Jeremia 29:24-32
Wij hebben de inhoud van Jeremia's brief aan de gevangenen in Babel doorgelezen, en deze hadden God en de profeet daarvoor te danken, de goede ontvangst te berichten en de brief zelf als een schat te bewaren. Maar het kan ons niet verwonderen, dat de valse profeten, die in hun midden woonden, er woedend om waren, want ze werden daarin aan de kaak gesteld. Nu wordt ons hier omtrent een van hen bericht:
I. Hoe hij zijn boosheid tegen Jeremia aan de dag legde. Deze man heet Semaja de Nehelamiet of de Dromer (naar de Engelse kanttekening), omdat hij beweerde al zijn profetieën in de droom van God te hebben ontvangen. Hij had een afschrift gekregen van Jeremia's brief aan de gevangenen of die horen lezen, of er iets uit vernomen, en dat prikkelde hem vreselijk. Hij zal de pen ter hand nemen, ja dat zal hij. Maar hoe? Hij schrijft niet aan Jeremia om zijn eigen zending te rechtvaardigen of degelijke argumenten bij te brengen voor zijn profetieën aangaande de spoedige terugkeer van de ballingen, maar hij schrijft aan de priesters, de trouwe beschermers van de valse profeten en spoort hen aan Jeremia te vervolgen. Hij schrijft in zijn eigen naam en beweert geenszins, door het volk daartoe gemachtigd te zijn, maar als ware hij tot dictator van het gehele menselijk geslacht verkoren, zendt hij een rondschrijven (naar het schijnt te zijn) aan de priesters en het overige volk te Jeruzalem, waarschijnlijk door de hand van dezelfde zendboden, die Jeremia's brief naar Babel gebracht hadden. Het schrijven is voornamelijk gericht tot Zefanja, die of de eigen zoon van Maäséja was of van de 24ste priesterorde, aan welker hoofd Maäséja stond. Hij was de hogepriester niet, maar een soort onder-hogepriester of anders met een belangrijke opzienerspost in de tempel bekleed, gelijk Pashur, Hoofdstuk 24.
1. Misschien was hij de voorzitter van die afdeling priesters, meer bepaald belast met het toezicht op degenen, die zich als profeten aanmeldden, zo als er toen zo velen waren, en over hen te oordelen. Nu,
2. Hij herinnert zich en de andere priesters aan de plicht van hun ambt, vers 26 :De Heere heeft u tot een priester gesteld, in plaats van de priester Jojada. Sommigen menen, dat dit doelt op de welbekenden Jojada, de grote hervormer in de dagen van Joas, en (zegt Gataker) hij wil doen geloven, dat deze Zefanja in ijver en geestkracht met hem gelijk staat, en, gelijk hij, verwekt ter ere Gods en tot heil van zijn kerk. Daarom werd van hem verwacht, dat hij tegen Jeremia zou optreden. Dus, (zegt hij) er is geen daad zo goddeloos of kwetsend of die ellendige, valse profeten zullen ze niet alleen beproeven te volbrengen, maar ook verbloemen met een bijzonderen schijn van vroomheid en ijver voor Gods eer, Jesaja 66:5, Johannes 16:2. Of eerder: hij was een andere Jojada, zijn onmiddellijke voorganger in het priesterambt, die misschien onder de priesters naar Babel gevoerd was, vers 1. Zefanja is, eer hij zulks verwachtte, tot deze rang van vertrouwen en macht bevorderd, en Semaja wilde hem doen geloven, dat de Voorzienigheid hem had verkoren om Gods profeten te vervolgen, dat hij juist daarom om die tijd aan de regering was gekomen, en dat hij onrechtvaardig en ondankbaar zou zijn, zo hij niet op deze wijze zijn macht gebruikte, of juister: misbruikte. De harten dergenen zijn verschrikkelijk verhard, die het bedrijven van kwaad daarmee goedpraten, dat zij de macht daartoe bezitter. De taak van deze priesters was, "opzieners te zijn over allen man die onzinnig is en zich voor een profeet uitgeeft." Gods getrouwe profeten worden hier voorgesteld als eigengemaakte profeten, die zich dat ambt aangematigd hadden, maar eigenlijk niet tot de priesterklasse behoorden, als onzinnigen, door de duivel bezetenen en niet door de geest bezield, of als dwaalgeesten, die niet wel bij het hoofd waren. Zo werden de eigenschappen van de valse profeten aan de ware profeten toegeschreven, indien zulks terecht geschiedde, zouden zij ook inderdaad verdiend hebben, als krankzinnigen en onbevoegden gestraft te worden, daarom besluit hij, dat Jeremia die behandeling verdient. Hij zegt hun niet, dat zij onderzoeken zullen, of Jeremia zijn goddelijke roeping kon bewijzen, en aantonen, dat hij niet onzinnig was. Neen, dat wordt bij voorbaat aangenomen, en nu hem eenmaal dat euvel aangewreven is, moet hij uit de weg geruimd worden.
3. Hij meldt hun de brief, die Jeremia aan de ballingen geschreven had, vers 28. Hij heeft tot ons naar Babel gezonden, met het gezag eens profeten, zeggende: Het zal lang duren, namelijk deze ballingschap, en daarom, schikt er u zo goed mogelijk in. Welk kwaad stak er in deze raad, dat die hem als een misdaad moest toegerekend worden? De valse profeten hadden tevoren geprofeteerd, dat de ballingschap nimmer zou komen, Hoofdstuk 14:13. Jeremia had gezegd, dat ze wel zou komen, en de ervaring had hem in dit opzicht reeds in het gelijk gesteld. Ze hadden hem dus ook moeten geloven, nu hij zei, dat ze lang zou duren, daarvoor was meer reden dan hun te vertrouwen die een korte gevangenschap voorspelden maar reeds leugenaars bevonden waren.
4. Hij eiste een vonnis over Jeremia, en nam voor bewezen aan, dat Jeremia onzinnig was en zich zelf tot profeet gemaakt had. Hij verwacht, dat zij zullen bevelen, Jeremia in de gevangenis en in de stok te stellen, vers 26,. dat ze hem dus zullen straffen, en door zijn ongenade het volk tegen hem innemen, zijn goede naam bezwalken en verhinderen, dat men zijn profetieën te Jeruzalem gelove. Zij hoopten, dat, indien ze op dat punt konden winnen, ook de ballingen in Babel aan zijn invloed onttrokken werden. Ja, hij onderstaat, Zefanja te berispen, omdat hij zulks verzuimd had, vers 27. Waarom hebt gij Jeremia, de Anathothiet, niet gescholden? Zie, hoe onbeschaamd en heerszuchtig deze valse profeten waren geworden, dat zij, hoewel in gevangenschap, de vrije en zelfs met macht beklede priesters bevelen durfden geven! Zij, die beweren meer kennis te bezitten dan hun naasten, zijn gewoonlijk zo aanmatigend. Wij vinden hier een merkwaardig voorbeeld van hardheid des harten bij zondaars, en dat is genoeg om ons allen te doen vrezen, dat "onze harten te eniger tijd verhard worden." Want hier ontmoeten wij:
a. Dat deze zondaars zelfs door het klaarblijkelijkste bewijs niet overtuigd werden. God had het woord uit de mond van Jeremia bevestigd, "het had hen getroffen," Zacheria 1:6, en toch, omdat hij niet de aangename dingen profeteert, die zij wensen, komen zij er toe, hem te beschouwen als niet werkelijk tot het profetenambt geroepen. Niemand is zo blind als hij, die niet zien wil.
b. Dat zij zelfs niet door de strengste kastijding tot terugkeer en bekering waren te brengen. Zij hadden nu een ellendige gevangenschap te verduren, omdat zij "met de boodschappers des Heeren gespot en Zijn profeten verguisd hadden". "Dat was de zonde, waarom God nu met hen twistte, en toch, toen men hen benauwde, maakten zij des overtredens tegen de Heere nog meer," 2 Kronieken 28:22. Juist deze zonde maakte hen zo vreselijk schuldig in hun gevangenschap, hetgeen bewijst, dat beproevingen alleen de mens niet van zijn zonde bevrijden, tenzij de genade Gods medewerkt, maar zijn verdorvenheid, in plaats van die uit te roeien, nog verergert, zo waar is het wat Salomo zegt, Spreuken 27:22 :"Al stiet gij de dwaas in een mortier met een stamper, in het midden van het gestoten graan, zijn dwaasheid zou van hem niet afwijken. II. Hoe dit Jeremia ter kennis kwam, vers 29 : Zefanja had deze brief gelezen voor de oren van de profeet Jeremia. Hij bedoelde niet te handelen gelijk Semaja het begeerde, maar had, naar het schijnt, eerbied voor de profeet (wij vinden hem bezig met boodschappen aan hem als "een profeet," Hoofdstuk 21:1, 37. en beschermde hem daarom. Hij, die nog waardigheid en macht bezat, had meer ontzeg voor God en Zijn oordelen dan die nu een balling was. Ja, hij maakte Jeremia bekend met de inhoud van de brief, opdat deze mocht zien welke vijanden hij zelfs onder de ballingen had. Zie, het is vriendelijkheid voor onze vrienden, zo wij hun mededelen wie hun vijanden zijn.
III. Het was het vonnis over Semaja voor het schrijven van deze brief. God zond hem een antwoord, want Hem had Jeremia Zijn zaak opgedragen. Dat antwoord moest niet hem, maar deze gevankelijk weggevoerden gezonden worden, die in Semaja de profeet zagen, door God verwekt, vers 31, 32, en hem daarom steunden en aanmoedigden. Hij liet hun weten,
1. Dat Semaja hen om de tuin had geleid. Hij had in Gods naam vrede beloofd, maar God had hem niet gezonden, hij had een boodschap verzonnen en het grootzegel des hemels nagemaakt. Hij had het volk op "leugens doen vertrouwen," door het valse troost te prediken, en zo van de ware troost te beroven. Ja, hij had het niet alleen bedrogen, maar zelfs tot verraders gemaakt, hij had een afval gesproken tegen de Heere, zoals Hananja gedaan had, Hoofdstuk 28:16. En zo wrake degenen zou treffen, die opgestaan waren, veel meer zou wrake genomen worden op hen, die de opstand door woord en daad gepredikt hadden.
2. Dat hij ten laatste "ook een dwaas zal zijn gelijk de uitdrukking luidt," Hoofdstuk 17:11, zijn naam en geslacht zal uitgedelgd en in vergetelheid begraven worden. Hij zal geen zaad nalaten om zijn naam te dragen, en zijn geslacht zal met hem uitsterven. "Hij zal niemand hebben, die in het midden dezes volks wone, en evenmin zal hij of iemand van zijn geslacht het goede zien, dat de Heere aan Zijn volk doen zal." Zie, zij zijn onwaardig, in Gods gunst over Zijn kerk te delen, die onwillig zijn om haar in Gods weg te dienen. Semaja was vertoornd over Jeremia's raad aan de ballingen, om hun huis in Babylon te bouwen, opdat zij mochten toenemen en niet verminderen. Daarom zal hij, naar recht, kinderloos sterven. Zij, die de zegeningen van Gods Woord niet achten verdienen ze ook te verliezen. Zie Amos 7:16, 17.