Jeremia 21:1-7
Wij hebben hier
I. Een zeer nederige, bescheiden boodschap die koning Zedekia, toen hij in benauwdheid was, tot Jeremia de profeet zond. Zedekia wordt beschuldigd, "dat hij zich niet verootmoedigde voor het aangezicht van de profeet Jeremia, sprekende uit de mond des Heeren," 2 Kronieken 36:12. Alleen soms verootmoedigde hij zich, hij deed dat slechts wanneer de nood hem dreef, hij verootmoedigde zich in zoverre, dat hij des profeten bijstand inriep, maar niet tot het aanvaarden van zijn raad en Gods gebod. Let hier op:
1. De ellende, waarin Zedekia zich nu bevond: "Nebukadnezar voerde oorlog tegen hem," drong niet alleen in zijn land door, maar belegerde ook de stad, die nu geheel werd ingesloten. Zij, die de kwade dag ver stellen zullen te meer verschrikken, als die komt, en zij, die tevoren de spot dreven met Gods dienaren zullen wellicht blij zijn, als zij in kennis niet hen mogen komen.
2. De boodschappers, die hij zond: "Pashur en Zefanja," de een behorende tot de vijfde priesterorde, de ander tot de vierentwintigste, 1 Kronieken 24:9, 18. Het was goed, dat hij iemand zond, en dat hij aanzienlijke personen zond, maar beter zou het geweest zijn, indien hij een persoonlijk onderhoud met hem had begeerd, wat zeker gemakkelijk had kunnen plaats hebben, als hij zich zo ver had willen vernederen. Wellicht waren deze priesters niet beter, dan de overigen, en toch, nu hebben zij een eerbiedige boodschap tot de profeet te brengen, die hun een ergernis en de profeet een eer was. Hij had in zijn haast gezegd, Hoofdstuk 20:18 : " Mijne dagen vergaan in beschaamdheid ", en hier zien wij, dat hij betere dagen mag beleven dan die waarin hij zijn klacht uitte, thans wordt hij geëerd en gezocht. Het is dus dwaasheid, te zeggen, wanneer de dingen ons tegen zijn "Zo zal het wel altijd gaan." Mogelijk zullen zij, die nu veracht worden, eens gerespecteerd worden, beloofd is, dat zij, "die God eren, door Hem geëerd zullen worden, en allen, die hen gelasterd hebben, zullen zich neerwerpen aan Uw voeten," Jesaja 60:14.
3. De boodschap zelf. Vraag toch de Heere voor ons, vers 2. Nu het Chaldeeuwse leger de grenzen overschreden heeft en dieper in het land doordringt, worden zij eindelijk overtuigd, dat Jeremia een waar profeet was, al aarzelen zij het te erkennen, en al komen ze er vrij laat mee. In deze overtuiging begeren zij, dat hij bij God voor hen spreken zal, in de mening dat hij in de hemel meer invloed heeft dan hun andere profeten, die hen met hoop op vrede hadden gevleid. Zij gebruiken Jeremia nu:
a. Om Gods gezindheid jegens hen te vernemen. "Vraag toch de Heere voor ons, vraag Hem, wat wij in de tegenwoordige moeilijke omstandigheden moeten doen, want de tot nu toe genomen maatregelen hebben gefaald." Zie, degenen die Gods gebod niet wilden aannemen om van hun zonde bevrijd te worden zijn blij Zijn gebod te vernemen om van hun ellende vrij te komen.
b. Om Gods gunst voor hen te zoeken. "Vraag de Heere voor ons, wees onze voorspraak bij Hem." Zie, wie de gebeden van Gods volk en dienaren verachten, als zij voorspoed hebben, zullen ernaar verlangen, wanneer rampspoed hen treft. "Geeft ons van uw olie." Het voordeel, dat zij zichzelf beloven, is: "Misschien zal de Heere met ons doen naar al Zijn wonderen, dat hij, Nebukadnezar, van ons optrekke, dat hij het beleg opbreke". Merk op:
c. Hun enige zorg is, van hun ellende verlost te worden, niet vrede met God te maken en met Hem zich te verzoenen. "Dat onze vijand van ons optrekke", niet, "dat God tot ons terugkere." Zo bad Farao, Exodus 10:17. Bidt vuriglijk tot de Heere uw God, dat Hij slechts deze dood van mij wegneme."
d. Al hun hoop is gevestigd op de wonderen, die God vroeger gedaan had, toen Hij Jeruzalem van Sanherib, die het belegerde, bevrijdde, toen Jesaja voor hen gebeden gehad, 2 Kronieken 32:20, 21. Wie weet, of Hij ook nu niet de belegeraars op Jeremia's gebed zal verstrooien. Maar zij bedenken niet, hoe verschillend de wandel van Zedekia en zijn volk was, vergeleken met de dagen van Hiskia en het toenmalige Juda. Gene was een tijd van algemene reformatie en bekering, deze van algemene verdorvenheid en afval. Jeruzalem verschilt nu van het Jeruzalem van toen als nacht en dag. Zie, het is dwaasheid te geloven dat God voor ons, als wij onze ongerechtigheid vasthouden, doen zal wat Hij gedaan heeft, toen wij aan godsvrucht ons vastklemden.
II. Een scherp, diep teleurstellend antwoord geeft God door Zijn profeet op die boodschap. Had Jeremia uit zichzelf een antwoord moeten bedenken, dan konden wij een geruststellend bescheid verwacht hebben, in de mening, dat hun zending een teken van goede voornemens was, wat hij gaarne zag, omdat hij de dag van de wrake niet begeerde. Maar God kent hun hart beter dan Jeremia en zendt hun een antwoord, waarin nauwelijks een enkel woord van troost. Hij zendt het hun in de naam van de Heere de God Israëls, vers 3, om hun aan te zeggen, dat, hoewel Hij zich door hen de God Israëls liet noemen, vroeger grote dingen voor Israël gedaan had, en nog grote dingen zou doen als Hij een nieuw verbond met hen zou oprichten, dit het tegenwoordige geslacht niet zou baten, dat slechts in naam Israëlieten waren, niet metterdaad, daar zij hun betrekking tot de God Israëls afgesneden hadden. Hier wordt hun dan voorspeld,
1. Dat God al hun maatregelen voor hun eigen veiligheid te schande zal maken, vers 4 :"Wel verre van uw handen tot de krijg te bekwamen en uw zwaarden te scherpen, zal Ik de krijgswapenen omwenden, die in ulieder hand zijn, wanneer gij een uitval zult doen om de belegeraars te verjagen". Ze zullen falen in uw hand, ja, u zelf kwetsen, tegen u zelf gekeerd worden. Wanneer God tegen ons is, wie zal dan voor ons zijn?
2. Dat de belegeraars binnen korte tijd zich meester zullen maken van Jeruzalem en van al haar weelde en sterkte: "Ik zal ze, de vijanden, verzamelen in het midden van deze stad, die ze nu omsingelen". Zie, zo deze plaats, die een middelpunt van godsvrucht had moeten zijn een middelpunt van goddeloosheid geworden was, kan het niet bevreemden, dat God ze vervult met verwoesters.
3. Dat God zelf hun vijand zal zijn, en dan kan niemand hun enig goed doen, zelfs Jeremia niet, vers 5. Ik zal verre zijn van u te beschermen, gelijk Ik tevoren in gelijk geval gedaan heb, Ik zelf zal tegen ulieden strijden. Zie, degenen, die tegen God zich verheffen, kunnen niets anders verwachten dan dat Hij zich tegen hen verheft, en dat,
a. met de macht van een God, die onweerstaanbaar overwint. "Ik zal tegen ulieden strijden met een uitgestrekte hand, die ver reikt, en met een sterke arm, die felle slagen toebrengt en diep wondt." b. Met het ongenoegen van een God, die onkreukbaar rechtvaardig is. Het is geen kastijding meer uit liefde, maar een gericht "in toorn en grimmigheid en grote verbolgenheid." Het is een oordeel, in toorn bezworen, tegen hetwelk geen uitzondering zal gelden, en men zal spoedig gewaar worden, hoe vreselijk het is, te vallen in de handen van de levende God.
4. Dat wie voor eigen veiligheid, geen uitval zal willen doen tegen de belegeraars en zo hun zwaard ontgaan, toch het zwaard van Gods gerechtigheid niet zal ontkomen, vers 6. Ik zal degenen, die in de stad blijven (gelijk men ook kan lezen), slaan zowel de mensen als de beesten die voor voedsel dienen, en die in de oorlog gebruikt worden, door een grote pestilentie zullen zij sterven, een pestilentie, die binnen de wallen zal woeden, terwijl de vijanden buiten de stad gelegerd zijn. Al houden Jeruzalems poorten en muren de Chaldeën voor een tijd tegen, zij kunnen Gods oordelen niet ophouden. De pijlen van zijn pestilentie kunnen zelfs hen bereiken, die zich daartegen veilig rekenen.
5. De koning zelf en al het volk, dat aan het zwaard, de honger en de pestilentie ontkomt, zullen vallen in de hand van de Chaldeën die ze in koelen bloede zullen vermoorden vers 7. Zij zullen ze niet sparen, noch verschonen noch zich ontfermen. Laat niemand wanen, barmhartigheid te mogen verwachten voor lieden, die Gods lankmoedigheid verbeurd en zich buiten Zijn genade gesloten hebben. Dus was het besluit uitgegaan, en wat zou het dan Jeremia baten, de Heere voor hen te vragen?