Jeremia 2:9-13
Nadat de profeet aangetoond heeft hoe laaghartig ondankbaar zij waren door God te verlaten, toont hij hier hoe onvergelijkelijk lichtzinnig en dwaas dat geweest is, vers 9. Ik zal nog (nu) met u twisten. Alvorens God de zondaren straft, twist Hij met hen, ten einde hen tot berouw te brengen. Wanneer er veel over het kwaad van de zonde gezegd is, blijft er altijd nog meer te zeggen over. Wanneer een punt van de aanklacht goed gemaakt is, kan een ander aan de orde gesteld worden, wanneer wij veel in `t midden gebracht hebben, kan aangetoond worden "dat er nog redenen voor God zijn," Job 36:2. Zij, die met zondaren tot hun overtuiging handelen, moeten een menigte van argumenten aanvoeren en daarmee voortgaan. God had tevoren met hun vaderen gepleit en gevraagd, waarom zij de ijdelheden nagewandeld hadden en ijdel geworden waren, vers 5. Nu pleit Hij met hen die volhardden in de ijdele wandeling, die hun van de vaderen overgeleverd was en met de kinderen van hun kinderen, dat is met allen die in elke eeuw in hun voetstappen traden. Zij, die God verzaken, moeten weten dat Hij gewillig is om de zaak open met hen te behandelen, opdat Hij gerechtvaardigd worde als Hij oordeelt. Hij pleit met ons hetgeen wij met onszelf behoorden te pleiten.
I. Hij toont aan dat zij handelden tegen de gewoonten van alle andere volken. Hun buren waren hun valse goden getrouwer dan zij aan hun ware God. Zij waren naijverig om te zijn gelijk de andere volken, maar hierin waren zij deze zeer ongelijk. Hij daagt hen uit om een voorbeeld bij te brengen van een volk dat zijn goden veranderd had, vers 10,11, of geneigd was ze te veranderen. Zij mogen vrij de oude oorkonden of de tegenwoordige toestand onderzoeken van de eilanden van Chittim, Griekenland en de overige Europese landen, de gewesten die beschaafd en geleerd waren, zij mogen naar Kedar gaan (dat zuidoost van hen lag gelijk de eerstgenoemde noordwest) dat ruwer en onbeschaafder was, maar zij zouden geen voorbeeld vinden van een volk, dat zijn goden veranderd had, ofschoon die het nooit enig nut gedaan bedden of konden doen, want zij waren geen goden. Zulk een verering gevoelden zij voor hun goden, zo goede gedachten hadden zij van hen, zoveel eerbied hadden zij voor de keus hunner vaderen, dat, al waren die goden van hout of steen zij hen niet wilden ruilen voor goden van zilver of goud, neen zelfs niet voor de ware en levende God. Zullen wie hen daarom prijzen? Wij prijzen hen niet. Maar het mag wel gebruikt worden ter beschaming van Israël, het enige volk dat geen reden had om van god te veranderen, en dat tenslotte van god veranderd was. De mensen worden met moeite afgebracht van de godsdienst, waarin zij opgevoed zijn, al is die ook nog zo onzinnig en vals. De ijver en standvastigheid van afgodendienaars moest de Christenen zich doen schamen over hun koudheid en onstandvastigheid.
II. Hij toont aan dat zij handelen tegen het voorschrift van het gezond verstand, niet alleen of zozeer daarin dat zij veranderden (dat kan meermalen onze plicht en onze wijsheid zijn) maar dat zij veranderden tot erger en dus een slechte ruil deden.
1. Zij scheidden zich van een God, die hun heerlijkheid was, die hen heerlijk gemaakt en in allerlei opzicht eer op hen gelegd had, een God, in Wien zij met ootmoedig vertrouwen roemen mochten als hun God, die in Zichzelf heerlijk is en de heerlijkheid van hen, wier God Hij is. Hij was in bijzonder opzicht de heerlijkheid van Zijn volk Israël, want Zijn heerlijkheid was hun in Zijn tabernakel dikwijls verschenen.
2. Zij sloten zich aan bij goden, die hun geen goed konden doen, goden die hun aanbidders geen nut deden. Afgodendienaars veranderen Gods heerlijkheid in schande (Romeinen 1:23), en hun eigen heerlijkheid evenzeer. Zij onteren Hem en onteren zichzelf, zij zijn vijanden van hun eigen belang. Waarheen zij, die God verzaken, zich ook wenden, het zal hun nooit enig nut doen, het kan hen vleien en aangenaam zijn, maar zij hebben er geen nut van. De hemel zelf wordt hier opgeroepen om zich te ontzetten over de zonde en dwaasheid van deze afvalligen, vers 12 en 13. Ontzet u hierover, gij hemelen. De aarde is zo algemeen verdorven, dat die er geen acht op slaat, maar de hemelen en de hemelse lichamen zullen zich er over ontzetten. De zon zal zich schamen over het zien van zoveel ondankbaarheid en er door verschrikt worden dat zij zulke slechte schepselen moet beschijnen. Zij, die God verlieten, aanbaden het heir van de hemelen, zijn, maan en sterren, maar deze, inplaats van zich daardoor vereerd te gevoelen dat hun de aanbidding gebracht werd, werden ontzet en uitermate verschrikt, zij waren verschrikt en werden zeer woest, zij zouden liever hun glans verliezen dan daardoor aan iemand aanleiding te geven om hun hulde te brengen. Sommigen menen dat dit ziet op de engelen in de hemelen. indien deze zich verheugen over het terugkeren van zielen tot God, kunnen wij veronderstellen dat zij zich ontzetten en verschrikt worden over de opstand van zielen tegen Hem. De bedoeling is dat het gedrag van dit volk jegens God zodanig was, dat:
a. Wij wel verbaasd en verwonderd mogen zijn, wanneer mensen, die bewezen goed hun verstand te hebben, zulke ongerijmde dingen doen.
b. Dat wij heilig verontwaardigd moeten zijn over zulke schandelijke en verregaande belediging van onze Schepper, voor Wiens eer ieder Godvrezend mens behoort te ijveren.
c. Dat wij wel mogen sidderen bij het denken aan de gevolgen van zo'n daad. Wat zal er het einde van zijn? Wij mogen wel geweldig ontzet zijn bij de gedachte aan de toorn en de vloek, die het deel worden zullen van hen, die zich alzo buiten Gods gunst en genade plaatsen. Wat is het nu waaraan met zoveel ontzetting moet gedacht worden? Het is dit: "Mijn volk, dat Ik onderwezen heb en verder wilde leiden, heeft twee grote boosheden gedaan, ondankbaarheid en dwaasheid het heeft gehandeld zowel tegen zijn plicht als tegen zijn belang.
a. Zij hebben God, hun God, beledigd, door zich van Hem af te keren. Zij hebben Mij, de springader des levenden waters, verlaten, Mij in Wien zij een overvloedige en steeds vloeiende stroom van alle gemak en zegen, die zij behoeven, vrij zouden genoten hebben. God is de fontein des levens, Psalm 36:9. Er is in Hem een algenoegzaamheid van genade en kracht, al onze fonteinen zijn in Hem en al onze stromen uit Hem, Hem te verlaten is in werkelijkheid dit te ontkennen. Hij is voor ons een overvloedige Weldoener geweest, een springader van levende wateren overstromend, altijd stromend, in de gaven van Zijn gunst, Hem te verlaten is weigeren Zijn goedheid te erkennen en Hem de schatting van liefde en lof te onthouden, waarop Zijn vriendelijkheid aanspraak heeft.
b. Zij hebben zichzelf bedrogen. Zij hebben hun weldadigheid verlaten voor liegende ijdelheden. Zij bezorgden zich heel wat moeite, door zichzelf bakken uit te houwen, door gaten of bakken in de aarde te graven of in de rotsen te hakken, waarheen zij het water leiden zouden of die de regen opvangen moesten. Maar die bleken gebroken bakken te zijn, met onsolide bodem, die geen water houden. Wanneer zij daarheen kwamen om hun dorst te lessen, vonden zij niets dan modder en slijk, en de schadelijke producten van stilstaand water. Dat waren de afgoden voor hun aanbidders, en zo'n ruil deden zij, die zich van God tot de afgoden wendden. Indien wij van enig schepsel-rijkdom of vermaak, of eer-onze afgod maken, stellen wij ons geluk daarin en beloven ons daarvan de zegen en de voldoening, die wij alleen in God kunnen hebben. Indien wij de afgod tot onze vreugde en onze liefde maken, daar onze hoop en ons vertrouwen in stellen, zullen wij zien dat hij een waterbak is, die we met grote moeite uitgehouwen en gevuld hebben, en die op z'n best een weinig water houdt, dat dood en vuil is, tot bederf overgaat en spoedig levensgevaarlijk wordt. Neen het is een gebroken waterbak, die kraakt en scheurt bij warm weer, zodat het water verloren gaat juist als we het `t meest nodig hebben, Job 6:15. Laat ons daarom met een voornemen des harten de Heere alleen aanhangen, want tot Wien zullen wij anders gaan? Hij heeft de woorden des eeuwigen levens.