Jeremia 19:1-9
De verdorvenheid des mensen had het nodig gemaakt, "dat gebod op gebod, regel op regel gegeven werd (zo onbekwaam zijn wij om goddelijke dingen op te nemen en zo gereed ze te laten slippen), opdat de onbekeerlijken geen uitvlucht zouden hebben". Om deze reden wordt de profeet gezonden met dezelfde boodschap, die hij reeds zo vaak had gebracht, maar ditmaal onder omstandigheden, die de aandacht in hoger mate mochten boeien. Iets waarop predikers moeten letten omdat een overigens onbeduidende omstandigheid soms een groot voordeel geeft, en wie zielen wil vangen, moet wijs zijn.
I. Hij moet van de oudsten en voornaamsten nemen, mannen, die in kerk en staat vooraan staan, om hoorders en getuigen te zijn van wat hij gaat zeggen, "de oudsten des volks en de oudsten van de priesters, opdat die als getrouwe getuigen zouden kunnen spreken," Jesaja 8:2. Het is vreemd, dat die grote mannen achter de arme profeet aankomen en zijn oproeping om mee de stad uit te gaan gehoorzamen, terwijl zij niet weten, waarheen de profeet hun zal leiden noch waarom hij ze meeneemt. Maar, ofschoon de oudsten in het algemeen hem niet genegen waren, is het mogelijk, dat sommigen hem voor een profeet des Heeren hielden en dus zijn hemelse zending eerbiedigden. Let hierop: wie in de maatschappij een hoge plaats inneemt, heeft gelegenheid God te eren door getrouw de bediening des Woords en andere plechtigheden bij te wonen. Zij moeten dat voor zichzelf een eer achten en geen vernedering, zelfs al zijn de gelegenheden eenvoudig en gering. Zeker is de grootste mens kleiner dan de minste van Gods ordinantiën.
II. Hij moet gaan "naar het dal des zoons van Hinnom en daar zijn boodschap overbrengen, want des Heeren woord is aan geen plaats gebonden, dat kan evengoed in de poort des tempels als in het dal van Tofeth gepredikt worden". Christus heeft op een berg en op een schip gepredikt. Dit dal lag ten dele ten zuiden van Jeruzalem, des profeten weg daarheen was door "de deur van de Zonnepoort," in het oosten, vers 2, zo genoemd omdat aan die zijde de zon opging, anderen verstaan daaronder de Pottenbakkerspoort, gelegen tegen het zuiden. De prediking moet geschieden in het dal des zoons van Hinnom.
1. Omdat dat dal getuige was geweest van de laagste afgoderij, het offeren van kinderen aan Moloch, een vreselijke goddeloosheid, zodat het gezicht van de plaats bij Jeremia's prediking daaraan mocht herinneren.
2. Omdat daar de grootste ramp het volk treffen zou, daar zou de grootste slachting plaats grijpen. Daar het als het ware de vuilnisbelt van de stad was, kon die aanblik doen vooruitzien, hoe ellendig het Jeruzalem gaan zou, als het het dal van Tofeth gelijk gemaakt werd. God gebiedt de profeet daarheen te gaan en "uit te roepen de woorden, die God tot hem spreken zou". Het blijkt dus (zoals Gataker opmerkt) dat God menigmaal zijn profeten niet mededeelde wat zij te zeggen hadden, alvorens zij op de plaats waren en de tijd gekomen was, dat zij spreken zouden.
III. Hij moest een algemene aankondiging doen van de algemene verwoesting, die binnenkort over Juda en Jeruzalem zou komen, vers 3. Hij moest, gelijk zij, die een proclamatie uitvaardigen, beginnen met een hoort: Hoort des Heeren woord, of schoon het een geducht woord is, want gij moogt dankbaar zijn dat het dat is. Beide heersers en onderdanen moeten ernaar luisteren, zo niet, dan is het hun schade. De koningen van Juda, koningen en koningszonen, prinsen en raadslieden, moeten luisteren naar de Koning van de koningen, want hoe hoog ze ook zijn, Hij is verre boven hen. Ook de inwoners van Jeruzalem moeten luisteren naar hetgeen God huri te zeggen heeft. Beide vorst en volk hebben deel aan de nationale schuld en moeten zich samen verootmoedigen, tenzij ze willen delen in de rationale verwoesting. Laat hen allen weten, "dat de Heere van de heirscharen in staat is, Zijn bedreiging te volvoeren, ofschoon Hij de God Israëls is, ja, omdat Hij dat is, zal Hij in de eerste plaats hun ongerechtigheden bezoeken, Amos 3:2. Hij zal een kwaad brengen over deze plaats, over Juda en Jeruzalem, zo verrassend, zo vreselijk, dat een ieder, die het hoort, zijn oren klinken zullen." Op een iegelijk, die de profetie van deze ellende, de mededeling en voorstelling ervan, hoort, zal dat zulk een verschrikkelijke indruk maken, dat het geluid nog lang in zijn oren zal naklinken en hij het niet kwijt kan raken. Zo wordt de straf over Eli's huis beschreven, 1 Samuël 3:11, en over Jeruzalem, 2 Koningen 21:12.
IV. Hij moet hun klaar voor ogen stellen, welke hun zonden waren, waarover God met hen twist, vers 4, 5. Zij worden beschuldigd van afval van God, "zij hebben Mij verlaten." En van misbruik van de voorrechten van de zichtbare kelk, waarmee zij begiftigd waren. "Zij hebben deze plaats vervreemd. Jeruzalem (de heilige stad), de tempel (het heilige huis des Heeren), die de ere Gods dienen moesten en Zijn koninkrijk onder de mensen onderhouden, hadden zij vervreemd van dit doel en (gelijk sommigen vertalen) ergerlijk misbruikt". Met hun goddeloosheid hadden zij beide zo verontreinigd, dat God beide losliet en aan de verwoesting prijs gaf. Hij beschuldigt hen, dat zij valse goden liefhebben en aanbidden, "die noch zij noch hun vaders gekend hadden, die nooit door enig vertoon van macht of goedheid recht op zulk vertrouwen en zodanige achting verworven hadden, terwijl God, die zij verlieten, hun en hun vaderen, overvloedig Zijn macht en goedheid had bewezen". Toch stelden zij die vreemde goden boven hun God. `t Was als eerden zij die vreemde goden, belust op verandering en nieuwigheid, te meer naarmate zij minder betekenden en als volgden zij in hun godsdienst evenzeer hun grillen als in andere dingen. Zij worden voorts beschuldigd van moord, opzettelijken moord, uit kwaadwilligheid: "Zij hebben deze plaats vervuld met het bloed van de onschuldigen. Het was Manasse's zonde, 2 Koningen 24:4, die de Heere niet wilde vergeven". Ja, alsof afgoderij en doodslag, afzonderlijk begaan, niet erg genoeg waren en God en mens niet genoeg beledigden, hebben zij die zonden verbonden tot een ingewikkelde misdaad, als zij hun kinderen door het vuur aan Baäl offerden, vers 5, hetwelk de onbeschaamdste verkrachting was van beide natuurlijke en geopenbaarde godsdienst, die ooit door mensen bedreven is, en waardoor ze openlijk verklaarden, dat zij hun nieuwe goden meer liefhadden dan zij ooit de ware God hadden bemind. En toch waren die zulke harde meesters, dat ze mensenoffers eisten (onmenselijke offers zou ik ze eer noemen), die de Heere God, wiens alle leven en alle ziel is, nooit van Zijn dienaren had gevorderd, "Hij had hun zulks niet geboden, noch was het in zijn hart opgekomen, Hoofdstuk 7:31.
V. Hij moest trachten hun een denkbeeld te geven van de omvang van de verwoesting, die over hen komen zou. Hij moet hun zeggen (gelijk hij tevoren had gedaan, Hoofdstuk 7:3, dat "het dal des zoons van Hinnom een nieuwe naam zal krijgen, namelijk Moorddal," vers 6, want, vers 7, menigten zullen daar "vallen door het zwaard, wanneer zij een uitval tegen de belegeraars wagen of teruggeworpen worden en beproeven te ontsnappen en gegrepen worden". "Zij zullen vallen voor het aangezicht hunner vijanden, die niet slechts zullen trachten zich meester te maken van hun huizen en bezittingen, maar zo'n haat tegen hen koesteren, dat zij ook neer hun leven zullen staan". Zij dorsten naar bloed, en, wanneer de slachtoffers gevallen zijn, zullen zij zelfs geen begrafenis toestaan: "hun dode lichamen zullen aan het gevogelte des hemels en het gedierte van de aarde tot spijze gegeven worden." Wat een plaats van de ellende zal het dal van Tofeth dan zijn! En aangaande hen, die in de stad blijven en zich niet aan de belegeraars overgeven, die zullen omkomen door gebrek aan voedsel, wanneer zij eerst "het vlees hunner zonen en dochteren en liefste vrienden zullen gegeten hebben, door de benauwing, waarmee hun vijanden hen benauwen zullen," vers 9. Dit was in de wet gedreigd als een voorbeeld, tot welke uiterste de oordelen Gods hen brengen zouden, Leviticus 26:29, Deuteronomium 28:43, en gebracht hebben, Klaagliederen 4:10. "En eindelijk, de gehele stad zou verwoest worden, de huizen in de as gelegd, de inwoners gedood of gevangengenomen, geen toevluchtsoord zou overblijven, overal zou men ellende en afschuwelijke dingen zien, zo dat ieder die voorbij haar ging, zich ontzetten zou," vers 8, gelijk tevoren betuigd was, Hoofdstuk 18:16. De plaats, wier heiligheid haar een "vreugde van de gehele aarde had gemaakt, zou een aanfluiting en schande van de gehele aarde worden."
Vl. Hij moest hen verzekeren, dat al hun pogen om die verwoesting te voorkomen of te verhinderen, zolang zij onboetvaardigen onbekeerlijk bleven, vruchteloos en ijdel zouden blijken, vers 7. Ik zal de raad van Juda n Jeruzalem in deze plaats verijdelen (den raad van vorsten en rijksgroten, in het koninkrijk paleis, dat ten zuiden van de stad lag, niet ver van de plaats, waar de profeet nu stond. Zie, daar is geen ontvluchten aan Gods rechtvaardigheid dan door te vluchten naar Zijn barmhartigheid en genade. Zij, die weigeren naar Gods raad te luisteren, door zich te vernederen onder Zijn machtige hand, zullen ervaren, dat God hun raad verijdelt en in hun plannen blaast, die zij meenden, dat zij wel overdacht en verzekerd waren. "Er is geen raad noch sterkte tegen de HEERE."