Jeremia 51:59-64
Lang hebben wij stilgestaan bij het oordeel over Babylon in dit en het vorige hoofdstuk. Hier vinden wij het besluit van de gehele zaak.
1. Een afschrift wordt gemaakt van deze profetie, maar het schijnt door Jeremia zelf want Baruch, zijn schrijver, wordt hier niet genoemd, vers 60 :Jeremia nu schreef al het kwaad dat over Babel komen zou, in een boek, te weten alle deze woorden, die tegen Babel geschreven zijn. Hij heeft die mededelingen ontvangen, opdat hij ze zou overbrengen aan allen die er belang bij hadden. Het is een groot voordeel zo voor de verbreiding als voor de bevestiging van Gods Woord, als het geschreven en er vele afschriften van gemaakt worden.
2. Het wordt naar Babel gezonden, aan de gevangenen aldaar, door de hand van Seraja, die daarheen trok in het gevolg van koning Zedekia of als zijn gezant, in het vierde jaar van zijn regering, vers 59. Hij toog van Zedekia (sommigen lezen: met Zedekia) naar Babel. De beschrijving van Seraja gegeven, noemt hem een vreedzaam vorst, een man van vrede en rust. Hij genoot eer en macht, zonder, zoals de meeste vorsten toen waren, driftig en eigenzinnig te zijn, een partij te vormen of zich aan het hoofd van malcontenten te plaatsen of dingen met geweld door te drijven. Hij had een kalme natuur, bedacht wat tot vrede kon dienen, trachtte een goede verstandhouding tussen de koning, zijn meester, en de koning van Babylon te bevorderen en de eerste terug te houden van rebellie. Hij was geen vervolger van Gods profeten, maar een gematigd man. Zedekia had met deze dienaar een goede keuze gedaan, om zijn gezant te Babel te wezen, en Jeremia kon hem veilig zijn boodschap toevertrouwen. Zie, het is de eer voor grote mannen, mannen des vredes te zijn, en het is de wijsheid van de vorsten, zulke mannen aan hun dienst te verbinden.
3. Van Seraja wordt begeerd, dat hij Jeremia's schrijven aan zijn landgenoten in ballingschap zal voorlezen: "Als gij te Babel komt, zo zult gij zien en lezen alle deze woorden, vers 61. Zult gij zien wat een prachtige slaaf het is, hoe groot en sterk, hoe rijk en hoe wel bevestigd, en dat zal u doen denken: Zeker, deze stad zal eeuwig bestaan, gelijk de discipelen meenden, toen zij de gebouwen des tempels beschouwden, Mattheus 24:3. "Gij zult alle deze woorden lezen voor uzelf en uw bijzonderste vrienden, om hen in hun gevangenschap te bemoedigen, dat zij met het oog des geloofs het einde van deze dreigende machten mogen zien en zich en anderen daarmee troosten."
4. Hem wordt opgedragen, de goddelijke autoriteit en de ontwijfelbare zekerheid van hetgeen hij gelezen had plechtig uit te spreken, vers 62. Dan zult gij tot God opzien en zeggen: O Heere! Gij hebt over deze plaats gesproken, dat Gij ze zult uitroeien. Dit gelijkt op de betuiging des engels aangaande de verwoesting van het Nieuwtestamentische Babylon. "Deze zijn de waarachtige woorden Gods, Openbaring 19:9. Deze woorden zijn waarachtig en getrouw," Openbaring 21:5. Al heeft Seraja de bloei van Babylon gezien, ook bij het lezen van deze profetie moet hij de val van Babylon voorzien, en krachtens die voorspelling "Zijn woning vervloeken, al wortelde ze ook, Job 5:5. 0 Heere, Gij hebt over deze plaats gesproken, en ik geloof wat Gij gesproken hebt, gelijk Gij alle dingen weet, kunt Gij ook alle dingen doen". Gij hebt het oordeel over Babel geveld, en het zal uitgevoerd worden. "Gij hebt over deze plaats gesproken, dat Gij ze zult uitroeien," en daarom willen wij haar welvaart niet benijden noch haar macht vrezen. Als wij zien wat deze wereld is, al haar luister niets dan klatergoud, hoe vleiend ook haar aanbiedingen, Iaat ons dan in het boek des Heeren lezen, "dat haar gedaante voorbijgaat, en dat ze weldra zal uitgeroeid en voor eeuwig verwoest worden." Dan zullen wij leren, ze met een heilige verachting te beschouwen.
Merk hier op: Wanneer wij Gods Woord lezen, dan voegt ons, dat wij Hem, Wiens Woord dat is, nederig geloven op Zijn woord, dat de waarheid is, en waarin rechtvaardigheid en goedheid ons tegemoet treden.
5. Jeremia moet vervolgens een steen aan het boek binden en het dan in het midden van de rivier Eufraat werpen, als een bevestigend teken van de dingen, daarin vervat, zeggende: "Alzo zal Babylon zinken en niet weer opkomen, want zij zullen mat worden, zij zullen geheel ten onder gaan, als lieden met een te zwaren last beladen de last namelijk van het kwaad, dat Ik over haar zal brengen, dat zij nimmer zal kunnen afschudden noch te boven komen", vers 53, 64. In het teken was het een steen, die het boek deed zinken, hetwelk anders nog was blijven boven drijven. Maar in de betekende zaak was het veeleer het boek, dat de steen deed zinken, het was het goddelijk vonnis, over Babylon geveld en in deze profetie vermeld, dat de stad deed verzinken en even zwaar was als een steen. De val van het Nieuwtestamentische Babylon wordt door iets dergelijks voorgesteld, maar toch iets grootsers, Openbaring 18:21. "Een sterke engel hief een steen op als een grote molensteen, en wierp die in de zee, zeggende: Aldus zal de grote stad Babylon met geweld geworpen worden en zal niet meer worden gevonden." Wie zinkt onder het gewicht van Gods toorn en vloek, zinkt onherroepelijk. De laatste woorden van dit hoofdstuk verzegelen het visioen en de profetie van dit boek: Tot hiertoe zijn de woorden van Jeremia. Niet, dat deze profetie tegen Babel de laatste van zijn profetieën was, maar deze wordt het laatst vermeld, omdat daarmee zijn voorzeggingen aangaande de heidenen voltooid zijn, hoofdst. 46:1. Het nog volgende, laatste hoofdstuk, is louter historie, en naar sommigen menen, er door een andere hand aan toegevoegd.