Jeremia 22:20-30
Deze profetie schijnt berekend te zijn geweest voor de weinig eervolle roemloze regering van Jechonia, de zoon van Jojakim, die hem in de regering opvolgde, slechts drie maanden regeerde en toen gevankelijk naar Babel werd gevoerd, waar hij vele jaren leefde, Hoofdstuk 52:31. Wij hebben in deze verzen, een profetie,
I. Van de verwoesting van het koninkrijk, die nu met snelheid naderde, vers 20-23. Jeruzalem en Juda worden hier toegesproken, of de Joodse staat, als een enkel persoon, en wij vinden haar hier in tweeërlei karakter:
1. Hooghartig ten dage des vredes en van de veiligheid, vers 21 :"Ik sprak u aan in uw groten voorspoed, sprak door mijn knechten de profeten, verwijten, vermaningen, raad, maar gij zei: Ik zal niet horen, ik zal er niet naar luisteren, gij hebt mijn stem niet gehoorzaamd, en waart besloten niet te willen, en hadt de onbeschaamdheid mij dat ook te zeggen." Het is niet vreemd, dat zij, die in vrede leven, in verachting leven van Gods woord. "Als Jeschurun vet werd, sloeg hij achteruit." Het is zoveel te erger, dat zij het van nature hadden: "Dat is uw weg van uw jeugd af. Zij werden genoemd een overtreder van de buik af," Jesaja 48:8.
2. Vreesachtig bij geruchten van tegenspoed vers 20 : Als gij al uw liefhebbers verbroken ziet, als gij bevindt, dat al uw afgoden buiten staat zijn om u te helpen en uw buitenlandse bondgenoten u in de steek laten, dan zult gij op de Libanon klimmen, en roepen, als iemand, die krachteloos is, en alles als verloren opgeeft, roepen met een bitter geroep, gij zult roepen: Help, help, of zij zijn verloren, "gij zult uw stem verheffen met angstig geroep op de Libanon en op de Basan, twee hoge bergen, in de hoop vandaar gehoord te worden door de verheffing van de grond. Gij zult roepen van de veren, van de wegen, waar gij telkens in wanhoop zult zijn". Gij zult roepen van Abarim, zoals sommigen lezen, een beroemde berg op de grens van Moab. "Gij zult roepen als die in grote ontsteltenis zijn, gewoonlijk doen, tot allen om u heen, maar tevergeefs want, vers 22, de wind zal al uw herders weiden, of de heersers, die u moeten beschermen en leiden, en voor uw veiligheid zorgen, zij zullen verdorren en verschrompelen, en teniet gedaan worden, zoals knoppen en bloesems sterven van een kouden wind, die vorst meebrengt, zij zullen plotseling, onmerkbaar, en onweerstaanbaar vernietigd worden, als vruchten door de wind". "Uw liefhebbers, op wie gij u verliet en voor wie gij genegenheid hebt, zullen in de gevangenis gaan, en zullen er zo ver vandaan zijn u te redden, dat zij niet eens in staat zullen zijn zichzelf te redden."
3. Gebroken onder de zware en blijvende druk van de ellende: "Wanneer er geen hulp komt van een uwer bondgenoten, en uw eigen priesters verlegen zijn, dan zult gij zeker beschaamd worden vanwege alle uw boosheid, vers 22. Velen zullen zich nooit schamen over hun zonden, totdat zij er door op de rand van hun verderf zijn gebracht, en het is wel als dit goede voortkomt uit onze benauwdheid, dat wij er door gebracht worden tot schaamte over onze zonden". De Joodse staat wordt hier genoemd een, "die nu als op de Libanon woont," omdat dat beroemde bos binnen zijn grenzen lag, vers 23, en het hele land rijk was, en wel verdedigd als met Libanons natuurlijke sterkte, maar zo trots en hooghartig waren zij, dat gezegd wordt, dat zij "in de cederen nestelen, waar zij dachten, dat zij buiten bereik van alle gevaar waren, en vanwaar zij met verachting op allen om hen heen, neerzagen". "Maar, hoe begenadigd zult gij zijn, als u de smarten zullen aankomen! Dan zult gij u vernederen voor God en beterschap beloven. Als gij neergeworpen zijt in steenachtige plaatsen, zult gij blijde zijn deze woorden te horen, die gij in uw voorspoed niet wilde horen. Dan zult gij pogen u zelf aangenaam te maken hij die God, van Wien gij u tevoren afmaakte". Velen hebben vrome pijn, die als de pijn over is, tonen geen ware vroomheid te bezitten. Sommigen leggen hier een andere betekenis in: "Wat zal al uw praal en staat en rijkdom u baten? Wat zal er van dat alles worden, of welke troost zult gij er van hebben, als gij in deze ellende zijt? Niet meer dan een barende vrouw vol pijn en vrees, troost kan hebben van haar sieraden, terwijl zij in die toestand is." Aldus Gataker. Die trots zijn op hun wereldse voordelen, zouden goed doen, met te overwegen, hoe die hun aanstaan, als de smarten hen overvallen, en hoe ze dan al hun schoonheid verloren hebben.
II. Hier is een profetie van de ongenade van de koning, zijn naam was Jechonia, maar hij wordt hier telkens met verachting, Chonja genoemd. De profeet verkort zijn naam, of geeft hem een bijnaam, misschien om er mee aan te duiden, dat hij van zijn waardigheid beroofd, zou worden, en het getal van zijn maanden in het midden afgesneden. Tweeërlei schande wordt hem hier opgelegd:
1. Hij zal worden weggevoerd in gevangenschap en zal zijn dagen doorbrengen en eindigen in slavernij. Hij werd geboren voor een kroon, maar zij zou spoedig van zijn hoofd vallen, en hij zou ze verwisselen voor boeien. Dit oordeel komt trapsgewijs.
a. God zal hem verlaten, vers 24. De God van de waarheid zegt het en bevestigt het met een eed: "ofschoon hij als een zegelring was aan mijn rechterhand (zijn voorgangers zijn het geweest, en hij kon het ook geweest zijn, als hij zich goed gedragen had, maar daar ontaard is) zo zal ik u van daar wegrukken." De godzalige koningen van Juda waren als een zegelring aan Gods rechterhand geweest, nabij Hem en Hem dierbaar, Hij was in hen verheerlijkt en had hen gebruikt als werktuigen van Zijn bestuur, zoals de vorst doet met zijn zegelring, of handtekening, maar Chonja heeft zichzelf de eer volkomen onwaardig gemaakt, en daarom zal het voorrecht van zijn geboorte hem geen zekerheid gaven, desniettegenstaande zal hij weggerukt worden. Een tegenhanger van deze bedreiging tegen Jechonia is Gods belofte aan Zerubbabel, toen Hij hem tot de leidsman maakte van Zijn volk, bij hun terugkeer uit de gevangenschap, Haggai 2:24. "Ik zal u nemen, o Zerubbabel, Mijn knecht, en Ik zal u stellen als een zegelring." Die zich houden voor een zegelring aan Gods rechterhand, moeten niet zeker zijn, maar vrezen, dat zij van daar weggerukt zullen worden.
b. De koning van Babel zal hem grijpen. Zij weten niet van welke vijanden en welk kwaad zij gevaar lopen die zich buiten Gods bescherming hebben gesteld, vers 25. Hier wordt gezegd, dat de Chaldeën Chonja haat toedroegen, zij zochten hem te doden, niets minder dan dat, dachten zij, zou hun woede bevredigen, zij waren van de zodanigen, waarvoor hij vreesde (zij zijn, voor welker aangezicht gij schrikt), wat het voor hem zoveel te verschrikkelijker zou maken in hun handen te vallen, in `t bijzonder, als het God zelf was, die hem in hun hand gaf. En, als God hem aan hen overgeeft, wie kan hem dan van hen verlossen?
c. Hij en zijn familie zullen naar Babel gevoerd worden, waar zij vele vervelende jaren van hun leven zullen verslijten in ellendige gevangenschap, u en uw moeder, vers 26 hij en zijn zaad. vers 28. dat is. hij en de hele koninklijke familie (want hij had zelf geen kinderen, toen hij in gevangenschap ging), of hij en de kinderen in zijn lendenen, zij zullen uitgeworpen worden in een ander land, in een vreemd land, een land, waarin gijlieden niet geboren zijt, en ook niet zo'n land, als waarin zij geboren waren, een land, dat gij niet gekend hebt, waarin zij geen kennis hebben om mee te spreken, of van wie ze enige vriendschap verwachten kunnen. Daarheen zullen zij gevoerd worden, uit een land, waar zij recht hadden op heerschappij, naar een land waar zij gedwongen zullen worden tot slavernij. Maar hebben zij geen hoop hun eigen land terug te zullen zien? Neen: in het land naar hetwelk hun ziele verlangt, om daar weer te komen, daarhenen zullen zij niet wederkomen, vers 27. Zij gedroegen zich slecht, toen zij daarin waren, en daarom zullen zij het nooit terugzien. Joahaz werd naar Egypte gevoerd, het land van het Zuiden, Jechonia naar Babel, het land van het Noorden, beide ver weg, in tegenovergestelde richtingen, en mogen niet verwachten elkaar ooit weer te zullen ontmoeten, of een van beide de lucht van zijn geboortegrond weer in te zullen ademen. Zij, die de heerschappij over anderen hadden misbruikt, werden naar billijkheid onder de heerschappij van anderen gebracht. Die hun zondige verlangens hadden ingewilligd en bevredigd, door hun onderdrukking, weelde, en wreedheid, werden te recht verstoken van het voldoen aan hun onschuldig verlangen hun eigen geboorteland weer te zien. Wij kunnen iets zeer nadrukkelijks zien in dat deel van de bedreiging, vers 26. In een land, waarin gij niet geboren zijt, daar zult gij sterven. Zoals er "een tijd is om geboren te worden en een tijd om te sterven, zo is er ook een plaats om geboren te worden en een plaats om te sterven". Wij weten, waar wij geboren zijn, maar waar wij sterven zullen, weten wij niet, het is genoeg, dat onze God het weet. Laten wij zorgen in Christus te sterven, dan zal het wel met ons zijn, waar wij ook sterven, al zou het ook in een ver land zijn.
d. Dit zal hem zeer laag en verachtelijk maken in de ogen van al zijn naburen. Zij zullen zeggen: "Is dan deze man Chonja, een veracht, verstrooid, afgodisch beeld?.Ja, zeker is hij dat, en zeer vervallen van wat hij was."
e. Er was een tijd, toen hij geëerbiedigd, ja bijna vergood werd. Het volk, dat zijn vader pas had zien afzetten, was bereid hem te vereren, toen het hem op de troon zag, "maar nu is hij een veracht, verstrooid, afgodisch beeld," dat aangebeden werd, toen het nog heel was, maar, nu het verrot en gebroken is, wordt het weggeworpen en veracht, en niemand let er op, of herinnert zich wat het geweest is. Wat vergood is, zal, vroeger of later, verachten gebroken worden, wat ten onrechte geëerd is, zal te recht veracht worden, en mededingers van God zullen tot verachting van de mensen zijn. Wij zullen teleurgesteld worden in wat wij vergoden en dan zullen wij het verachten.
f. Er was een tijd, dat men trots op hem was, maar nu is hij een vat, waaraan men genen lust heeft, of omdat het uit de mode is geraakt of omdat het gebarsten en vervuild is, en zodoende onbruikbaar. In wie God geen behagen heeft, zullen, bij gelegenheid, zo gekweld worden, dat men geen lust in hen hebben zal.
2. Hij zal geen nakomelingschap achterlaten om zijn eer te erven. De voorspelling hiervan wordt ingeleid met een woord vooraf, vers 29. O land, land, land! hoor des Heeren woord. Al de inwoners van de aarde moeten kennis nemen van deze oordelen Gods over een volk en een familie, die Hem nabij en dierbaar geweest waren, en daar uit afleiden, dat God onpartijdig is in de rechtsbedeling. Of het is een beroep op de aarde zelf, die wij betreden, sinds zij, die op aarde waren, zo doof en onverschillig zijn, Jesaja 1:2. "Hoort gij hemelen, neem ter ore, gij aarde!" Hoezeer veronachtzaamd, zal Gods woord toch gehoord worden, de aarde-zelf zal het moeten horen, en ervoor wijken, als zij, en al wat er op is, verbranden zal. Of het is een beroep op mensen, die "aardse dingen bedenken, die in die dingen opgaan en ze hartstochtelijk najagen, dezulken hebben nodig telkens en telkens geroepen te worden, om het woord des Heeren te horen. Of het is een beroep op mensen, die voor sterfelijk gehouden worden, van de aarde, en haastig tot de aarde terugkerende. Dat zijn wij allen, aarde zijn wij, stof zijn wij, en met het oog daarop, hebben wij er belang bij "het woord des Heeren" te horen en er acht op te geven, opdat, schoon wij uit de aarde zijn, wij gevonden mogen worden onder hen, wier namen zijn geschreven in de hemel. Waar hierop gelet moet worden, is dat Jechonia kinderloos geschreven wordt, vers 30, dat is, zoals volgt: Niemand van zijn zaad zal voorspoedig zijn, zittende op de troon Davids. Met hem stierf de lijn van David als koninklijke lijn, uit. Sommigen denken, dat hem kinderen geboren werden te Babel, omdat melding gemaakt wordt van zijn zaad, dat daarheen weggeworpen werd, vers 28, en dat zij voor hem sterven. Wij lezen in de geslachtslijst, 1 Kronieken 3:17, van zeven zoons van Jechonia Assir (dat is: Jechonia, de gevangene) van wie Salathiel de eerste is. Sommigen menen, dat het slechts aangenomen zoons waren, en dat, als gezegd wordt, Mattheus 1:1 2:Jechonia gewon Salathiel, niet meer bedoeld wordt, dan dat hij hem naliet alle rechten en vermeende rechten, die hij op de regering had, te meer omdat Salathiel genoemd wordt de zoon van Neri, van het huis van Nathan Lukas 3:27, 31. Of hij kinderen gewonnen, of alleen aangenomen had, in zoverre was hij kinderloos, dat niemand van zijn zaad als koning in Juda regeerde. Hij was de Augustulus van dat rijk, met wie het eindigde. Wie kinderloos is, God schrijft hem zo en zij, die geen goed willen doen in hun dagen, kunnen niet verwachten voorspoedig te zijn in hun dagen.