2 Koningen 24:1-7
Wij hebben hier de eerste vermelding van een naam, die beide in de geschiedenissen en in de profetieën van het Oude Testament een groot figuur maakt, namelijk Nebukadnezar koning van Babel, vers 1, het gouden hoofd. Een machtig vorst, die de schrik was van de machtigen in het land van de levenden, en toch zou zijn naam niet bekend zijn in de Heilige Schrift indien hij niet gebruikt zou zijn geworden in de verwoesting van Jeruzalem en de gevangenschap van de Joden.
I. Hij maakte zich Jójakim schatplichtig, en hield hem drie jaren in onderworpenheid, vers 1. Nebukadnezar begon zijn regering in het vierde jaar van Jójakim, in zijn achtste jaar maakte hij hem tot zijn gevangene, maar herstelde hem op de troon na zijn belofte van trouw, die belofte heeft hij ongeveer drie jaren gehouden maar toen kwam hij in opstand, waarschijnlijk in de hoop van hulp te zullen ontvangen van de koning van Egypte. Indien Jójakim zijn God had gediend, zoals hij Hem had moeten dienen, hij zou geen dienstknecht van de koning van Babel geweest zijn, maar God wilde hem aldus het verschil doen kennen tussen Zijn dienst en de dienst van de koninkrijken van de landen 2 Kronieken 12:8.
Indien hij berust had in zijn dienstbaarheid en zijn woord had gehouden, zijn toestand zou niet slechter geweest zijn, maar rebellerende tegen de koning van Babel stortte hij zich in grotere moeilijkheid.
II. Toen hij rebelleerde zond de koning van Babel zijn krijgsmacht tegen hem om zijn land te verwoesten, benden van Chaldeën, Syriërs Moabieten, Ammonieten, die nu allen in de dienst en de soldij waren van de koning van Babel, vers 2, en daarbij toonden dat zij hun oude vijandschap tegen Israël en Israëls God hadden behouden.
Toch wordt hier niet gezegd dat zij een opdracht hadden van de koning van Babel, maar wel dat de Koning van de koningen hen had gezonden. De Heere zond al deze benden tegen hem. En wederom in vers 3 :
Zekerlijk geschiedde dit naar het bevel des HEEREN tegen Juda, want anders zou het bevel van Nebukadnezar het niet gekund hebben. Velen dienen Gods doeleinden zonder er zich van bewust te zijn.
Twee dingen heeft God bedoeld door toe te laten dat Juda aldus geteisterd werd.
1. De straf van de zonden van Manasse, die God thans bezocht aan het derde en vierde geslacht. Zolang heeft Hij gewacht met die te bezoeken, om te zien of het volk berouw zou hebben en zich zou bekeren, maar zij bleven onboetvaardig, in weerwil van Josia's pogingen tot hervorming, en zij waren gereed en bereid om bij de eerste omkering weer in hun vroegere afgoderij te vervallen.
Nu zal het oude oordeel over hen komen, dat bij God was opgesloten verzegeld in Zijn schatten, Deuteronomium 32:34, Job 14:17, en gedenkende daaraan, heeft Hij Juda van voor Zijn aangezicht weggedaan, en liet Hij van de wereld weten dat de tijd de schuld van de zonde niet wegneemt, en dat uitstel van straf geen kwijtschelding is van straf. Alles wat Manasse gedaan heeft werd herdacht, maar inzonderheid het onschuldig bloed, dat hij heeft vergoten, wij kunnen veronderstellen dat daar veel bloed bij was van Gods getuigen en van Zijn aanbidders, daarom wilde de HEERE niet vergeven.
Is er dan behalve het lasteren van de Heilige Geest nog een onvergeeflijke zonde? Dit is bedoeld van het kwijtschelden van tijdelijke straf.
Manasse heeft berouw gehad en zich bekeerd, en wij hebben reden te geloven dat zelfs de vervolgingen en de moorden, waaraan hij zich had schuldig gemaakt, hem vergeven waren, zodat hij verlost was van de toekomenden toorn, maar als nationale zonden lag de last er van nog op het land.
Misschien leefden nu nog sommigen, die er aan geholpen en er toe aangezet hadden, en ook de tegenwoordige koning had onschuldig bloed op zijn geweten, zoals blijkt uit Jeremia 22:17.
Zie welk een tergende zonde moord is, hoe luid zij roept, en hoe lang! Zie hoe nodig het is voor de volken om de zonden hunner vaderen te betreuren, opdat zij er niet voor lijden.
2. God bedoelde er de vervulling mee van de profetieën, het was naar het woord des Heeren dat Hij gesproken had door de dienst van Zijn knechten de profeten. Veeleer zal Juda weggedaan worden van voor Zijn aangezicht, ja veeleer zullen hemel en aarde voorbijgaan, dan dat een enig woord van God ter aarde zal vallen. Bedreigingen zullen even zeker ten uitvoer worden gelegd als beloften vervuld zullen worden, indien het niet door de bekering des zondaars voorkomen wordt.
III. Ook de koning van Egypte werd door de koning van Babel tenonder gebracht en hem een groot deel van zijn land ontnomen, vers 7.
Het was nog niet lang geleden dat hij Israël had verdrukt, Hoofdstuk 23:33 , nu wordt hij zelf naar beneden gebracht, buiten staat gesteld om iets te beproeven ter verkrijging van hetgeen hij verloren had, of om zijn bondgenoten te hulp te komen, hij durft niet meer uit zijn land komen. Later heeft hij beproefd om Zedekia enige hulp te verlenen, maar werd genoodzaakt zich terug te trekken, Jeremia 37:7.
IV. Jójakim, zijn land verwoest ziende en hij zelf in gevaar de vijand in handen te vallen, stierf van hartzeer, naar het schijnt, in het midden van zijn dagen, vers 6.
Alzo ontsliep Jójakim met zijn vaderen, maar er wordt niet gezegd, dat hij begraven werd bij zijn vaderen, want ongetwijfeld is de profetie van Jeremia vervuld geworden, dat hij niet beklaagd zal worden, zoals zijn vader, en dat hij "met een ezelsbegrafenis begraven zal worden," Jeremia 22:18, 19, en zijn dood lichaam weggeworpen worden, Jeremia 36:30.