1 Kronieken 3:10-24
Daar David negentien zonen had, kunnen wij veronderstellen dat vele edele geslachten in Israël uit hen zijn voortgekomen, van wie wij nooit in de geschiedenis hebben kunnen lezen.
De Schrift geeft ons hier alleen een bericht van Salomo's nakomelingen, en in Lukas 3 van die van Nathan. De overigen hadden de eer zonen van David te zijn, maar deze alleen hadden de eer om aan de Messias verwant te wezen.
Nathans zonen waren Zijn vaderen als mens de zonen van Salomo Zijn voorgangers als koning. Wij hebben hier:
1. De grote en beroemde namen, door welke de linie van David voortgaat tot aan de ballingschap, de koningen van Juda, in rechte lijn van opvolging, van wie wij de geschiedenis uitvoerig gehad hebben in de twee boeken van de Koningen, en wederom zullen hebben in het tweede boek van de Kronieken.
Zelden is een kroon in rechte lijn door zeventien opvolgingen van vader op zoon overgegaan zoals hier. Dit was de beloning van Davids Godsvrucht. Even voor de ballingschap was de lijnrechte opvolging afgebroken, en ging de kroon van de ene broeder over op de andere broeder, en van een neef op een oom, wat een voorteken was van de verduistering van de eer van dat huis.
2. De minder beroemde, en merendeels onbekende namen van hen, die na de gevangenschap het huis van David uitmaakten. De enige beroemde man uit dat huis, die wij bij hun terugkeer uit de ballingschap aantreffen, is Zerubbabel, elders de zoon van Sealthiël genoemd, maar hier blijkt hij zijn kleinzoon te zijn, vers 17-19, dat gebruikelijk is in de Schrift.
Belsazar wordt de zoon van Nebukadnezar genoemd, maar was zijn kleinzoon.
Sealthiël wordt gezegd de zoon te zijn van Jechonia, omdat hij door hem was geadopteerd, en omdat hij, naar sommigen denken, hem opvolgde in de waardigheid, waarin hij hersteld was door Evilmerodach, maar anders was Jechonia kinderloos aangeschreven, hij was een zegelring, die God van Zijn rechterhand afrukte, Jeremia 22:24 , en in zijn plaats werd Zerubbabel gesteld, en daarom zegt God tot hem: "Ik zal u stellen als een zegelring", Haggai 2:24.
De nakomelingen van Zerubbabel dragen hier niet dezelfde namen als in de geslachtslijst van Mattheus 1 of Lukas 3, maar deze werden ongetwijfeld uit de openbare registers afgeschreven, welke de priesters hielden van al de geslachten van Juda, inzonderheid van Davids geslacht.
De laatste persoon, die in dit hoofdstuk genoemd wordt, is Anani, van wie bisschop Patrick zegt dat de Targum er deze woorden aan toevoegt: Hij is de Koning Messias, die geopenbaard moet worden, en sommigen van de Joodse schrijvers geven er als reden voorop dat in Daniël 7:13 gezegd wordt: dat de mensenzoon kwam "im `anani", (met de wolken des hemels). Die reden is wel zeer ver gezocht, maar deze geleerde denkt dat er gebruik van gemaakt kan worden als een bewijs, dat hun hart altijd vervuld was van gedachten aan de Messias, en dat zij verwachtten dat niet lang na de dagen van Zerubbabel de bestemde tijd van Zijn komst daar zal zijn.