Job 36:1-4
Nog eens verzoekt Elihu om het geduld van zijn gehoor, inzonderheid van Job, want hij heeft nog niet alles gezegd wat hij te zeggen heeft, maar hij zal hen niet lang ophouden. Staat een weinig rondom mij, aldus lezen sommigen het, vers 2. "Verleent mij nog een weinig langer uw tegenwoordigheid en uw aandacht, en ik zal nog slechts ditmaal spreken, zo duidelijk en zo ter zake als het mij mogelijk is." Om te verkrijgen hetgeen waar hij om verzoekt, voert hij aan:
1. Dat hij een goede zaak heeft om over te spreken, een edel en vruchtbaar onderwerp. Er zijn nog redenen voor God. Ik heb nog ten Zijnen behoeve te spreken. Hij sprak als een advokaat voor God en daarom had hij recht om te verwachten dat het hof hem gehoor zal verlenen. Er zijn sommigen, die voorgeven ten behoeve van God te spreken, maar in werkelijkheid voor zichzelf spreken, maar zij, die in oprechtheid optreden voor de zaak van God en spreken voor Zijn eer, Zijn waarheid, Zijn wegen, Zijn volk, kunnen zich er verzekerd van houden dat hun geen onderricht zal ontbreken (het zal u die ure gegeven worden wat gij spreken zult), en dat zij noch hun zaak, noch hun loon zullen verliezen. Zij behoeven ook niet te vrezen dat hun onderwerp uitgeput zal raken. Zij, die nog zoveel voor God hebben gesproken, zullen bevinden dat er nog meer voor Hem te spreken is.
2. Dat hij iets ongewoons had te zeggen iets dat buiten de weg van de gewone opmerking viel: Ik zal mijn kennis van verre halen, vers 3, dat is: "Wij zullen de toevlucht nemen tot onze eerste beginselen en de hoogste begrippen, waarvan wij gebruik kunnen maken om er enigerlei doel mee te bereiken." Het is de moeite waard om ver te gaan om deze kennis van God te verkrijgen, er voor te graven, er voor te reizen, het zal onze moeite lonen en hoewel zij van verre gehaald is, is zij toch niet te duur gekocht.
3. Dat zijn bedoeling onloochenbaar eerlijk was, want alles wat hij beoogde was: gerechtigheid toe te schrijven aan zijn Maker, deze waarheid te handhaven en in het licht te stellen dat God rechtvaardig is in al Zijn wegen. Bij het spreken van God en voor God, is het goed om te gedenken dat Hij onze Maker is, Hem aldus te noemen, en aldus bereid te zijn om Hem en de belangen van Zijn koninkrijk de beste dienst te doen, die wij kunnen. Indien Hij onze Maker is, dan hebben wij ons alles van Hem, dan moeten wij ons alles gebruiken voor Hem, en zeer ijveren voor Zijn eer.
4. Dat hij in zijn spreken rechtvaardig en billijk zal zijn, vers 4. "Mijn woorden zullen geen valsheid zijn, maar in overeenstemming wezen met de zaak zelf, en met zijn eigen denkbeelden en begrippen. Het is voor waarheid dat ik strijd, en om der wille van de waarheid met alle oprechtheid en duidelijkheid." Hij zal van eenvoudige, degelijke argumenten gebruik maken en niet van de spitsvondigheden en haarkloverijen van de scholen. Een die oprecht is van gevoelen is bij u, redeneert thans met u, zo laat hem dan niet slechts met onpartijdigheid aangehoord worden, maar laat hetgeen hij zegt gunstig worden opgenomen als goed bedoeld. De volmaaktheid van onze kennis in deze wereld is: eerlijk en oprecht te zijn in het zoeken naar waarheid, in het toepassen ervan op onszelf, en in het gebruik maken van hetgeen wij weten ten bate van anderen.