Ezra 5:1-2
Sommigen berekenen dat de bouw van de tempel slechts negen jaren stilstond: ik ben geneigd aan te nemen dat het op zijn langst vijftien jaren was, gedurende welke tijd zij een altaar en een tabernakel hadden, waarvan zij ongetwijfeld gebruik hebben gemaakt. Als wij in de dienst van God niet doen kunnen wat wij wensten, dan moeten wij doen wat wij kunnen, en het betreuren dat wij niet beter kunnen doen. Maar de raadslieden, die gehuurd waren om het werk te verhinderen, Hoofdst. 4:5, zeiden hun, misschien wel onder voorgeven van inspiratie, dat de tijd om de tempel te bouwen nog niet gekomen was, Haggai 1:2. Zij konden aanvoeren dat het lang geduurd heeft eer de tijd was gekomen om Salomo's tempel te bouwen, en zo maakten zij dat het volk gerust was in hun gewelfde huizen, terwijl Gods huis woest was. Nu wordt ons hier gezegd hoe er weer leven kwam in deze goede zaak, die dood scheen neer te liggen.
1. Zij hadden twee goede leraren, die hen in de naam van God ernstig aanspoorden om de raderen van dit werk weer in beweging te brengen, het waren Haggai en Zacharia, die beiden in het tweede jaar van Darius begonnen te profeteren, zoals blijkt uit Haggai 1:1 en Zacharia 1:1.
Merk op:
a. De tempel Gods onder de mensen moet gebouwd worden door profetie, niet door wereldlijke macht (dikwijls zal die het hinderen, maar zelden bevorderen) maar door het Woord Gods. Gelijk de wapenen van onze strijd, zo zijn ook de werktuigen van ons bouwen niet vleselijk, maar geestelijk, en de dienaren van het Evangelie zijn de bouwmeesters.
b. Het is het werk van Gods profeten het volk Gods op te wekken tot hetgeen goed is, en er hen in te steunen, hun handen te sterken door gepaste overwegingen, ontleend aan het woord Gods, hen aan te sporen tot hun plicht en er hen in aan te moedigen.
c. Het is een teken dat God genade heeft weggelegd voor een volk, als Hij profeten onder hen verwekt om hun helpers te wezen op de weg en in het werk Gods, hun leidslieden, opzieners en bestuurders te wezen.
Merk verder nog op:
a. Tot wie deze profeten gezonden waren. Zij profeteerden tot de Joden (want gelijk van hen de wetgeving is, zo is ook de gave van de profetie van hen, en daarom worden zij "kinderen van de profeten" genoemd, Handelingen 3:25, omdat zij opgevoed werden onder hun onderricht), zij "profeteerden tot hen, over hen," zoals het luidt in het oorspronkelijke, gelijk Ezechiël "over de dorre" "doodsbeenderen" heeft geprofeteerd dat zij zouden leven, Ezechiël 37:4 Zij profeteerden tegen hen, aldus bisschop Patrick, want zij bestraften hen, omdat zij de tempel niet bouwden. Het woord Gods zal, als het thans niet aangenomen wordt als een getuigenis tot ons, op een andere dag aangenomen worden als een getuigenis tegen ons, en dan zal het ons oordelen.
b. Wie hen zond. Zij profeteerden in de naam, of, zoals sommigen het lezen, in de zaak, of, om de wille van de God Israëls, zij spraken in opdracht van Hem, ontleenden hun redeneringen aan Zijn gezag over hen, Zijn deel in hen en het belang van Zijn heerlijkheid onder hen. 2. Er waren twee goede magistraten onder hen, die ijverig en voortvarend waren in dit werk, Zerubbabel, hun voornaamste vorst, en Jesua, hun hoofdpriester, vers 2. Zij, die in een plaats zijn van waardigheid en macht, moeten met hun waardigheid eer en met hun macht leven brengen in ieder goed werk, aldus betaamt het zij, die voorgaan, om met voorbeeldige zorg en ijver alle gerechtigheid te vervullen en in alle goed werk voor te gaan. Deze voorname mannen achtten het geen verkleining of vermindering voor zich, maar een geluk om onderricht en instructies te ontvangen van de profeten, en waren blij met hun hulp om dit goede werk weer te doen herleven. Lees hier het eerste hoofdstuk van de profetie van Haggai (want dat is de beste verklaring van deze twee verzen) en zie wat grote dingen God doet door Zijn woord, dat Hij boven Zijn gehele naam grootmaakt, Psalm 138:2 en door Zijn Geest, die er in werkt.