Jeremia 32:1-15
Uit de tijdsbepaling in dit hoofdstuk blijkt, dat wij nu dicht genaderd zijn tot dat noodlottige jaar, waarin de verwoesting van Juda en Jeruzalem door de Chaldeën voltooid werd. Trapsgewijze kwamen Gods oordelen over hen, maar, daar zij Hem niet met berouw tegemoet kwamen op de weg van Zijn oordelen, ging Hij voort met hen te twisten totdat alles verwoest was, in het elfde jaar van Zedekia, wat hier vermeld wordt, vond plaats in het tiende. Het leger van de koning van Babel had Jeruzalem omsingeld en zette het beleg krachtig voort, niet twijfelende of zij zouden in weinig tijd zich er meester van maken, terwijl de belegerden het wanhopig besluit genomen hadden zich niet over te geven, maar vol te houden tot het laatste.
I. Jeremia profeteert, dat beide de staat en het hof in handen zullen vallen van de koning van Babel. Hij zegt hun uitdrukkelijk, dat de belegeraars de stad zullen innemen, want God, Wiens stad het is in zeer bijzondere zin, zal die in hun hand geven en Zijn bescherming er aan onttrekken, vers 3, -dat, al beproeft Zedekia te ontsnappen, hij ingehaald zal worden, en als gevangene overgeleverd aan Nebukadnezar, dat hij in zijn tegenwoordigheid gebracht zal worden, tot zijn grote schrik en ontsteltenis, daar hij zich gehaat heeft gemaakt, door zijn woord aan hem te breken, hij zal de koning van Babel zijn vonnis horen uitspreken, en de woede en verontwaardiging moeten aanschouwen, waarmee hij hen aanziet (Zijn ogen zullen diens ogen zien, vers 4), -dat Zedekia naar Babel gevoerd zal worden, en daar als een ellendige gevangene blijven, totdat Ik hem bezoeke, totdat God een eind aan zijn leven maakt door een natuurlijken dood, zoals Nebukadnezar lange tijd daarvoor een einde aan zijn dagen had gemaakt door zijn ogen uit te steken. Die in ellende leven kunnen naar waarheid zeggen, in genade door God bezocht te worden, als God ze door de dood tot Zich neemt in Zijn huis. En, tenslotte, voorspelt hij, dat al hun pogingen om de belegeraars te dwingen de loopgraven te verlaten vergeefs zullen zijn: "Of gijlieden al tegen de Chaldeën strijdt gij zult toch geen geluk hebben, " hoe zouden zij ook, als God niet voor hen streed? Zie Hoofdstuk 34:2, 3.
II. Omdat hij dit profeteert, wordt hij gevangen gezet, niet in de algemene gevangenis, maar in de meer fatsoenlijke gevangenis, die binnen de omtrek van het paleis was, "In het huis des konings van Juda", en dat niet bepaald opgesloten, maar in "custodia libera-in het voorhof van de bewaring," waar hij goed gezelschap, en verse lucht kon hebben, en nieuws horen en waar hij geborgen was tegen het gejouw van het gepeupel, maar toch, het was een gevangenis, en Zedekia sloot hem daarin, om hetgeen hij geprofeteerd had, vers 23. Zover was het er van af, dat hij zich "verootmoedigde voor het aangezicht van de profeet Jeremia," zoals hij had moeten doen, 2 Kronieken 36:12, dat "hij zijn nek verhardde tegen hem". Hoewel hij tevoren in zover had erkend, dat hij een profeet was, dat hij hem verzocht had, "de Heere te vragen," Hoofdstuk 21:2, berispt hij hem nu, omdat hij geprofeteerd heeft, vers 3, en sluit hem in de gevangenis, misschien niet met de bedoeling om hen nog meer te straffen, maar alleen om hem te beletten nog meer te profeteren, wat al misdaad genoeg was. Gods profeten tot zwijgen te brengen, is niet zo slecht als ze te bespotten en te doden, maar toch een grote belediging voor God in de hemel. Zie, hoe treurig het hart van de zondaars verhard wordt door de bedriegelijkheid van de zonde. Vervolging was een van de zonden, waarom God nu met hen twistte, en toch volhardt Zedekia er in, zelfs nu hij in de diepte van ellende is. Geen leidingen, geen beproevingen kunnen op zichzelf de mens van zijn zonde scheiden, tenzij de genade Gods daarin meewerkt. ja, sommigen worden slechter door diezelfde oordelen, die hen beter moesten maken.
III. In de gevangenis zijnde, koopt hij van een van zijn naaste bloedverwanten, een stuk grond, dat in Anathoth lag, vers 6 enz. 1. Men zou niet gedacht hebben,
a. Dat een profeet zich zozeer met de zaken van deze wereld bemoeien zou, maar waarom niet? Hoewel predikanten zich er niet in mogen verwikkelen, toch mogen zij zich wel inlaten met de zaken van dit leven.
b. Dat iemand, die geen vrouw en kinderen had, land zou kopen. Wij vinden Hoofdstuk 16:2, dat hij zelf geen gezin had, toch kan hij wel land kopen, voor zijn eigen gebruik, terwijl hij leeft, en het aan de kinderen van zijn verwanten nalaten, als hij sterft.
c. Men zou zich nauwelijks kunnen denken, dat een gevangene iets kopen zou, hoe zou hij tevoren geld krijgen om er land mee te kopen? Het is waarschijnlijk, dat hij sober leefde, en wist over te houden van wat hem als priester toekwam, wat in `t geheel geen blaam op zijn karakter is, maar wij hebben geen reden om te denken, dat de mensen vriendelijk waren, of dat hij zijn kontanten aan hun edelmoedigheid verschuldigd was. Maar
d. het vreemdste van alles was, dat hij een stuk grond kocht, terwijl hij zelf wist, dat het hele land zou verwoest worden, en in de handen van de Chaldeën vallen zou, en wat zou hij er dan aan hebben? Maar het was Gods wil, dat hij het kopen zou, en hij onderwierp zich, hoewel het geld weggeworpen scheen te zijn. Zijn bloedverwant kwam het hem aanbieden, hij zocht het zelf niet, hij begeerde niet huis aan huis en akker aan akker te trekken, maar de Voorzienigheid bracht het tot hem, en het was waarschijnlijk een goede koop, bovendien, het recht van lossen behoorde hem, vers 8, en als hij weigerde, zou hij niet handelen als een bloedverwant. Het is waar, dat hij, volgens de wet, mocht weigeren, maar, als profeet, moest hij doen, wat tot eer van zijn beroep strekken zou. "Want aldus betaamt het ons alle gerechtigheid te vervullen," Mattheus 3:15. Het was land, dat binnen het gebied van een priesterlijke stad lag, en als hij weigerde, was er gevaar, in die tijden van beroering, dat het aan iemand van een anderen stam verkocht werd, wat in strijd met de wet was, en om dit te voorkomen was het voegzaam, dat hij het kocht. Ook zou het een vriendelijkheid jegens zijn bloedverwant zijn, die op dit ogenblik waarschijnlijk groot gebrek aan geld had. Jeremia had slechts weinig, maar wat hij had, was hij bereid zo te beleggen, als het meest strekken kon ter ere Gods en ten beste van zijn vrienden en zijn land, dat hij boven zijn eigen bijzondere belangen stelde.
2. Twee dingen zijn er op te merken betreffende deze koop.
A. Hoe rechtschapen de koop gesloten werd. Toen Jeremia merkte, "dat het des Heeren woord was," doordat Hanameël tot hem kwam, zoals God hem vooruit gezegd had, en hij besloten was deze koop te sluiten, wierp hij geen bezwaren op, maar kocht de akker. En
a. Hij was zeer eerlijk en nauwgezet in de betaling van het geld. Hij woog het geld "op de weegschaal," hij drong hem niet, hem op zijn woord te geloven, hoewel hij hem na bestond, maar woog het hem het uit, in gangbaar zilver. Het waren "zeventien zilveren sikkelen," ongeveer evenveel als vier en twintig gulden van onze munt. Het was waarschijnlijk maar een kleine akker en van geringe opbrengst, daar de koopprijs zo laag was: bovendien had Jeremia het erfrecht, zodat hij alleen het leven van zijn bloedverwant moest uitkopen, daar de opvolging hem al verzekerd was. Sommigen menen, dat dit alleen het onderpand van een groter som was, maar wij zullen niet verwonderd zijn over de kleinheid van de som, als wij bedenken wat een geldschaarste er te dien tijde heerste en hoe weinig waarde landbezit had. b. Hij was zo verstandig en voorzichtig de brief te bewaren. Hij werd onderschreven ten overstaan van getuigen. Hij werd verzegeld, maar het afschrift niet, misschien was de verzegelde brief voor hem zelf, en de open brief bestemd om geborgen te worden in het openbaar register van overdrachten, voor ieder, die er belang bij had het te raadplegen. Nauwlettendheid en voorzichtigheid in zulk soort zaken zou heel wat onrecht en twist kunnen voorkomen. De actestukken werden in de hand van Baruch gegeven, ten overstaan van getuigen, en hem werd bevolen ze te doen in een "aarden vat" (een zinnebeeld van de aard van iedere zekerheid, waarop de wereld aanspraak kan maken ons te geven, bros en licht te breken), "opdat zij vele dagen mogen bestaan," ten dienste van Jeremia's erfgenamen, na de terugkeer uit de gevangenschap, want dan konden zij het profijt hebben van deze koop. Het kopen van erfgoederen kan een vriendelijkheid zijn jegens hen, die na ons komen, en een goed man "zal van zijn kinds kinderen doen erven."
B. Met welke bedoeling hij deze koop gesloten heeft. Het was om te betekenen, dat hoewel Jeruzalem nu belegerd werd, en het hele land voor verwoesting bloot lag, de tijd toch komen zou, dat huizen en velden en wijngaarden in dit land gekocht zouden, vers 15. Evenals God aan Jeremia opgedragen had om zijn voorspellingen van de naderende verwoesting van Jeruzalem te bevestigen door zijn eigen voorbeeld en ongehuwd te leven, zo droeg Hij hem nu op zijn voorspellingen van de toekomstige herstelling van Jeruzalem te bevestigen door zijn eigen voorbeeld en deze akker te kopen. Het voegt predikanten door hun hele houding te laten uitkomen, dat zij zelf geloven, wat zij anderen prediken, en om dat te kunnen doen, en te dieper indruk te maken op hun hoorders, moeten zij vaak zichzelf verloochenen, zoals Jeremia in beide deze gevallen deed. Daar God beloofd heeft, dat dit land opnieuw in `t bezit van Zijn volk komen zal, wil Jeremia daar aandeel in nemen, ten behoeve van zijn erfgenamen. Het is goed om ook onze wereldse zaken waar te nemen in het geloof, en onze gewone bezigheden te verrichten met het oog op de voorzienigheid en belofte van God. Lucius Florus verhaalt als een groots voorbeeld van de dapperheid van de Romeinse burgers, dat ten tijde van de tweede Punische oorlog, terwijl Hannibal Rome belegerde en het niet veel scheelde, of hij zich er van meester gemaakt had, een akker, waarop een deel van zijn leger gekampeerd was, die juist toen te koop geboden werd, onmiddellijk gekocht werd, in de vaste overtuiging dat de Romeinse dapperheid het beleg zou doen opbreken (lib 2 cap. 6). En hebben wij niet veel meer reden om al het onze te wagen in vertrouwen op het woord van God, en te treden in de dienst van Zions belangen, die ongetwijfeld tenslotte de grootste waarde zullen hebben? Non si male nunc et olim sic erit-Al lijden wij nu, wij zullen niet altijd lijden.