Job 7:1-6
Job verontschuldigt hier wat hij niet kan rechtvaardigen, namelijk zijn heftige begeerte om te sterven. Waarom zou hij niet verlangen naar het einde van zijn leven, dat het einde zou wezen van zijn ellende? Om aan die reden kracht bij te zetten, redeneert hij:
I. Naar de algemenen toestand van de mens op aarde, vers 1. Hij heeft weinige dagen, en die zijn vol van moeite en verdriet. Iedere mens moet weldra sterven, en iedere mens heeft reden (de een meer, de ander minder) om te wensen spoedig te zullen sterven, waarom zoudt gij het mij dan als zo'n snode misdaad moeten toerekenen, dat ik wens spoedig te zullen sterven? Of aldus: "Ziet toch mijn begeerte om te sterven niet aan voor een bij mij opgekomen gedachte om de door God bestemde tijd te anticiperen, neen, ik weet zeer goed dat die tijd vastgesteld is, ik neem slechts de vrijheid om in die taal, die bewoordingen, uitdrukking te geven aan mijn onrust en smart. Is er niet een gezette tijd (een strijd, zoals het woord is in het Hebreeuws) voor de mens op aarde? En zijn zijn dagen hier niet als de dagen van een dagloner?
Merk op:
1. De tegenwoordige plaats van de mens hij is op aarde, die God "aan" "de mensenkinderen heeft gegeven," Psalm 115:16. Hiermede wordt des mensen geringheid te kennen gegeven, hoe ver beneden de inwoners van het verheven, rein gebied is hij geplaatst! Het wijst ook op Gods goedertierenheid jegens hem, hij is op de aarde, niet er onder, op aarde niet in de hel. Onze tijd op aarde is beperkt en kort, overeenkomstig de enge grenzen van deze aarde, maar de hemel kan niet gemeten worden, en de dagen van de hemel kunnen niet worden geteld.
2. Zijn verblijf in die plaats: is er niet een gezette tijd voor zijn verblijf op de aarde? Ja gewis, en het is gemakkelijk te zeggen door wie die tijd is bepaald en vastgesteld, door Hem namelijk, die ons gemaakt en hier gesteld heeft. Wij moeten niet altijd op deze aarde zijn, niet lang maar slechts gedurende zekere tijd, vastgesteld door Hem, in wiens hand onze tijden zijn. Wij moeten niet denken dat wij door het blinde noodlot van de stoïcijnen worden geregeerd, of door de blinde fortuin van de Epicureën, maar door de wijze, heilige en vrijmachtige raad van God.
3. Zijn toestand gedurende dat verblijf. Des mensen leven is een strijd, en als de dagen van een dagloner. Allen moeten wij in deze wereld onszelf beschouwen:
a. Als krijgsknechten blootgesteld aan moeite, ontbering en gevaar, in het midden van vijanden, wij moeten dienen en onder bevel staan, en, als onze strijd vervuld is, dan moeten wij afgedankt worden weggezonden worden, hetzij met schande of met eer, naardat wij ons gedragen hebben.
b. Als dagloners, die het werk van de dag op zijn dag te doen hebben, en aan de avond rekenschap er van moeten geven.
II. Naar zijn eigen toestand in die tijd. Hij dacht evenveel reden te hebben om naar de dood te verlangen als een arme dienstknecht of dagloner, die vermoeid is van zijn werk, naar de schaduw van de avond verlangt, wanneer hij zijn penning ontvangt en zich ter ruste begeeft, vers 2. De duisternis van de nacht is even welkom aan de arbeider, als het morgenlicht aan de wachter, Psalm 130:6. De God van de natuur heeft rust voorzien voor de arbeiders, en geen wonder dat zij er naar verlangen. "De slaap van de arbeider is zoet" Prediker 5:12. Geen genot is aangenamer voor de weelderiger, of geeft hun meer voldoening, dan rust genot en voldoening geeft aan de arbeiders, en geen rijke kan zoveel voldoening smaken in de terugkeer van de betaaldag van zijn pachters of huurders, als de dagloner smaakt in het ontvangen van zijn dagloon. De vergelijking is duidelijk, de toepassing beknopt en ietwat duister, maar als wij er een paar woorden bij inlassen, dan is zij gemakkelijk genoeg te verstaan: nauwkeurigheid van taal is van iemand in Jobs toestand niet te verwachten. "Gelijk een dienstknecht vurig verlangt naar de schaduw, zo, en om dezelfde reden, verlang ik vurig naar de dood, want alzo zijn mij maanden van de ijdelheid ten erve geworden," enz. Hoor zijn klacht:
1. Zijn dagen waren onnuttig, en waren dit reeds sedert lang hij was geheel ongeschikt geworden voor zijn werk, zijn zaken. Iedere dag was hem tot last, omdat hij niet instaat was goed te doen, of hem op enigerlei wijze nuttig door te brengen. Et vitae partem non attigit ullam Hij kon zijn tijd niet aanwenden voor iets, dat voordeel opleverde, en dit noemt hij maanden van de ijdelheid bezitten vers 3. Het verzwaart grotelijks de beproeving van ziekte en ouderdom voor de Godvruchtige, dat hij daardoor onbekwaam is gemaakt tot nuttige arbeid. Hij klaagt er niet over dat het dagen zijn, die hem geen genot opleveren, maar wel daarover, dat het dagen zijn, waarin hij geen goed doet, daarom zijn zij maanden van de ijdelheid, maar als wij niet instaat zijn voor God te arbeiden, dan zal het, zo wij voor Hem stilzitten en berusten in Zijn wil, toch volkomen hetzelfde wezen, want wij zullen Hem welgevallig zijn en door Hem worden aangenomen.
2. Zijn nachten waren rusteloos, vers 3, 4. De nacht geeft verlichting van de arbeid en de vermoeienis van de dag, niet alleen voor de arbeiders, maar voor de lijders. Als een zieke in de nacht een weinig kan slapen, dan helpt dit de natuur, en dan is er hoop op herstel, Johannes 11:12. Maar waarin de beproeving, de moeilijkheid ook moge bestaan, slaap geeft een tusschenpoos van stilte aan onze zorgen en pijnen en aan ons verdriet, slaap is de parenthesis van onze smart, maar Job kon deze verlichting niet smaken.
a. Zijn nachten waren moeizaam, en inplaats van enige rust te verkrijgen, vermoeide hij zich nog meer door zijn woelingen tot aan de morgen. Zij, die door lichaamspijnen of door zielsangst in grote onrust zijn, denken zich door in een andere houding te komen, op een andere zijde te gaan liggen, of op een andere plaats, enige rust of verlichting te bezorgen, maar het is alles tevergeefs zolang de oorzaak van binnen dezelfde is, het gelijkt slechts op een mens van een gemelijken, ontevreden gemoedsaard, die altoos verandert, maar nooit tot rust komt. Dit maakte dat hij de nacht even sterk vreesde als de dienstknecht hem begeert, zodat hij, wanneer hij neerlag om te slapen, zei: Wanneer zal ik opstaan?
b. Deze moeizame nachten waren hem toebeschikt door God, die de tijden, tevoren verordend, aldus voor hem bescheiden heeft. Bij alles wat ons te eniger tijd smartelijk is, is het goed om te zien dat het voor ons bestemd was, teneinde er in te kunnen berusten, niet alleen als iets dat onvermijdelijk is, maar als tot een heilig doeleinde voor ons bestemd. Als wij aangename nachten hebben, dan moeten wij zien dat ook deze ons toebeschikt zijn en er dankbaar voor wezen. Velen, die beter zijn dan wij, hebben moeizame nachten. 3. Zijn lichaam was walglijk, vers 5. In zijn zweren wriemelde het van wormen, en de roven waren als kluiten van stof, de huid was gekloofd, zo kwaadaardig was de kwaal, die zich aan hem als had vastgehecht. Zie dus welk een vernederd lichaam wij hebben, en hoe weinig reden wij hebben om het te vertroetelen of er trots op te zijn, het draagt de kiemen in zich van het bederf. Hoe lief wij het nu ook mogen hebben, de tijd kan komen wanneer wij er van walgen en smachten om er van verlost te worden.
4. Zijn leven spoedde zich ten einde, vers 6. Hij dacht geen reden te hebben om een lang leven te verwachten, want hij voelde zich sterk afnemen, vers 6. Mijne dagen zijn lichter geweest dan een weversspoel, dat is: Mijn tijd is nu slechts kort, er zijn nog slechts weinige zandkorrels in mijn uurglas, dat weldra geheel uitgelopen zal zijn." Dicht bij het middelpunt zijn de natuurlijke bewegingen sneller. Job dacht dat zijn dagen snel verliepen, omdat hij dacht spoedig aan het einde van zijn reis te zullen zijn. Hij beschouwde ze als reeds zo goed als voorbij, en daarom had hij geen hoop om weer tot zijn vorige voorspoed te komen. Dit is van toepassing op het leven van de mensen in het algemeen, onze dagen zijn als een weversspoel, die in een oogwenk van de ene zijde van het weefsel naar de andere zijde wordt geworpen, en dan weer terug, heen en weer, totdat de draad, die er in was, op is, en dan snijden wij ons leven af gelijk een wever zijn web, Jesaja 38:12. De tijd gaat snel voorbij, zijn voortgang kan niet worden gestuit, en als hij voorbij is, kan hij niet teruggeroepen worden. Zolang wij leven, zaaien wij, Galaten 6:8, en zo ook weven wij, elke dag laat, evenals de weversspoel, een draad achter, velen weven het web van de spin, dat hun falen zal, Hoofdst. 8:14. Als wij ons heilige klederen weven, mantels van de gerechtigheid, dan zullen wij er het voordeel van hebben, als ons werk in ogenschouw wordt genomen, en een ieder maaien zal naardat hij heeft gezaaid, en dragen zal naardat zijn weefsel geweest is.