1. Ik ben in mijnen hof gekomen, (beter: Ik kom) o mijne zuster, o bruid! Ik heb mijne mij tot eigendom geworden mirre geplukt met mijne specerij, ik heb mijne honingraten met mijnen honing gegeten; ik heb mijnen wijn, mitsgaders mijne melk gedronken. Salomo tot de op den achtergrond der zaal vrolijk feestvierende bruiloftsgasten, terwijl hij hun, met Sulamith weggaande, den afscheidsgroet toeroept: Eet a) vrienden! drinkt, en wordt dronken, o liefsten! geniete een ieder uwer nog lang de blijdschap van dezen mijnen vreugdedag.
a) Jesaja 41:8. Jakob. 2:23.
De bruid is nu als pasgehuwde in de armen van haren gemaal en koning. Hare vurige, wederkerige liefde is het genotrijkste schouwspel voor de feestvierenden, die door vriendschap en liefde aan den koning verbonden zijn. Overal bruiloftsvreugde, genot en gemeenschappelijke blijdschap en liefhebbende deelneming. Op het toppunt van de geheimen der liefde gekomen en ook daar met heilige reinheid zich bewegende, sterft het lied in het gejubel der gasten weg..
Het is duidelijk hier de bruiloft van het Lam Gods, de voleinding van het raadsbesluit Gods aan het einde der dingen, wanneer de Bruidegom, Christus, de Heere, in heerlijkheid zal wedergekomen zijn, en zijne gelovige dan eindelijk reine en heilige Kerk, zonder vlek of rimpel in de bruiloftszaal zal hebben ingeleid, om met haar zijne eeuwige, onverstoorbare vereniging te vieren, die in dit hoofdstuk voorzegd wordt. Wat daar in de bruiloftzaal van het nieuwe Jeruzalem geschiedt, wat de inhoud van Christus gesprek met Zijne verloste schare zijn zal, daarvan zegt Paulus: "Wat geen oog gezien heeft, wat geen oor gehoord heeft, wat in het hart des mensen niet is opgeklommen, heeft God bereid dengenen, die Hem liefhebben." Het is de breedte en de lengte en de diepte en de hoogte der ontferming en der liefde Gods des Vaders, des Zoons en des H. Geestes voor de arme zondaarswereld, de ondoorgrondelijkheid van Christus liefde voor Zijne verlosten, de trouw van den Aartsherder die door sterven en bloeden, door arbeid en door strijd, de gemeente geheiligd heeft, totdat Hij haar eindelijk als ene heerlijke, heilige en onstraffelijke maakte, om zich met haar, die van Hem, gelijk de man van de vrouw, genomen is, tot één vlees en bloed te kunnen verenigen. Het is de openbaar geworden hemelse schoonheid van de bruid des Lams, die, in Zijn goddelijk wezen veranderd, de heerlijkheid van haren hemelsen Bruidegom terugkaatst, hetgeen de inhoud van het liefdegesprek tussen den Heere en Zijne verloste, tot koningin des hemels verhevene bruid, op den bruiloftsdag zal uitmaken. Hij voornamelijk zal spreken. Hij zal de vreugde Zijns harten over de voleinding van Zijn werk, over de voleindigde schoonheid der gemeente volle uitdrukking geven, en door hare schoonheid te loven, prijst Hij dan mede te gelijk Zijne eigene en eeuwige liefde voor haar. Al de heerlijkheid der nieuwe schepping zal niet toereikend zijn, om de schoonheid, kuisheid, reinheid en ootmoed der verheerlijkte bruid in gelijkenissen te beschrijven. Wij houden het voor oneigenaardig en tegen de nuchtere, zekere uitlegging indruischend, om alle enkele trekken van het beeld, dat Salomo van Sulamith ontwerpt, op het hemelse tegenbeeld der voleindigde Kerk toepasselijk te maken. Salomo wil met dit alles zeggen: Ieder gedeelte van uw wezen, uw lichaam en uwe ziel, is rein, van de zuiverste schoonheid, zodat Gods ongeschonden beeld, waarvan Hij zei, dat het goed was, aan u te zien is. Zo zal het dan ook met de bruid van Christus zijn. Naar lichaam en ziel zal zij Hem volkomen welgevallig zijn, want Hij zal Zijn eigen beeld op haar gedrukt, en haar tot het oorspronkelijk beeld Gods doch met grotere heerlijkheid hersteld hebben, en dan zal ook het schoonste aan haar nog altijd haar ootmoed zijn, die zich de liefde en omarming van haar Heere en Meester onwaardig keurt, maar Hem alleen als de bron en oorsprong van al hare waarde verheft. Gelijk daar wijders Salomo's vrienden zich met hem in zijn geluk verheugen, zo zullen ook eens hemel en aarde, alle hemelse geesten, welken het nu reeds zalig is in het geheim der verlossing in te zien, juichen over de zalige voleinding van de verborgenheid van Gods Raadsbesluit, over den dag der hartevreugde van den verheerlijkten Mensenzoon. De Kerk, als bruid des Heeren, blijft eenvoudig bruid, zolang zij hier beneden te lijden en te strijden heeft, en wel daarom, omdat zij niet in die mate een besloten hof en ene verzegelde fontein weet te blijven, zo als dit van haar Oud-testamentisch voorbeeld kon worden geroemd, wijl zij veelmeer de verleidende en verontreinigende machten der wereld en der zonde maar al te veel toegang tot het heiligdom van hare maagdelijkheid en den ontwijdenden invloed van deze op den tempel haars harten toelaat. Eerst aan het einde der dagen zal hare volkomen vereniging met den Hemelsen Bruidegom voltrokken worden, als zij uitgeleden en gestreden heeft, en door de eindelijke zichtbare wederkomst van haren Geliefde, de "grote verborgenheid" in vervulling treedt, waarvan Paulus in Efeze 5:31 schrijft. Zo dan zijn het slechts enkele zielen, in haar midden, de den Heere alleen waarachtig bekende schaar van getrouwen en uitverkorenen, die Hij tot de zalige hoogte der innigste vereniging met Zich verheft, en door uitstorting Zijner liefde in hun harten de volheid Zijner genadegoederen deelachtig maakt.
Wel hem, die uit ondervinding daarvan kan getuigen! Wel hem, dien de Heere tot Zich doet naderen. Men leert in de godgeleerdheid van ene unio mystica, van ene geheime vereniging, welke tussen het Wezen Gods en het wezen des mensen plaats heeft. Wanneer de ziel tot hare innige verkwikking deze vereniging ondervindelijk leert kennen, dan is `t, alsof de vriend nabij komt en de vriendin kust en aan het harte drukt en zij hem als den hare durft erkennen. Dan wendt Hij zich, met Zijne liefde tot den mens, en de mens wendt zich met zijne geloof- en liefdesbegeerten tot Hem. Hij houdt den mens, en de mens houdt Hem vast. Hij deelt zich aan den mens mede, en de mens geeft zich geheel aan Hem. Hij verheugt Zich over den mens, en de mens verheugt zich over Hem..
Die met den inkeer van den Heere Jezus verwaardigd wordt, met dien houdt Hij avondmaal en hij met den Heere Jezus (Openbaring :20). Hij houdt het avondmaal bij den mens, wanneer ene ziel met innige liefde, hartelijke oprechtheid, bestendig aandenken, vurig verlangen, diepe aanbidding, brandende dankbaarheid voor Zijne onuitsprekelijke weldaden en allermeest voor de kostbare verlossing door Zijn bloed, met heilige gehoorzaamheid naar Zijne geboden en Zijn voorbeeld, Hem opwacht en tegemoet gaat. Dat brengt Hem dan vreugde en genot, daarin vindt Hij zijn lust en zaligheid..
Zo vele begeerten de gelovigen hebben kunnen om hunnen vrucht te geven, zo vele en nog meer lust en begeerte heeft de Heere om ze te ontvangen. De vruchten, die godzaligen dragen zijn plichten van godsdienstigheid en daden van godvruchtigheid. Dit is hun eigen, dat zij daartoe ene hartelijke lust, ene heilige begeerte hebben. Hoe veel lust echter des Heeren volk mag hebben, om hun geheiligd werk den Heere toe te brengen, geen minder lust, zegge ik, heeft ook de Heere Jezus om het met gereedheid, genoegen en goedkeuring te ontvangen..
IV. Sulamith heeft haar eerste liefde verlaten. Zij heeft haar hart van haar Koning afgetrokken. Waar zij alleen alles kon vinden en hebben in Zijne onmiddellijke gemeenschap, daar heeft zij die gemeenschap voor dat ogenblik prijsgegeven. Waar zij alleen in Zijn paleis kon genieten wat Hij voor haar was, daar heeft zij allereerst haar eigen zin en mening gevolgd. En nu, waar zij die gemeenschap niet geniet, daar is het haar alsof zij weer in den ouden toestand is vervallen. Vrede heeft zij er niet mede. Rustig is het haar niet. De versmade liefdesgemeenschap maakt haar droevig. Mocht Sulamith echter veranderd zijn, haar Koning niet, en alleen aan de onverbrekelijke verbondstrouw van haar Koning heeft zij het te danken, dat de gemeenschap niet geheel wordt afgesneden, en door Zijne opzoekende liefde, dat zij straks wederom de volle openbaring Zijner liefde mag genieten.