Jeremia 17:19-27
Deze verzen vormen een rede over sabbatsheiliging. Het is een woord, dat de profeet van de Heere had ontvangen, en dat hij op plechtige wijze en het openbaar aan het volk moest verkondigen. Dat woord moest niet maar in het algemeen de zonde bestraffen en op gehoorzaamheid aandringen, maar in bijzonderheden afdalen. Deze boodschap omtrent de Sabbat was waarschijnlijk in de dagen van Josia reeds overgebracht, om het werk van de reformatie te steunen, dat Josia had aangevangen, want de beloften, hier gedaan, vers 25, 26, zijn nauwelijks toepasselijk op een tijd, zo nabij het einde. Deze boodschap moest verkondigd worden op alle plaatsen, waar het volk samenkwam, dus "in de poorten," niet maar omdat het volk daardoor aanhoudend in- en uitging, maar omdat het daar zijn vergaderingen hield en zijn voorraad oplegde. Ze moest verkondigd worden (gelijk de koning of de koningin gewoonlijk hun proclamatie afkondigden) eerst aan de poort des hofs, de poort, door dewelke de koningen van Juda ingaan en door dewelke zij uitgaan, vers 19. Zij moeten het eerst met de boodschap in kennis gesteld worden, vooral met hun plicht, want zo de Sabbatten niet behoorlijk geheiligd werden, dan moeten de heersers in Juda in de eerste plaats daarvan bestraft worden, Nehemia 13:17 want zij zijn zeker de meest schuldiger. Voorts moest hij prediken in alle poorten van Jeruzalem." Het is een zaak van algemene betekenis, Iaat dus allen er acht op geven. Laat de "koningen van Juda des Heeren woord horen (want al staan deze hoog, God is hoger en staaf boven hen), en dan alle inwoners van Jeruzalem, want, al staan deze zoveel lager, God houdt rekening met hen en met wat zij op de Sabbatdag doen". Let op,
I. Hoe de Sabbat geheiligd moest worden, en wat de wet daaromtrent zegt, vers 21, 22.
1. Zij moeten op de Sabbat rusten van hun wereldse arbeid en geen werk doen. Zij mogen geen last dragen, de stad in noch eruit, in noch uit hun huizen. Geen koren mocht binnengevoerd noch mest uitgebracht worden, geen handelswaren naar een andere plaats getransporteerd. Geen beladen paard, of wagen of kar mocht op Sabbatdagen in de straten noch op de wegen gezien worden, geen pakjesdragers aan `t werk gezet of dienstboden om levensmiddelen of brandstof uitgestuurd worden. Het was een dag van de ruste, en geen arbeidsdag, tenzij in geval van noodzaak.
2. Zij moeten zich toeleggen op datgene, waarvoor de Sabbat was bestemd. "Gij zult de Sabbatdag heiligen," dat is aan de dienst van God wilden, Hem ter ere." Daarom moet alle wereldse arbeid ter zijde gelaten, opdat wij enig en alleen de dag daaraan geven, en dat vereist en verdient de gehele mens.
3. Zij moesten daarin zeer voorzichtig zijn. "Wacht u op uw ziel, waakt tegen alles wat aanleiding kan geven tot ontheiliging van de Sabbat. Wanneer God naijverig is, moeten wij dubbel toezien. En wacht u op uw zielen, want het is uw eigen schade, zo gij een deel van de tijd, die Hem behoort, voor u zelf neemt." "Wacht u op uw zielen, opdat gij de Sabbat op de rechte wijze heiligt". Wij moeten acht geven op onze gemoedsgesteldheid en op de begeerten van ons hart. Laat uw ziel niet bezwaard zijn met aardse zorg, maar geef u geheel over aan de plicht van de Sabbatdag. En,
4. Hij wijst hen op de wet, het statuut, dat in dit geval voorziet. Het is geen nieuwe inzetting, maar wat ik reeds "uw vaderen geboden heb, het is de oude wet, ja reeds de aartsvaders bekend." II. Hoe de Sabbat ontheiligd was, vers 23.
"Uw vaderen was geboden, de Sabbat heilig te houden, maar zij hebben niet gehoord, zij hebben hun nek verhard tegen dit, gelijk ook tegen andere geboden, die hun gegeven waren." Dat wordt gezegd om aan te tonen, dat een reformatie hoognodig, en dat God terecht toornig was over de zo langdurige overtreding van deze wet. Zij hadden hun nek verhard tegen dit gebod, opdat zij omtrent de andere geboden niet mochten horen of onderricht ontvangen. Wanneer de Sabbat veronachtzaamd wordt, komt van het dienen van God in het algemeen weinig terecht.
III. Welke zegeningen God wilde schenken, zo men de Sabbatsheiliging ter harte wilde nemen. Of schoon hun vaderen schuldig stonden aan ontheiliging van de Sabbat, zij zouden daarom niet lijden, maar het volk zou zijn oude luister herwinnen, indien het de Sabbat beter wilde houden, vers 24-26. Laat hen zorgen, "de Sabbat te heiligen en geen werk te doen, " dan,
1. Het hof zal bloeien, koningen zullen elkaar opvolgen, de koninklijke familie zal talrijk zijn, en zij zullen op de troon des gerichts zitten, de tronen van het huis Davids, Psalm 122:5, Zij zullen met grote pracht rijden "door de poorten van Jeruzalem," deze op paarden, gene op wagens, omstuwd door een talrijk gevolg van de edelen van Juda. Zie, de eer van de heersers is de vreugde des koninkrijks, en de steun van de godsdienst zou beide grotelijks helpen.
2. De stad zal bloeien. Laat de godsdienst in Jeruzalem in ere zijn, door Sabbatsheiliging zodat ze beantwoordt aan haar naam "heilige stad, en ze zal bewoond worden in eeuwigheid, ze zal niet ontvolkt of verwoest worden, zoals gedreigd is". En,
3. Het land zal bloeien. "De steden van Juda en de plaatsen rondom Jeruzalem en uit het land van Benjamin" zullen vervuld worden met inwoners in groten getale, en hun menigten zullen in vrede leven, wat blijken zal uit de veelheid en waarde hunner offeranden, die zij de Heere zullen brengen. Hieraan kan de welvaart des lands getoetst worden. Wat doet het volk voor Gods ere? Zij, die voor hun godsdienst niets over hebben, zullen ook hun tijdelijke welvaart zien afnemen.
4. De kerk zal bloeien. Spijsoffer, wierook lofoffers zullen ten huize des Heeren gebracht worden, om de dienst en de dienaren des Heeren te onderhouden, Gods inzettingen zullen nauwgezet in acht genomen worden, geen offer of wierook aan afgoden gebracht noch de Heere onthouden, maar alles gaan gelijk het betaamt. Men zal met lust en bij iedere gelegenheid Gode lofoffers brengen. Hun welvaart zal daartoe meehelpen, want een volk bloeit, als zijn godsdienst bloeit. Dit is de uitwerking van Sabbatsheiliging, als die wordt onderhouden, dan leeft men ook anderen geboden van de wet na, wordt die evenwel verwaarloosd, dan treedt of bijgeloof of verachtering in. Terecht is opgemerkt, dat de stroom van de religie dieper of oppervlakkiger vloeit, naarmate de Sabbat naarstiger of slordiger onderhouden wordt.
IV. Welke oordelen zij hadden te wachten, indien zij de Sabbat bleven ontheiligen, vers 27. "Indien gij naar Mij niet zult horen in deze zaak de poorten op Sabbat niet gesloten houdt zodat ieder vrijelijk in en uit kan gaan, indien gij de perken van de goddelijke wet overschrijdt en maakt Mijn heiligen dag gemeen, weet dan dat God een vuur in de poorten uwer stad zat aansteken." Dat wil zeggen, de vijand zal de stad belegeren, de poorten openbreken om zich met geweld toegang te verschaffen en uw stad met vuur verbranden. Met recht zullen poorten in de as gelegd worden, die niet gesloten werden om de zonde buiten te houden, en het volk aan Sabbatsheiliging te gewennen. Dat vuur zal zelfs de paleizen van Jeruzalem verteren, waar de vorsten en edelen wonen, die hun macht en invloed niet gebruikt hebben om de heiliging van de Sabbat te bevorderen. Dat vuur zal niet uitgeblust worden totdat de gehele stad in de as is gelegd. Dat is vervuld door de legerscharen van de Chaldeën, Hoofdstuk 52:13. De ontheiliging van de Sabbat is een zonde, die God menigmaal met vuur heeft gestraft.