Job 6:14-21
Elifaz is zeer streng geweest in zijn afkeuring van Job, en zijn metgezellen hebben totnutoe wel weinig gezegd, maar hebben toch hun instemming met hem te kennen gegeven, over hun onvriendelijkheid hierin klaagt hier Job, als een verzwaring van zijn rampen en nog een verontschuldiging van zijn wens om te sterven. Immers, welke voldoening kon hij verwachten in deze wereld, als degenen, die zijn vertroosters moesten wezen, aldus blijken zijn pijnigers te zijn?
I. Hij toont aan welke redenen hij had om vriendelijkheid van hen te verwachten. Zijn verwachting was gegrond op de algemene beginselen van menselijkheid, vers 14. "Aan hem, die beproefd is, en onder zijn beproeving kwijnt en wegsmelt, behoort zijn vriend medelijden te betonen, en hij, die dat medelijden niet betoont, verlaat de vreze des Almachtigen." Medelijden is een schuld, die wij aan de beproefden hebben te betalen. Het minste dat zij, die welvarend zijn, doen kunnen voor hen, die in smart en benauwdheid zijn, is hun een oprechte, tere deelneming te betonen, medegevoel met hen te hebben, kennis te nemen van hun toestand, een onderzoek in te stellen naar hun grieven, hun klachten aan te horen en hun tranen te vermengen met de hunne, hen te vertroosten, en alles wat zij kunnen, te doen om hun hulp en verlichting te bezorgen. Dit betaamt aan de leden van hetzelfde lichaam, die de smart van hun medeleden moeten gevoelen, niet wetende hoe spoedig het hun eigen smart kan worden. Onmenselijkheid is goddeloosheid. "Hij, die medelijden onthoud aan" "zijn vriend, verlaat de vreze des Almachtigen," zo heeft het de Chaldeër. "Hoe blijft de liefde Gods in hem?" 1 Johannes 3:17. Voorzeker, diegenen hebben geen vrees voor de roede Gods op henzelf, die geen medelijden hebben met hen, die er de pijn van gevoelen. Zie Jakobus 1:27. Leed en zorg zijn de toetsstenen voor vriendschap. Als iemand onder beproeving is, dan zal hij zien wie zijn ware vrienden zijn, en wie slechts vriendschap voorwenden, want "een broeder wordt in de benauwdheid geboren," Spreuken 17:17, 18:24.
II. Hij toont aan hoe droevig hij teleurgesteld was in zijn verwachtingen van hen, vers 15. "Mijne broeders, die mij hadden behoren te helpen, hebben trouwelooslijk gehandeld als een beek." Zij kwamen door onderlinge afspraak en met grote plechtigheid, om met hem te treuren en hem te troosten, Hoofdst. 2:11- en nu werd iets buitengewoons verwacht van zulke grote mannen, van zulke goede, Godvruchtige mannen, van mannen, die zo wijs en geleerd waren, zoveel ervaring hadden, en Jobs bijzondere vrienden waren. Niemand twijfelde er aan, of de strekking van hun redevoeringen zal zijn Job te vertroosten met de herinnering aan zijn vroegere Godsvrucht, de verzekering van Gods gunst jegens hem en het vooruitzicht op een heerlijke uitkomst, maar inplaats hiervan vallen zij hem wreedaardig aan met hun verwijtingen en hun afkeuring van hem, veroordelen zij hem als een geveinsde, spotten zij met zijn rampen en, inplaats van olie, gieten zij edik in zijn wonden, en aldus handelen zij trouwelooslijk met hem. Het is trouweloosheid, niet alleen om onze verbintenissen jegens onze vrienden niet na te komen, maar ook om hen in hun rechtmatige verwachtingen van ons teleur te stellen, inzonderheid de verwachtingen, die wijzelf hebben opgewekt. Het is onze wijsheid om af te laten van de mens, wij kunnen niet te weinig verwachten van het schepsel, en niet te veel van de Schepper. Het is niets nieuws dat zelfs broeders "bedrieglijk handelen," Jeremia 9:4,5, Micha 7:5. Laat ons dus ons vertrouwen stellen op de Rots van de eeuwen, niet op een gebroken rietstaf, op de Fontein des levens, niet op gebroken waterbakken. God zal evenveel meer doen dan wij hopen, als de mens minder doet, er bij achter blijft. De teleurstelling, die hij aldus ondervond, vergelijkt hij bij het falen of verzanden van beken in de zomer.
A. De vergelijking is zeer sierlijk, vers 15-20..
a. Hun voorgeven, en hun betuigingen zijn zeer gepast vergeleken bij de grote vertoning, die de beken maken als zij gezwollen zijn door een overstroming, door het smelten van ijs en sneeuw, die ze verdonkeren, troebel en modderig maken, vers 16.
b. Zijn verwachtingen van hen, die hun zo plechtige komst om hem te vertroosten had opgewekt, vergelijkt hij bij de verwachting, die de vermoeide, dorstige reizigers koesteren van water te zullen vinden in de zomer, waar zij het dikwijls in grote overvloed hebben gezien in de winter, vers 19. De reizigers van Thema en Scheba, de karavanen van de kooplieden van deze landen, wier weg door de woestijnen van Arabië liep, zagen uit naar een watervoorraad uit deze beken. "Hier dichtbij", zegt de een, "een weinig verder," zegt een ander, "toen ik het laatst hier gereisd heb, was er water genoeg, wij zullen er ons mee kunnen verkwikken en verfrissen." Waar wij hulp en troost verkregen hebben, daar zijn wij geneigd die wederom te verwachten. maar toch volgt dat hier niet uit, want,
c. De teleurstelling van zijn verwachting wordt hier vergeleken bij de verlegenheid, door welke de arme reizigers bevangen worden, als zij hopen zand vinden waar zij stromen van water verwachtten. In de winter, toen zij niet dorstig waren, was er water genoeg, iedereen zal hen toejuichen en bewonderen, die overvloed hebben en voorspoedig zijn, maar in de hitte van de zomer, als zij behoefte hadden aan water, faalde het hun, toen was het opgedroogd, vers 17, of terzijde afgewend, vers 18. Als zij, die rijk en hoog waren, verarmd zijn en omlaag gebracht en troost nodig hebben, dan houden zij, die zich vroeger om hen heen vergaderd hebben, zich op een afstand, die hen tevoren loofden, zijn nu de eersten om hen in minachting te brengen. Aldus zullen zij, die hoge verwachtingen koesteren van het schepsel, bevinden dat het hun faalt als het hen moest helpen, terwijl zij, die op God hun vertrouwen stellen, "ter bekwamer tijd geholpen zullen worden," Hebreeën 4:16. Zij, die hun hoop vestigen op goud, zullen er zich vroeg of laat voor schamen evenals voor hun hoop er op, Ezechiël 7:19, en hoe groter hun vertrouwen er op was, hoe groter hun schande zal wezen. Zij worden beschaamd, omdat elkeen vertrouwde, vers 20. Door onze ijdele hoop bereiden wij ons schande, de rietstaf breekt onder ons, omdat wij er op leunden. Als wij een huis bouwen op het zand, zullen wij gewis beschaamd worden, want in de storm zal het vallen, en wij hebben het aan onszelf te danken, dat wij zo dwaas waren om te verwachten dat het zou blijven staan. Wij worden hierin niet bedrogen, tenzij wij onszelf bedriegen.
B. De toepassing is streng logisch, vers 21. "Voorwaar," "alzo zijt gijlieden mij nu niets geworden." Zij schenen iets te zijn, maar door hun spreken hebben zij hem niets toegevoegd, Galaten 2:6. Hij is door het bezoek, dat zij hem brachten, niet wijzer of beter geworden. Wèlk behagen en wèlk vertrouwen wij ook hebben in schepselen, hoe groot zij ook schijnen, en hoe dierbaar zij ons ook mogen wezen, op de een of anderen dag zullen wij van hen zeggen: Gijlieden zijt mij nu niets geworden. Toen Job in voorspoed was, waren zijn vrienden iets voor hem, hij vond behagen in hen en in hun gezelschap, maar "nu zijt gijlieden niets geworden, nu kan ik geen troost vinden dan in God." Het zou goed voor ons wezen als wij altijd zo overtuigd waren van de ijdelheid van het schepsel en zijn ongenoegzaamheid om ons gelukkig te maken, als wij soms geweest zijn of zijn zullen, op een ziekbed, een sterfbed, of in gewetensangst: "Nu zijt gij mij niets geworden. Gij zijt niet wat gij geweest zijt, wat gij moest wezen, wat gij voorgeeft te zijn, wat ik dacht dat gij zijn zoudt, want gij ziet mijn nederwerping, en gij vreest, vers 21. Toen gij mij in verheffing zag, hebt gij mij geliefkoosd, nu gij mij in bedruktheid ziet, zijt gij schuw van mij, durft gij u niet vriendelijk betonen uit vrees dat ik mij daardoor zou verstouten iets van u te vragen of iets van u te lenen," vergelijk vers 22. "Gij zijt bevreesd mij te erkennen want daardoor zoudt gij genoodzaakt kunnen zijn mij te onderhouden." Misschien waren zij bevreesd om door zijn kwaal te worden aangestoken, of om onder de reuk van haar walglijkheid te komen. Het is niet goed, om hetzij uit hoogmoed of uit kieskeurigheid, uit liefde voor onze beurs of voor ons lichaam schuw te zijn van hen, die in benauwdheid zijn, bevreesd te zijn om in hun nabijheid te komen. Hun toestand kan spoedig de onze worden.