Jeremia 37:1-10
Hier wordt
1. Jeremia's prediking versmaad, vers 1, 2. Zedekia volgde Chonja of Jechonja op en, hoewel hij in zijn voorganger zag, welke noodlottige gevolgen het in de wind slaan van Gods woord met zich mee sleept, toch spiegelde hij zich niet daaraan of gaf er ook maar enige aandacht meer aan dan anderen vóór hem er aan gegeven hadden. "Hij hoorde niet, hij, noch zijn knechten, noch het volk des lands, naar de woorden des Heeren, hoewel zij alrede begonnen vervuld te worden",
Merk op: Dezulken, die Gods oordelen over anderen hebben gezien en voelen, dat zij er ook onder liggen en zich toch niet willen vernederen en aandacht schenken aan `t geen Hij zegt, moeten inderdaad wel zeer verhard zijn. Daar waren bewijzen genoeg voor hen, dat `t de "Heere" was, die tot hen sprak door Jeremia, de profeet, en toch wilden zij niet naar deze horen.
2. Wordt Jeremia verzocht om voor hen te bidden. Zedekia zond boodschappers naar hem, zeggende: Bid toch voor ons tot de Heere onze God. Hij had dit al eens eerder gedaan, Hoofdstuk 21:1, 2, en Zefanja, een van de boodschappers, werd beide keren daarvoor gebruikt. Dit is te prijzen in Zedekia en het toont aan dat er nog enig goed in hem was, wat gevoel van behoefte aan Gods gunst en van eigen onwaardigheid om daarom zelf te vragen. Ook blijkt, dat hij goede mensen en dienaren op prijs stelde, die zich met hemelse dingen bezig hielden. Laten we er om denken, dat wanneer we in droefheid zijn, wij om de voorbede van onze leraars en broeders in Christus behoren te verzoeken, want zodoende doen we het gebed eer aan en achten we onze broederen. Koningen moeten in hun biddend volk de kracht van de natie zijn, Zacheria 12:5, 10. En toch veroordeelt dit alles Zedekia te meer en spreekt hij zichzelf schuldig. Als hij inderdaad Jeremia voor een profeet hield, wiens gebeden hem en zijn volk konden baten, waarom geloofde hij hem dan niet en "hoorde hij niet naar de woorden des Heeren," die Hij sprak door hem? Hij verzocht hem, goed voor hem te bidden, maar hij wilde zijn goede raad niet aannemen, noch door hem geregeerd worden, hoewel hij in Gods naam sprak en het blijkt, dat Zedekia dit ook wist.
Merk op: het komt vaak voor, dat dezulken, die niet geraden willen zijn, verzoeken om voorbede, maar hiermee bedriegen zij zichzelf want hoe kunnen ze verwachten, dat God het gebed van anderen voor ons zou horen, indien wij niet willen, dat zij ons van Hem spreken en in Zijn naam? Velen, die een afkeer van bidden hebben als `t hun voorspoedig gaat, zullen er zich in verheugen als de tegenspoed daar is. Dan is het: "Geef ons van uw olie". Zedekia zond naar de profeet om voor hem te bidden, maar `t was beter geweest, wanneer Gij naar de profeet gezonden had om met hem te bidden, doch dat achtte hij beneden zich. Hoe kan men de troost van de godsdienst verwachten, als men niet wil buigen en dienen?
3. Jeruzalem vleide zich door het terugtrekken van `t leger van de Chaldeën. Jeremia was nu in vrijheid, vers 4, hij was ingaande en uitgaande in het midden des volks, mocht vrijelijk tot hen spreken en zij ook tot hem. Jeruzalem was ook, voor `t ogenblik althans, vrij, vers 5. Zedekia had, hoewel hij schatplichtig was aan de koning van Babel, een verbond aangegaan met Farao, koning van Egypte. Ter oorzake van dit onderhandse verbond kwam de koning van Babel om hem voor zijn verraad te straffen. De koning van Egypte nu, zond strijdknechten om Jeruzalem te ontzetten, toen het belegerd werd. Na die grote nederlaag, die Nebukadnezar hem toegebracht had onder de regering van Jojakim, 2 Koningen 24:7, toog hij zelf niet meer uit zijn land. Toen het bekend werd, dat de Egyptische troepen naderden, braken de Chaldeën het beleg op, waarschijnlijk niet uit vrees, maar met de bedoeling ze op een afstand te verslaan voordat nog de Joodse strijdkrachten zich met hen konden verenigen. Dit opbreken van `t beleg moedigde de Joden aan om te hopen, dat Jeruzalem voor goed en geheel van vijanden bevrijd zou zijn en dat de storm nu volkomen overgewaaid was.
Merk op: Door de tijdelijke afbreking van de oordelen en het langzame in de uitvoering er van worden de zondaars gewoonlijk verhard in hun valse gerustheid. Zij, die door het Woord Gods niet wakker geschud willen worden, zouden door Gods Voorzienigheid weleens terecht in slaap gebracht kunnen worden.
4. Wordt Jeruzalem bedreigd met de terugkeer van het leger van de Chaldeën, die het verwoesten zal. Zedekia zendt naar Jeremia om hem te verzoeken voor hen te bidden, dat het leger van de Chaldeën niet mocht wederkeren, doch Jeremia geeft hem te kennen, dat het vonnis al voltrokken wordt en dat het van hen een dwaasheid was vrede te verwachten, want God had een twistzaak met hen die Hij tot een einde wilde brengen: Zo zegt de heere: bedriegt uw zielen niet, vers 9. Let er op, dat Satan zelf, hoewel hij de grote verleider is, ons niet zou kunnen bedriegen, indien wij ons zelf niet bedrogen en dus is de zondaar zijn eigen verwoester, daar hij zich zelf bedriegt en wat het nog erger maakt is dit, dat hij hiertegen zo dikwijls gewaarschuwd wordt en vermaand zichzelf niet te bedriegen. En heeft hij niet het Woord van God, dat gegeven is om hem de ogen te openen? Jeremia gebruikt geen duistere overdrachtelijke taal, maar zegt hun eenvoudig
a. dat de Egyptenaars zullen wijken en of zelf teruggaan of teruggedreven worden naar "hun eigen land," Ezechiël 17:17, hetgeen vroeger al gezegd is, Jesaja 30:7 en hier weer wordt herhaald, vers 7. De Egyptenaars zullen vergeefs ter hulpe snellen, zij zullen het leger van de Chaldeën niet durven ontmoeten, maar zullen met haast terugtrekken.
Merk op, dat indien God ons niet helpt, geen schepsel iets voor ons kan doen. Daar er geen macht boven Gods macht is, zo kan niemand ons helpen buiten God om of het ons vergoeden, wanneer wij door Hem verlaten zijn.
b. Dat de Chaldeën terug zullen komen en het beleg weer om Jeruzalem slaan en het met grotere kracht voortzetten. Zij zullen niet wegtrekken voor goed, vers 9. Zij zullen wederkeren, vers 8, zij zullen tegen deze stad strijden. Let er op, dat God de opperheerschappij heeft over alle heirscharen van mensen, zelfs over diegenen, die Hem niet kennen en niet erkennen, en Hij gebruikt ze allen waarvoor Hij wil. Hij bestuurt hun opmars, hun frontverandering, hun nederlagen, hun terugkeer, zoals het Hem behaagt, en strijdlustige legers brengen in al hun bewegingen, evenals de stormwinden, Zijn woord in vervulling.
c. Dat Jeruzalem zeker in de handen van de Chaldeën zal overgeleverd worden. Zij zullen deze stad nemen en zullen ze met vuur verbranden, vers 8. Het gevelde vonnis zal aan haar voltrokken worden en zij zullen de uitvoerders zijn. "Ja, maar," (zeggen zij) "De Chaldeën zijn weggetrokken, zij hebben de onderneming als hopeloos opgegeven." "En hoewel zij dit gedaan hebben," zegt de profeet, "ja zelfs, al sloegt gijlieden hun gehele heir en er bleven van hen enige verwonde mannen over, zo zouden zich die, een ieder in zijn tent, opmaken, en deze stad met vuur verbranden," vers 10. Hiermee wordt aangetoond, dat het vonnis, over Jeruzalem uitgesproken, onherroepelijk vast staat en de verwoesting van de stad onvermijdelijk is: zij moet in puin gelegd worden en deze Chaldeën zijn de mensen, die dit moeten doen, en nu is het nutteloos te denken die slag nog te voorkomen of zich er tegen te verzetten. Let er op, dat God de instrumenten, die Hij besloten heeft te gebruiken, hoe onbekwaam en ongeschikt die in zich zelf ook mogen zijn, dat zal laten volbrengen, waartoe ze aangewezen zijn, welke dienst dan ook, hetzij Hij ze gebruikt om Zijn oordelen uit te voeren of in de dienst van de genade. Zij, die tot uitredders aangewezen zijn, zullen dit ook zijn, en die God tot verwoesters gebruiken wil, zullen verwoesting aanrichten, ja, al waren zij ook allen gewonden. Heeft God werk te doen, dan ontbreekt het Hem niet aan instrumenten, hoewel zij soms ver te zoeken schijnen te zijn, en dus, als God Zijn instrumenten gekozen heeft, dan zullen zij het werk doen, hoe onwaarschijnlijk zij het ook volbrengen kunnen.