3. Ook geschiedde het woord Gods tot hem, ook was hij profeet gedurende den gehelen volgenden tijd der regering van dezen koning tot 510 vóór Chr. en ook later ontving hij Goddelijke openbaringen, namelijk, om geheel af te zien van de tussenregering van Joachas, die slechts drie maanden duurde (
Hoofdstuk 22:11), in de dagen van a) Jojakim, zoon van Josia, die van 610-599 v. C. koning van Juda was, even als ten tijde van de zo korte regering van zijnen zoon en opvolger Jojachin of Jechonia (
Hoofdstuk 22:24, totdat voleind werd het elfde jaar van b) Zedekia, den jongsten zoon van Josia, en laatsten koning van het rijk van Juda, die van 599-588 v. C. regeerde, totdat Jeruzalem werd ingenomen en het volk van Juda gevankelijk werd weggevoerd, hetwelk geschiedde in de c) vijfde maand van datzelfde 11de jaar van Zedekia, in Augustus 588 v. C.
a) 2 Koningen 23:34. 2 Kronieken 36:4. b) 2 Koningen 24:17. 2 Kronieken 36:10. Ch Jeremia 52:1, c) 2 Koningen 25:8.
Het opschrift omvat niet het gehele Boek, zo min als de werkzaamheid van den Profeet met het jaar 558 haar laatste einde bereikt. Maar even als de roeping van Jeremia tot profeet in hoofdzaak met de door hem aangekondigde oordelen Gods vervuld was, zo vormt ook dat deel, dat de voorzeggingen bevat, die vóór Jeruzalems verwoesting tegen Jeruzalem werden gesproken, het hoofddeel van het gehele profetische boek, en omvat Hoofdstuk 1-39. Wat Jeremia nog na die dagen van gericht, waardoor hij zelf in en met zijn volk werd getroffen, van den Heere ontving als goddelijke openbaring voor Israël, en wat hij, die den kelk der smarten tot den droesem toe zelfs moest ledigen, van mensen moest lijden, dat vindt men onder een bijzonder opschrift in Hoofdstuk 40-45 Saamgevoegd, en als een eerste aanhangsel daaraan gehecht. Een derde geschrift van meer algemene betekenis (aan bijzondere opschriften voor bijzondere voorzeggingen, hoofdstukken en afdelingen is in dit boek geen gebrek) vindt men in Hoofdstuk 46 tot 51 onder den algemenen titel (Hoofdstuk 46:1): "het woord des Heren tegen de heidenen, " dat zich als een tweede aanhangsel kenbaar maakt. Een derde aanhangsel is in Hoofdstuk 52 zonder opschrift bijgevoegd; dit is van zuiver historischen inhoud en handelt over Jeruzalems verwoesting, en de 26 jaren later gevolgde verhoging van Jojachin door Evil-Merodach.
Alzo een tijdvak van ruim veertig jaren. Lightfoot merkt aan, dat "gelijk Mozes zo lang een leraar bij het volk was in de woestijn, totdat zij in hun eigen land kwamen, Jeremia integendeel zo lang een leraar was in hun eigen land eer zij in de woestijn der Heidenen gingen. "
I. Vers 4-10. In den tijd, toen het volk reeds rijp voor het gericht was en zich ook door de ernstig gemeende reformatie van Josia slechts uiterlijk beroeren, slechts opwekken, maar niet tot opstaan uit zijne zondeslaap liet bewegen, roept de Heere Zijnen profeet, opdat hij het nabij zijnde, in hoofdzaak onafwendbare gericht verkondigen, en het volk, nog vóór het begint, tot een ootmoedig buigen onder Gods straffende hand bewege. Deze weigert eerst in het gevoel zijner onbekwaamheid, het zware, gevaarlijke, bijna troosteloze werk op zich te nemen; maar wordt door het besliste woord des Heren, dat alle tegenspraak afsnijdt en den zwakke de goddelijke kracht en sterkte belooft, ja bij wijze van een sacrament toedeelt, tot de aanvaarding van zijn rechtmatig, geordend ambt bewogen.