24. Te dien dage, als de heerschappij der heidenen alzo in de wereld ineenstort, spreekt de HEERE der heirscharen, zal Ik u nemen, o Zerubbabel, gij zoon van Sealthiël, en daardoor zoon en erfgenaam van David, Mijn knecht, dien Ik tot Mijnen bijzonderen dienst genomen heb, om het eeuwige koningschap van David ook in de vernedering te dragen, spreekt de HEERE, en Ik zal u, het in u bewaarde en vertegenwoordigde koningschap van David, stellen als een zegelring, dien men steeds bij zich draagt en als een kostbaar eigendom bewaart (
Jesaja 22:24.
Hooglied 8:6). Als alle rijken te gronde gaan zal Ik Davids rijk en troon niet verwerpen, maar met Mij op `t nauwst verbinden en eeuwig onderhouden; want u, namelijk David en zijn koningschap, waarvan Gij nu de vertegenwoordiger zijt, heb Ik van eeuwigheid verkoren, en Mijne beloften aan David gegeven, zullen niet te niet gaan, spreekt de HEERE der heirscharen.
Met deze woorden wordt de Messiaanse belofte, die aan David gegeven was, onder zijne nakomelingen op Zerubbabel en diens geslacht overgedragen, en zal aan hem op dezelfde wijze worden vervuld, als de aan David gegevene belofte, dat God hem tot den hoogsten onder de koningen op aarde zal maken (Psalm 89:28). Het spreekt van zelf, dat de belofte niet op den persoon van Zerubbabel als zodanig betrekking heeft, maar op zijn ambt; want de val van alle koninkrijken, na welken dat eerst zal worden vervuld, was in een enkelen menschenleeftijd niet te verwachten. De vervulling van deze belofte heeft haar toppunt in Jezus Christus, den Zoon van David en nakomeling van Zerubbabel (Mattheus 1:12. Lukas 3:27), waarin Zerubbabel tot zegelring van Jehova is gemaakt. Jezus Christus heeft het rijk van Zijnen vader David weer opgericht, en aan Zijne koninkrijk zal geen einde zijn (Lukas 1:32 vv.). Moge het ook nu nog door de macht van de koninkrijken der heidenen gedrukt en diep vernederd voorkomen, zo zal het toch nooit verwoest en vernietigd worden, maar zal nog al die koninkrijken vermalen en verwoesten, en zal zelf eeuwig bestaan (Daniël 2:44. Hebreeën 12:28. 1 Corinthiërs 15:24
Jechonia was als een zegelring geweest aan de rechterhand Gods, maar God had hem afgezet. En nu had God Zerubbabel in diens plaats gesteld.
De uitdrukking dient, om aan te geven, dat deze in de ogen Gods dierbaar was, maar ook dat zijn geslacht zou voortduren, totdat de Messias uit hetzelve zou voortkomen, die bij uitnemendheid was de zegelring van Gods rechterhand.
Zerubbabel is hier dan ook de type van den Christus Gods.
SLOTWOORD OP DEN PROFEET HAGGAI.
Gelijk Zefanja de rij der Profeten vóór de ballingschap sluit, zo opent Haggaï die der Profeten na de ballingschap.
Wie hij was, toen hij door God tot Profeet geroepen werd, en uit welk geslacht, is ons niet bekend.
Of hij nog den tempel van Salomo in diens heerlijkheid gekend heeft, wordt wel door sommigen beweerd, maar is ook niet te bewijzen.
Hij trad op in de dagen van Darius Hystaspes, en onder een volk, hetwelk lauw was geworden voor den zuiveren en wettigen dienst des Heeren. Onder een volk, hetwelk zich reeds begon te verliezen in een eigengerechtigen wandel, zodat het meende, dat, indien het naar eigen inzichten de wet vervulde, het genoeg deed.
Hierom zendt God, de Heere, hem, om zijne tijdgenoten te bepalen bij het feit, dat alleen in volkomen terugkeer tot de rechten en inzettingen des Heeren vrede en welvaart is te vinden.
Om het volk het aan te zeggen, dat de Heere niet met een halven dienst te vreden is, dat Hij volkomen wenst gediend te worden. Zijn woord, onder de machtige werking des Heeren zelven, heeft invloed, en de Profeet mag het aanschouwen, dat het volk gans gewillig gemaakt is, om den Heere de eer Zijns Naams te geven, door den tempel te herstellen.
En waar dit plaats grijpt, daar wordt hij ook verwaardigd, om heraut te zijn van dagen van zegen, na dagen van druk, ja, van de heerlijkheid, die in den Messias geopenbaard zal worden, van wien Zerubbabel het voorbeeld is.