Job 8:8-19
Bildad redeneert hier zeer wel over het ontzettend lot van de geveinsden en boosdoeners, en het treurig einde van al hun hoop en al hun genietingen. Hij wil niet zo stout zijn om met Elifaz te zeggen dat geen rechtvaardige ooit aldus afgesneden werden, Hoofdst. 4:7, maar neemt als bewezen aan dat God in de loop van Zijn voorzienigheid slechte mensen, die vroom schenen en voorspoedig waren, in deze wereld tot schande en verderf brengt, en door hun voorspoed van korte duur te maken, hun vroomheid als nagemaakt tentoonstelt. Of dit nu een stellig bewijs zal zijn dat allen, die aldus ten verderve zijn gebracht, huichelaars geweest zijn, wil hij niet zeggen, maar wel denkt hij, dat de toepassing licht te maken is.
I. Hij bewijst de waarheid van de vernietiging van alle hoop en genietingen van de geveinsden met een beroep op de oudheid en het eenparige gevoelen en de waarheid van alle wijze en Godvruchtige mensen. Als wij op de toekomende wereld zien, dan is het een ontwijfelbare waarheid dat de geveinsden, zooal niet in dit leven, toch zeer zeker in het toekomende leven, van alles waar zij op betrouwd hebben, en van al hun triomfen beroofd zullen worden.
Laat ons letten op zijn bewijsvoering, vers 8-10.
1. Hij stelt zijn eigen oordeel en dat van zijn metgezellen niet op de voorgrond. Wij zijn van gisteren en weten niets, vers 9. Hij bemerkte dat Job geen hoge dunk had van hun bekwaamheid, maar dacht dat zij weinig wisten. "Wij willen erkennen", zegt Bildad, "dat wij niets weten, wij zijn even bereid onze onwetendheid te bekennen als gij zijt om haar te veroordelen, want wij zijn, vergelijkenderwijs gesproken, slechts van gisteren, en onze dagen op aarde zijn kort en voorbijgaande, wegsnellende als een schaduw. En daarom:
a. Zijn wij nu niet zo dicht bij de bron van Goddelijke openbaring" (die toen, voorzover blijkt, door overlevering tot de mensen gebracht werd) "als de mensen in de vorige eeuw geweest zijn, weshalve wij moeten vragen wat zij gezegd hebben, en weer verhalen wat ons van hun gevoelen is meegedeeld." Geloofd zij God, nu wij het Woord Gods in geschrifte hebben, en ons bevolen is dat te onderzoeken, behoeven wij niet naar het vorige geslacht te vragen, noch ons te bereiden tot de onderzoeking van hun vaderen, want, hoewel wij zelf slechts van gisteren zijn, het Woord Gods in de Schrift is ons even nabij als aan hen, Romeinen 10:8, en het is het profetische woord, dat zeer vast is, op hetwelk wij acht moeten geven. Als wij "Gods bevelen" "betrachten en bewaren," dan zijn wij "voorzichtiger dan de ouden," Psalm 119:99, 100.
b. "Wij leven niet zo lang als de mensen van de vroegere tijd, om de methoden na te gaan van de Goddelijke voorzienigheid, en daarom kunnen wij niet zulke bevoegde beoordelaars zijn als zij in een geval van die aard." De kortheid van ons leven is een grote hinderpaal voor de toeneming van onze kennis, en ook de zwakheid en broosheid van ons lichaam staan ons daarbij in de weg. Vita brevis, ars longa-het leven is kort, de voortgang van de kunst is oneindig.
2. Hij beroept zich op het getuigenis van de ouden en op de kennis, die Job zelf had van hun gevoelens. "Vraag toch naar het vorige geslacht, en laat hen u niet alleen hun eigen oordeel omtrent deze zaak zeggen, maar ook het oordeel van hun vaderen, vers 8. Zij zullen u leren en u mededelen dat in hun tijd de oordelen Gods altijd de goddelozen vervolgd hebben. Zij zullen dit spreken uit hun hart, dat is: als hetgeen zij zelf vast geloven, zij zullen u zeggen dat zij er diep door werden getroffen, en dat zij wensen dat anderen er evenzo door getroffen zullen worden." Voor een goed begrijpen van de Goddelijke voorzienigheid en de verklaring van de moeilijkheden ervan zal het nuttig wezen de ervaringen en waarnemingen van vroegere geslachten te vergelijken met de gebeurtenissen van onze eigen tijd, en te die einde de geschiedenis te raadplegen, inzonderheid de gewijde geschiedenis, die de oudste is, onfeilbaar waar is, en opzettelijk tot onze lering werd geschreven. Zij, die kennis willen ontlenen aan de vorige geslachten en tijden, moeten naarstig onderzoeken zich voor dat onderzoek bereiden, en zich bij dat onderzoek moeite geven.
Die woorden zullen het meest waarschijnlijk het hart bereiken van hen, die leren, welke uit het hart komen van hen, die onderwijzen. Diegenen zullen u het best onderwijzen, die redenen voortbrengen uit hun hart, die van geestelijke en Goddelijke dingen spreken uit ervaring, en niet uit sleur.
De geleerde bisschop Patrick is van mening dat Bildad, een Suhiet zijnde, een afstammeling was van Suah, één van Abrahams zonen bij Ketura, Genesis 25:2. In dit beroep, dat hij doet op de geschiedenis, heeft hij inzonderheid het oog op de beloningen, die de zegeningen van God verzekerden aan het nageslacht van de gelovigen Abraham, dat totnutoe en nog lang daarna bij zijn Godsdienst is gebleven, hij verwijst ook naar de gerechtelijke verdelging van het Oosterse volk, de naburen van Job, om hun goddeloosheid, terwijl hun land aan Abrahams nakomelingen ten erfdeel beloofd werd, en hieruit leidt hij af dat God gewoonlijk de rechtvaardigen voorspoedig maakt en de goddelozen verdelgt, hoewel zij voor een tijd kunnen bloeien.
II. Deze waarheid heldert hij op door enige beelden, of vergelijkingen.
1. De verwachtingen en genietingen van de geveinsden worden hier vergeleken bij een bies of bij het rietgras, vers 11-13.
A. Zij groeit op uit slijk en water. De huichelaar kan zijn hoop niet koesteren zonder de een of anderen valse grond, waarop hij haar vestigt en waarmee hij haar steunt en in wezen houdt, evenmin als een bies groeien kan zonder slijk. Hij grondt haar op zijn wereldlijke voorspoed, zijn schoonschijnende belijdenis van de Godsdienst, de goede mening van zijn naburen, en de goede dunk, die hij van zichzelf koestert, terwijl dit alles geen vaste grond is om er zijn hoop op te bouwen. Het is alles slechts slijk en water, en de hoop die er uit opgroeit, is slechts rietgras en biezen.
B. Biezen en rietgras kunnen voor een poos een groen en fraai aanzien hebben-de bies schiet hoger op dan het gras-maar zij zijn licht en hol en ledig, en nergens toe nut. Zij zijn groen voor het oog, maar zij hebben geen nut.
C. Weldra verdort het voor alle gras, vers 12. Zelfs terwijl het nog groen is, verdort het, en binnen korte tijd is het weg. De beste staat van geveinsden en boosdoeners grenst aan verdorring, zelfs terwijl hij nog groen is, vergaat hij al. Het gras "wordt afgesneden" "en het verdort," Psalm 90:6, maar de biez wordt niet afgesneden, en toch verdort zij, zij verdort eer men haar uittrekt, Psalm 129:6, daar zij niet nuttig is, is zij ook niet duurzaam. Alzo zijn de paden van allen, die God vergeten, vers 13. Zij gaan dezelfde weg als de biezen, want de verwachting van de huichelaars zal vergaan. Het vergeten van God is op de bodem van de huichelarij van de mensen en van de ijdele hoop, waarmee zij zich in hun geveinsdheid vleien en bedriegen. De mensen zouden geen huichelaars zijn, indien zij niet vergaten dat de God, met wie zij te doen hebben, het hart doorgrondt en eist dat daar waarheid in zij, dat Hij een geest is, en Zijn oog heeft op onze geest. Geveinsden konden geen hoop hebben, indien zij niet vergaten dat God rechtvaardig is en zich niet wij laten bespotten met hetgeen kreupel en ziek is. De hoop van de geveinsden is een grote misleiding van henzelf, en hoewel die voor een tijdje stand kan houden, zal zij toch zeker vergaan, en zij zelf met haar.
2. Zij worden hier vergeleken bij een spinneweb, of bij het huis van de spin, vers 14, 15. De hoop van de geveinsde:
a. Is als het spinrag. een weefsel, dat de spin uit haar eigen ingewand voortbrengt, en zo is zijn hoop het schepsel van zijn eigen verbeelding, ontstaan uit de waan, die hij koestert van zijn verdienste en genoegzaamheid. Er is een zeer groot verschil tussen het werk van de bij en dat van de spin, een naarstig Christen is als de werkzame bij, hij ontleent al zijn vertroosting aan de hemelse dauw van Gods Woord, maar de geveinsde doet als de listige spin, hij bouwt zijn hoop op een valse veronderstelling van zijn eigen maaksel, betreffende God, alsof Hij ten enenmale was zoals hij.
b. Hij is er zeer mee ingenomen, zoals de spin met haar web, hij schept er behagen in, wikkelt zich er in, noemt haar zijn huis, leunt er op en houdt er zich aan vast. Van de spin wordt gezegd, dat "zij grijpt" "met handen en in de paleizen van de koningen is," Spreuken 30:28. Zo verheugt zich de vleselijk gezinde wereldling in de volheid en vastheid van zijn uitwendige voorspoed, verhovaardigt zich in dat huis als in zijn paleis, versterkt er zich in als in zijn kasteel, en maakt er gebruik van zoals de spin van haar web, om hen er in te vangen en te verstrikken, die hij tot zijn prooi wil maken. Zo doet ook de naamchristen, hij twijfelt niet aan zijn zaligheid, is zeker van de hemel en bedriegt de wereld met zijn vals vertrouwen.
c. Zij zal gemakkelijk en gewis weggevaagd worden, zoals het spinneweb met de bezem weggevaagd wordt, als God komt om Zijn huis te reinigen. De voorspoed van de wereldlingen zal hen begeven, als zij menen er veiligheid en geluk in te vinden. Zij trachten hun bezittingen vast te houden, maar God rukt ze weg uit hun handen, en van wie zullen de dingen zijn, die zij bijeengebracht hebben, en welk voordeel hebben zij ervan? De hoop van de geveinsden zal hun falen: Ik zeg u, ik ken u niet. Het huis, op de zandgrond gebouwd, zal vallen in de storm, als de bouwer het het meest nodig heeft en er zich het voordeel en gemak van had beloofd. Als de goddeloze mens sterft, vergaat zijn verwachting. De grond van zijn hoop zal blijken vals te zijn, hij zal in zijn verwachting worden teleurgesteld, en zijn dwaze hoop, waarmee hij zich moed heeft ingesproken, zal in eindeloze wanhoop worden verkeerd, en zo zal zijn hoop vergaan, zijn web, die toevlucht van de leugen, worden weggevaagd, en hij zal er in verpletterd worden.
3. Zij worden hier vergeleken bij een bloeiende en vastgewortelde boom, die, hoewel hij niet vanzelf verdort, toch gemakkelijk afgehouwen kan worden, zodat zijn plaats hem niet meer kent. De geruste en voorspoedige zondaar kan zich verongelijkt achten als hij vergeleken wordt bij een bies of rietgras hij denkt beter geworteld te zijn. "Wij willen hem zijn waan laten", zegt Bildad, "hem al het voordeel geven, dat hij kan begeren, en hem toch spoedig of plotseling nedergeworpen zien." Hij wordt hier voorgesteld, zoals Nebukadnezer voorgesteld werd in zijn droom, Daniël 4:10, door een groten boom. A. Aanschouw deze schone, bloeiende boom, vers, een "groene" "inlandse boom" Psalm 37:35, sappig voor de zon, zijn groenheid behoudende in weerwil van de verschroeiende zonnestralen, en zijn scheuten gaan uit onder de beschutting van de tuinmuur, en met het voordeel van de tuinaarde, zie hem staan, vast en diepgeworteld, zonder enige waarschijnlijkheid van door de stormwind neergeworpen te worden, want zijn wortels zijn als ineengestrengeld met de stenen, vers 17, hij groeit in vaste grond, niet zoals de biezen in slijk en water. Zo acht een goddeloos man zich veilig als hij voorspoedig is in de wereld, zijn rijkdom is als een verheven muur in zijn inbeelding.
B. Zie deze boom desniettemin geveld en vergeten, verslonden uit zijn plaats, vers 18, en zo volkomen uitgeroeid, dat er geen teken meer is van de plaats waar hij groeide, die plaats zelf zal zeggen: "ik heb u niet gezien," en de omstanders zullen hetzelfde zeggen: "ik zocht hem, maar hij werd niet gevonden," Psalm 37:36. Hij had voor een tijd een groot en fraai aanzien, en maakte veel gerucht in de wereld, maar plotseling is hij weg, "wortel noch tak is hem gelaten," Maleachi 4:1. "Dat is de vreugde," dat is: dit is het einde, het besluit "van de weg" van de goddelozen, vers 19, dat is het, waar al zijn vreugde op uitloopt: "de weg van de goddelozen zal vergaan," Psalm 1:6. Zijn hoop dacht hij, zal in het einde in blijdschap verkeren maar dit is het einde, dit de blijdschap: het zal "maar een hoop van het gemaaide zijn in de dag van de ziekte en van de pijnlijke smart," Jesaja 17:11. Dit is het beste ervan, wat dan is het ergste er van? Maar zal hij dan geen kinderen nalaten om te genieten van hetgeen hij heeft? Neen, uit het stof, ( niet uit zijn wortels) zullen anderen voortspruiten, die hem niet verwant zijn, en zijn plaats innemen, en heersen over hetgeen waarvoor hij gearbeid heeft. Anderen, die van dezelfde geest en gezindheid zijn, zullen voortspruiten in zijn plaats en even gerust zijn als hij geweest is, door zijn val niet gewaarschuwd zijnde. De weg van de wereldlingen is hun dwaasheid, en toch zijn er nakomelingen van hen, die "een welbehagen hebben in hun woorden," Psalm 49:14.