Lukas 3:21-38
De evangelist vermeldt Johannes' gevangenneming voor den doop van Christus, hoewel zij bijna een jaar later plaatshad, omdat hij de geschiedenis van Johannes' bediening wilde eindigen, om dan die van Christus in te leiden, Nu hebben wij hier:
I. Een kort bericht van Christus' doop, die meer uitvoerig door Mattheus is meegedeeld. Jezus kwam om van Johannes gedoopt te worden, en werd ook door hem gedoopt, vers 21, 22.
1. Er wordt hier gezegd, dat toen al het volk gedoopt werd, Jezus ook gedoopt werd, allen die toen tegenwoordig waren. Christus wilde het laatst gedoopt worden, onder het gewone volk, en na hen. Aldus heeft Hij zich vernederd, heeft Hij zich vernietigd, als een der minsten en geringsten, ja als minder dan de minsten. Hij zag hoe grote scharen aldus toebereid werden om Hem te ontvangen, en toen verscheen Hij
2. Er wordt opgemerkt, dat Christus bad toen Hij gedoopt werd, hetgeen in Mattheus niet wordt vermeld, gedoopt zijnde en biddende. Hij deed gene belijdenis van zonde, zoals anderen, want Hij had gene zonden te belijden, maar Hij bad, zoals anderen, want aldus wilde Hij gemeenschap oefenen met Zijn Vader. De innerlijke en geestelijke genade, waarvan de sacramenten de uitwendige en zichtbare tekenen zijn, moet verkregen worden op het gebed, en daarom moeten zij altijd gepaard gaan met gebed. Wij hebben reden te denken dat Christus nu bad om die openbaring van Gods gunst over Hem, welke onmiddellijk volgde. Hij bad om de ontdekking van Gods gunst jegens Hem en om de nederdaling van den Geest. Wat aan Christus beloofd was, moet Hij verkrijgen door gebed: Eis van Mij, en Ik zal U geven, enz. Aldus wilde Hij het gebed eren, er ons aan binden, er ons toe aanmoedigen.
3. Toen Hij bad, werd de hemel geopend. Hij, die door Zijne macht de wateren vaneen heeft gescheiden, om er een weg door heen te banen naar Kanaän, heeft nu door Zijne macht de lucht gekliefd, een ander vloeibaar element, om een weg van gemeenschap te openen met het hemelse Kanaän. Aldus werd er voor Christus, en door Hem voor ons, een verse en levende weg geopend naar het heiligdom. De zonde had den hemel gesloten, het gebed van Christus heeft hem weer geopend. Het gebed is ene inzetting, die den hemel opent: Klopt en u zal opengedaan worden.
4. De Heilige Geest daalde op Hem neer in lichamelijke gedaante. Onze Heere Jezus zal nu den Geest ontvangen in grotere mate dan tevoren,.ten einde Hem voor Zijn profetisch ambt bekwaam te maken, Jesaja 61:1. Als Hij begint te prediken, is de Geest des Heeren op Hem. Nu wordt dit hier door een bewijs, dat door de zinnen waargenomen kon worden, uitgedrukt ter Zijner bemoediging in Zijn werk, en tot voldoening van Johannes de Doper, want hem was tevoren gezegd, dat hem door dit teken bekend zou worden gemaakt wie Christus is. Dr. Lightfoot oppert de mening, dat de Heilige Geest in lichamelijke gedaante nederdaalde, opdat Hij geopenbaard zou worden als een persoonlijke zelfstandigheid, en niet bloot als een werking van de Godheid, en dus- zegt hij-werd een volledig, duidelijk en merkbaar bewijs gegeven van de Drie-eenheid bij het begin van het Evangelie, en zeer voegzaam is dit geschied bij den doop van Christus, die de instelling van den doop tot het teken zou maken van de belijdenis van dat geloof in de leer der Drie-eenheid, Vader, Zoon en Heilige Geest. 5. Ene stem geschiedde uit den hemel, van God den Vader, van de hoogwaardige heerlijkheid - zoals het in 2 Petrus 1:17 is uitgedrukt-Gij zijt Mijn geliefde Zoon. Hier en in Markus wordt dit uitgedrukt als gesproken tot Christus, in Mattheus als gesproken van Hem: Deze is Mijn geliefde Zoon. Het komt op hetzelfde neer, het was bedoeld als ene bekendmaking aan Johannes, en als zodanig was het juist uitgedrukt door: Deze is Mijn geliefde Zoon, en evenzo als een antwoord op, of verhoring van Zijn gebed, en als zodanig wordt het het best uitgedrukt door: Gij zijt. Het was voorzegd van den Messias: Ik zal hem zijn tot een Vader, en hij zal Mij zijn tot een zoon, 2 Samuël 7:14. Ik zal hem ten eerstgeborenen zoon stellen. Psalm 89:28. Ook was voorzegd, dat Hij Gods uitverkorene zou zijn, in wie Zijne ziel een welbehagen heeft, Jesaja 42:1, en dienovereenkomstig wordt Hem hier verklaard: Gij zijt Mijn geliefde Zoon, in U heb Ik Mijn welbehagen.
II. Een uitvoerig bericht van Christus' stamboom, die door Mattheus korter wordt vermeld. Hier is:
1. Zijn leeftijd: Hij begon omtrent dertig jaren oud te wezen. Zo oud was Jozef, toen hij voor Farao stond, Genesis 41:46, David, toen hij begon te regeren, 2 Samuël 5:4, en op dien leeftijd gingen de priesters in tot de volle uitoefening van hun ambt, Numeri 4:3. Dr. Lightfoot acht het, door de wijze van uitdrukking, die hier gebruikt is, duidelijk dat Hij toen juist Zijn negen en twintigste jaar volbracht had, en Zijn dertigste was ingetreden, in de maand Tisri, dat Hij daarna drie en een half jaar heeft geleefd, en gestorven is, toen Hij twee en dertig en een half jaar oud was. Drie en een half jaar, het tijdperk van Christus openbaar dienstwerk, is een zeer merkwaardig tijdperk in de Schrift. Drie jaar en zes maanden was in den tijd van Elias de hemel gesloten, Lukas 4:25, Jakobus 5:17. Dit was de halve week, waarin de Messias het verbond zou bevestigen, Daniël 9:27. Dit tijdperk wordt in de profetische Schriften aangeduid door de uitdrukking: een tijd en tijden en een halve tijd, Daniël 12:7, Openbaring 12:14, en door twee en veertig maanden, en duizend twee honderd en zestig dagen, Openbaring 11:2, 3. Het is de tijd, vastgesteld voor het profeteren der getuigen, die met zakken bekleed zijn, in overeenstemming met Christus' prediking in Zijne vernedering gedurende eenzelfde tijdperk.
2. Zijn stamboom, vers 23 en verder. Mattheus had ons daar reeds iets van meegedeeld. Hij gaat niet verder dan tot Abraham, maar Lukas klimt op tot aan Adam. Mattheus' bedoeling was aan te tonen, dat Christus de zoon was van Abraham, in wie alle geslachten der aarde gezegend zijn, en dat Hij erfgenaam was van den troon van David, en daarom begint hij met Abraham, en brengt het geslachtsregister tot op Jakob, den vader van Jozef, een mannelijke erfgenaam van het huis van David. Maar Lukas, bedoelende aan te tonen, dat Christus het Zaad der vrouw was, dat den kop der slang zou vermorzelen, voert Zijn stamboom op tot Adam, en doet hem aanvangen met Eli, of Heli, die de vader was, niet van Jozef, maar van de maagd Maria. Het verschil bij de twee evangelisten in de geslachtslijst van Christus is een struikelblok geweest voor de ongelovigen, die het woord bedillen, maar het is uit den weg geruimd door den arbeid van geleerde mannen, zowel in de eerste eeuwen van de Christelijke kerk, als in latere tijden, waarnaar wij verwijzen. Mattheus ontleent het geslachtsregister aan Salomo, wiens nakomelingschap eindigt in Jechonias, het wettelijk recht ging toen over op Salathiël, die van het huis was van Nathan, een anderen zoon van David, wiens linie hier door Lukas wordt gevolgd, en aldus al de koningen van Juda uitlaat. Het is goed voor ons, dat onze zaligheid niet afhangt van onze bekwaamheid om al die moeilijkheden op te lossen, ook wordt het Goddelijk gezag der evangeliën er niet in het minst door verzwakt, want het is niet te denken dat de evangelisten deze geslachtsregisters zelf naar hun eigen weten, of door Goddelijke ingeving hebben opgesteld, maar dat zij ze naar de authentieke registers van de geslachtslijsten der Joden hebben afgeschreven. In deze registers vonden zij den stamboom van Jakob, den vader van Jozef, zoals die opgegeven is in Mattheus, en den stamboom van Heli, den vader van Maria, zoals hij hier door Lukas is vermeld. En dat is de betekenis van hoos enomizeto, vers 23, niets "alzo men meende", als alleen betrekking hebbende op Jozef, maar uti sancitum est lege - gelijk het is opgetekend in de boeken, waaruit blijkt dat Jezus zowel van vaders als van moederszijde de zoon van David was, getuige dit extract uit hun eigen registers, dat door iedereen in dien tijd met het oorspronkelijke kon worden vergeleken, en verder behoefden de evangelisten niet te gaan, ja, indien zij daarvan waren afgeweken, zouden zij hun doel niet hebben bereikt. Dat het in dien tijd niet werd tegengesproken, is voor ons thans bewijs genoeg dat het een juist en nauwkeurig afschrift was. Voorts is het opmerkenswaardig, dat, toen deze Joodse geslachtsregisters nog dertig of veertig jaren bestaan hadden, nadat deze uittreksels er van vervaardigd waren, dus lang genoeg om er de evangelisten in te rechtvaardigen, allen met den Joodsen staat tenietgingen, want zij waren nu niet langer nodig. Er is ene moeilijkheid tussen Abraham en Noach, die ons enigszins in verlegenheid brengt, vers 35, 36. Sala wordt daar genoemd als de zoon van Kaïnan, en deze als de zoon van Arfaxad, terwijl Sala de zoon was van Arfaxad, Genesis 10:24, 11:12, en Kaïnan aldaar niet wordt aangetroffen. Maar hieromtrent kan het volstaan te zeggen, dat de zeventig Joodse overzetters, die voor de geboorte van onzen Zaligmaker het Oude Testament in het Grieks hebben vertaald, om redenen, die hun het best bekend waren, dezen Kaïnan hebben ingelast, en Lukas, die onder de Griekse Joden heeft geschreven, was verplicht om van deze vertaling gebruik te maken, en dus de zaak te nemen, zoals hij haar vond. De geslachtslijst eindigt met de woorden: den zoon van Adam, den zoon van God.
a. Volgens sommigen ziet dit op Adam, die op bijzondere wijze de zoon van God was, daar hij meer onmiddellijk dan iemand zijner nakomelingen door de schepping van Gods geslacht was.
b. Volgens anderen ziet het op Christus, zodat dan de laatste woorden van deze geslachtslijst Zijn Goddelijke en menselijke naturen aanduiden. Hij was beide de Zoon van Adam en de Zoon van God, opdat Hij een geschikte Middelaar zou zijn tussen God en de kinderen van Adam, en de kinderen van Adam door Hem er toe gebracht zouden worden, kinderen Gods te zijn.