en tot openbaring van Zijn eigen heerlijkheid dient.
Met de eerste naam is het op dezelfde manier gesteld als met de Oud Testamentische benaming van Jehova, als de God van Abraham, Izaak en Jakob. Evenals daar is ook hier God genoemd naar Zijn geschiedkundige betrekkingen, daar naar Zijn betrekking tot de aartsvader van Israël, hier naar Zijn betrekking tot Jezus, de Christus.
Hij is die God, door wie Jezus Christus op aarde was gezonden, van wie Hij getuigenis in woord en daad had gegeven en tot wie Hij weer is heengegaan. Deze God van onze Heere Jezus Christus nu noemt de apostel Vader, omdat hij tot Hem bidt, wanneer hij het liefst Hem noemt met de naam van de liefde. Hij noemt Hem Vader van de heerlijkheid, omdat die heerlijkheid hem voor de geest komt, die God juist in Zijn Zoon de mensen heeft geopenbaard en omdat hij van Hem, onze Vader, verwacht, dat Hij Zijn heerlijke macht (Colossenzen 1:11) ook aan de Zijnen zal betonen.
Als de inhoud van het gebed voor de lezers nu deze is, dat God hen de Geest van de wijsheid en van de openbaring moge verlenen, kan dat, omdat (Vers 14) vroeger daarvan sprake was, dat de gelovigen verzegeld waren met de Heilige Geest van de belofte en die als onderpand van de toekomstige erfenis bezaten, niet zo worden opgevat, als moest hun nog eerst de Geest worden gegeven, maar alleen zo, dat de Geest in hen op meer bijzondere, sterkere manier werkzaam mocht worden.
Zoals God zelf vaak genoemd wordt naar een of andere van Zijn eigenschappen en werkingen, die zich in bepaalde gevallen openbaren (Romeinen 15:13) zo is het ook met de Heilige Geest naar de gaven, die Hij door Zijn wonen in de mens hem mededeelt b. v. 2 Corinthiërs 4:13 de Geest van het geloof, 2 Timotheus 1:17 de Geest van de kracht, van de liefde en van de tucht, omdat elk van deze gaven zo wezenlijk tot deze Geest behoort, als had hij niet anders dan deze en dus ook elk, die deze Geest deelachtig wil zijn, ook van Zijn gaven de vruchten tonen moet. De Heilige Geest is een Geest van de wijsheid, maar niet van een rustende, werkeloze, in zichzelf besloten, maar van de openbaring! Hij stort steeds nieuw goddelijk licht in de ziel, dat deze in de ware wijsheid doet vooruitgaan.
Bij het woord "wijsheid" hebben wij te denken aan een voortgaande toestand, bij "openbaring" aan bijzondere blikken, die gegeven worden in waarheden van het Christendom en de wil van God bij bijzondere levensomstandigheden, in de harten van de mensen, in de loop der tijden, in het eeuwige leven. De eerste omvat de voorzichtigheid of het verstand, welk woord in Vers 8 met haar wordt verbonden, de andere is de zeker nodige bijzondere openbaring voor elke Christen.
Deze Geest van de wijsheid en van de openbaring, die Paulus van God voor de lezers bidt, moet hem een steeds helderder inzien geven in de samenhang van het goddelijk verlossingswerk. Wel was opmerkelijk, dat hij zo de bijzondere en uitdrukkelijke wens koestert, dat de gemeente toeneemt in kennis.
Onze genadestaat begint niet met het diepere inzicht, maar wordt er alleen door bevorderd. Mochten daarom toch alle predikers van de apostel leren, ook daarnaar bij hun gemeenten in hun prediking te streven!