2 Samuël 19:9-15
Het is vreemd dat David na de nederlaag en de verstrooiing van Absaloms krijgsmacht niet in allerijl wederkeerde naar Jeruzalem, om zijn hoofdstad weer in bezit te nemen, terwijl de rebellen nog in verwarring waren en voordat zij zich wederom konden herstellen en herzamelen. Waarom was het nodig hem terug te brengen? Kon hij niet uit zichzelf teruggaan met het zegevierende leger, dat hij in Gilead had? Ongetwijfeld kon hij dit, maar:
1. Hij wilde terugkomen als een vorst met de algemene instemming en goedkeuring van het volk, niet als een veroveraar, die zich met geweld een weg baant naar de troon, hij wilde hun vrijheden herstellen, en geen aanleiding nemen om inbreuk te maken op hun rechten.
2. Hij wilde terugkomen in vrede en veiligheid, en zeker wezen, dat hij nu geen moeilijkheid op zijn weg zou ontmoeten, geen tegenstand zou ondervinden bij zijn terugkomst, om alzo de overtuiging te hebben dat het volk hem welgezind was, eer hij een voet wilde verzetten.
3. Hij wilde terugkomen met eer en in zijn eigen karakter, dus niet aan het hoofd van zijn krijgsmacht, maar in de armen van zijn onderdanen, want de vorst, die door zijn wijsheid en goedheid de lieveling zijns volks is, heeft groter, eervoller aanzien dan de vorst, die door zijn sterkte en macht de schrik zijns volks is geworden.
Er wordt dus besloten dat David met enige plechtigheid teruggebracht zal worden naar Jeruzalem, zijn eigen stad en in zijn eigen huls aldaar, en hier zien wij hoe dit plan overlegd wordt.
I. De mannen Israëls (dat is: de tien stammen) waren de eersten, die hiervan spraken, vers 9, 10. Het volk was in geschil er over het was het grote onderwerp van gesprek en geschil in geheel het land. Sommigen hebben er zich misschien tegen verzet, zeggende: "Laat hem zelf terugkomen, of blijven waar hij is." Anderen schenen er voor te ijveren, en redeneerden om het plan tot stand te brengen, als volgt:
1. Dat David hen vroeger had geholpen, hun oorlogen had gevoerd, hun vijanden tenonder had gebracht, en hun grote diensten had bewezen, daarom was het een grote schande, dat hij uit hun land gebannen zou blijven, die er zo'n grote weldoener van is geweest. Goede diensten, aan het publiek bewezen, kunnen wel voor een wijle worden vergeten, maar als de mensen tot hun zinnen komen, dan zullen zij herdacht worden.
2. Dat Absalom hen teleurgesteld had. "Wij hebben dwaselijk gewalgd van de ceder, en de doornbos verkozen om over ons te heersen, maar wij hadden nu genoeg van hem, hij is verteerd, en wij zijn er ternauwernood aan ontkomen, om met hem verleerd te worden, laat ons dus terugkeren tot onze trouw en er aan denken om de koning terug te brengen." Misschien bestond hierin de twist onder het volk, geen geschil of zij de koning al of niet zouden terugbrengen, (allen waren het eens, dat dit gedaan moest worden) maar wiens schuld het was, dat het niet gedaan was, zoals dit gewoonlijk gaat in zulke gevallen, iedereen rechtvaardigde zichzelf en laakte zijn naaste. Het volk gaf de schuld aan de oudsten, en de oudsten aan het volk, en de ene stam aan de andere stam. Wederzijdse opwekking om een goed werk te doen is loffelijk maar niet wederzijdse beschuldigingen van het niet gedaan te hebben, want als openbare diensten veronachtzaamd worden, dan ligt gewoonlijk de schuld bij allen, ieder zou meer kunnen doen dan hij doet tot verbetering van de zeden, het bijleggen van geschillen en dergelijke zaken meer.
II. David heeft bewerkt dat de mannen van Juda de eersten waren, die het deden. Het is vreemd dat zij, die van Davids eigen stam waren, er niet zo ijverig voor waren als de anderen. David had bericht ontvangen van de goede gezindheid van al de overigen jegens hem, maar niet van Juda, ofschoon hij zich altijd zeer bijzonder aan hen gelegen had laten liggen. Maar wij ondervinden niet altijd de meeste vriendelijkheid van hen, van wie wij haar het meest konden verwachten. Maar David wilde niet terugkeren voor hij het gevoelen kende van zijn eigen stam, Juda is zijn wetgever, Psalm 60:9 opdat zijn weg naar huis geheel effen zou zijn.
1. Hij gebruikt Zadok en Abjathar, de twee voornaamste priesters, om met de oudsten van Juda te onderhandelen en hen op te wekken om de koning uit te nodigen naar zijn huis terug te keren, zijn huis, dat de glorie was van hun stam, vers 11, 12. Geen geschikter mannen om over die zaak te onderhandelen dan de twee priesters, die Davids belangen van harte waren toegedaan, mannen waren van verstand en overleg, en die grote invloed hadden bij het volk. Misschien waren de mannen van Juda nalatig en onverschillig, en hebben zij het niet gedaan, omdat niemand er hen toe aanzette, en zo was het dan goed en voegzaam om er hen toe op te wekken. Velen willen wel volgen in een goed werk, die er toch niet in willen voorgaan, het is jammer, dat deze werkeloos blijven, omdat er niemand is die hen toespreekt en aanspoort. Of misschien waren zij zich bewust, hoe groot de belediging was, die zij David hebben aangedaan door zich met Absalom te verenigen, zodat zij bevreesd waren hem terug te brengen, wanhopende aan zijn gunst, daarom geeft hij zijn agenten volmacht om hen hiervan te verzekeren met dit argument: "Gij zijt mijn broeders, mijn been en mijn vlees zijt gij, daarom kan ik niet streng voor u wezen." Het heeft de Zone Davids behaagd ons broeders te noemen, Zijn been en Zijn vlees, hetgeen ons aanmoedigt te hopen dat wij gunst bij Hem zullen vinden. Of misschien wilden zij zien wat de overige stammen zouden doen, voordat zij iets deden dat hun hier verweten wordt: De rede van het gehele Israël is tot de koning gekomen om hem uit te nodigen terug te komen, en zal dan Juda, die de eerste had moeten wezen om dit te doen, de laatste zijn? Waar is nu de beroemde kloekmoedigheid van die koninklijke stam, waar zijn trouw? Wij moeten opgewekt worden tot hetgeen groot en goed is door het voorbeeld, zowel van onze voorouders als van onze naburen, alsmede uit aanmerking van onze rang en stand. Laat hen, die de eersten zijn in waardigheid niet de laatsten wezen in plichtsbetrachting.
2. Zeer bijzonder tracht hij Amasa voor zijn zaak en belang te winnen, die Absaloms krijgsoverste is geweest, maar zijn eigen neef was, evengoed als Joab, vers 13. Hij erkent hem als zijn bloedverwant, en belooft hem dat, zo hij zich nu voor hem wilde verklaren, hij hem tot kapitein- generaal zou aanstellen over geheel zijn krijgsmacht, in de plaats van Joab, hem niet alleen vergeving zou schenken-waaraan Amasa misschien getwijfeld heeft-maar hem zou bevorderen. Soms wordt er niets bij verloren om de vriendschap te kopen van iemand, die een vijand geweest is. Amasa's invloed kon David in dit tijdsgewricht zeer ten goede komen. Maar zo David voor zichzelf wijselijk gehandeld heeft met Amasa voor die post aan te wijzen, (daar Joab zich nu ondraaglijk hoogmoedig gedroeg) heeft hij toch jegens Amasa niet vriendelijk gehandeld door dit zijn voornemen bekend te maken, want het heeft Amasa's dood door Joabs hand tengevolge gehad, Hoofdstuk 20:10.
3. Hiermede was het doel bereikt. Hij neigde het hart van alle mannen van Juda om zich eenstemmig voor de terugroeping des konings te verklaren, vers 16. Gods voorzienigheid heeft hen door de redenen van de priesters en Amasa's invloed tot dit besluit gebracht. David deed geen stap voor hij deze uitnodiging verkreeg, en toen keerde hij terug tot aan de Jordaan, bij welke rivier zij hem tegemoet moesten komen vers 15. Onze Here Jezus zal heersen in hen, die Hem uitnodigen bezit te nemen van de troon in hun hart, maar niet voordat Hij er toe uitgenodigd is. Eerst buigt Hij het hart, en maakt het gewillig ten dage van Zijn heirkracht, en dan "heerst Hij in het midden van Zijn vijanden," Psalm 110:2, 3.