Prediker 5:17-19
Uit de ijdelheid van opgespaarde rijkdom leidt Salomo hier af dat het beste wat wij kunnen doen is: goed te gebruiken wat wij hebben, er God mee te dienen, er goed mee te doen, en er voor onszelf en ons gezin de lieflijkheid van te smaken. Daar had hij tevoren reeds op aangedrongen, Hoofdstuk 2:24, 3:22.
Merk op:
1. Wat het is, dat ons hier wordt aanbevolen, niet om toe te geven aan de lusten van het vlees, of om ons met tegenwoordige genoegens of voordeel te vergenoegen als ons deel, maar om met soberheid en matigheid gebruik te maken van hetgeen Gods voorzienigheid ons toegewezen heeft voor onze aangenamer doortocht door deze wereld. Wij moeten ons niet laten verhongeren, hetzij uit gierigheid, waardoor wij ons geen behoorlijk voedsel verschaffen of uit ijver in het najagen onze wereldlijke aangelegenheden, of door buitensporige zorg en smart, maar eten en drinken wat geschikt voor ons is, om ons lichaam in goede toestand te houden voor de dienst van onze ziel in het dienen van God. Wij moeten ons niet doden met arbeid, om dan anderen het goede ervan te laten genieten, maar het genot smaken van hetgeen, waarvoor onze handen gearbeid hebben, en dat wel niet maar nu en dan, maar al de dagen van ons leven, dat God ons geeft. Het leven is Gods gave, en Hij heeft het getal van de dagen van ons leven voor ons vastgesteld, Job 14, 5 Laat ons daarom die dagen doorbrengen in het dienen van God met vreugde en blijdschap des harten. Wij moeten het werk van ons beroep of van onze roeping niet doen alsof het slavenwerk was, er ons niet tot slaven van maken, maar wij moeten ons verblijden in onze arbeid, niet meer werk op ons nemen dan wij afkunnen zonder verlegenheid en onrust, maar behagen vinden in het beroep, waarin God ons gesteld heeft, en goedsmoeds met het werk ervan voortgaan. Dit is ons te verblijden in onze arbeid, waarin hij ook moge bestaan, zoals Zebulon over, zijn uittocht en Issachar over zijn hutten.
2. Wat aangevoerd wordt om ons dit te aan te bevelen.
A. Dat het een goede en schone zaak is om dit te doen. Het is goed, en het heeft een goed aanzien. Zij, die blijmoedig gebruiken wat God hun gegeven heeft, eren daarmee de gever, beantwoorden aan het doel van de gave, en doen op redelijke, edelmoedige wijze goed in de wereld, laten hetgeen zij hebben het meeste voordeel opleveren, en dit is beide hun eer en hun genot. Het is goed en schoon, er is plicht en betamelijkheid in.
B. Dat het al het goed is, dat wij uit de dingen van deze wereld kunnen verkrijgen, het is ons deel, en door dit te doen nemen we ons deel en halen er het meeste voordeel uit. Dit is ons deel van onze wereldlijke bezittingen, God moet Zijn deel hebben, de armen het hunne, en ons gezin het zijne, maar dit is het onze, het is alles wat ons ervan ten deel valt.
C. Dat een hart om alzo te doen zo'n gave is van Gods genade, dat zij al de gaven kroont van Zijn voorzienigheid. Als God aan een mens rijkdom en goederen geeft, dan voltooit Hij de gunst en maakt het tot een wezenlijke zegen indien Hij hem daarbij de macht geeft om daarvan te eten, wijsheid en genade om er het goede van te nemen en er goed mee te doen. Indien dit Gods gave is, dan moeten wij haar ernstig begeren als de beste gave met betrekking tot onze genietingen in deze wereld.