Hebreeën 11:1-3
Hier hebben wij een bepaling of beschrijving van de genade des geloofs in twee delen.
1. Het is een vaste grond der dingen, die men hoopt, vers 1. Geloof en hoop gaan samen, en dezelfde dingen, die voorwerpen zijn van onze hoop, zijn het ook van ons geloof. Het geloof is de vaste overtuiging en verwachting dat God alles vervullen zal, wat Hij ons in Christus beloofd heeft, en deze overtuiging is zo sterk, dat zij aan de ziel in zekeren zin het bezit en een tegenwoordige vrucht van die dingen geeft, zij bewerkt in de ziel een vasten grond door de eerstelingen en den voorsmaak ervan, zodat de gelovigen door de beoefening des geloofs vervuld zijn met onuitsprekelijke vreugde en heerlijkheid. Christus woont door het geloof in de ziel, en de ziel wordt vervuld met al de volheid Gods, zover haar tegenwoordige toestand toelaat, zij ondervindt de waarachtige zelfstandigheid van de voorwerpen des geloofs.
2. Het is een bewijs der zaken, die men niet ziet, vers 1. Het geloof stelt aan den geest voor ogen de waarachtigheid van de dingen, die het lichamelijk oog niet kan onderscheiden. Het geloof is de vaste toestemming der ziel in de goddelijke openbaring in al haar delen, en zet er haar zegel op dat God getrouw is. Het geloof is de volle goedkeuring van al wat God geopenbaard heeft als heilig, rechtvaardig en goed, het helpt de ziel in de toepassing op zich zelve van dat alles met behoorlijke genegenheid en pogingen. En daardoor komt het voor den gelovige in de plaats van het gezichtsvermogen, en is voor de ziel alles wat de zintuigen voor het lichaam zijn. Dat geloof is slechts eigen mening of inbeelding, dat de onzichtbare dingen voor de ziel niet tot werkelijkheid maakt, en veroorzaakt dat de ziel handelt in overeenstemming met hun natuur en gewicht.
II. Een voorstelling van de eer, die het bracht over allen, die het beoefend hebben, vers 2.
Door hetzelve hebben de ouden getuigenis bekomen, de oude gelovigen, die in de eerste eeuwen der wereld leefden. Merk op:
1. Het ware geloof is een oude genade, en heeft de meeste aanspraak op oudheid, het is geen nieuwe uitvinding, geen nieuwerwetse verbeelding, het is een genade, die in de ziel der mensen geplant werd, sedert er een genadeverbond in de wereld afgekondigd werd, en het is in beoefening gebracht van den aanvang der openbaring af, de oudste en beste mensen ter wereld waren altijd gelovigen.
2. Hun geloof was hun eer, en het bracht hun eer. Zij waren een eer voor hun geloof, en hun geloof was een eer voor hen. Zij hebben daardoor getuigenis bekomen, en God heeft gezorgd dat die getuigenis bewaard bleef en dat er getuigenis gegeven werd van de uitnemende dingen, die zij door de kracht van deze genade verricht hebben. De grote daden des geloofs verdienen getuigd te worden, en kunnen verdragen getuigd te worden, en die getuigenis zal de eer van de ware gelovigen verbreiden.
III. Hier hebben wij een van de eerste daden en artikelen des geloofs, dat groten invloed op al de andere heeft, en dat alle gelovigen bezitten in elke eeuw en in alle delen van de wereld, namelijk de schepping der wereld door het woord Gods, niet uit reeds bestaande stof, maar uit niets, vers 3. De genade des geloofs werpt zowel een blik achterwaarts als een blik voorwaarts, zij ziet niet alleen vooruit naar het einde der wereld, maar ook terug naar den aanvang der wereld. Door het geloof verstaan wij veelmeer van de schepping der wereld dan wij er ooit door het blote oog onzer rede van te weten kunnen komen. Het geloof oefent geen dwang uit op ons verstand, maar is het een helpende vriend. Wat geeft het geloof ons nu te verstaan ten opzichte van de wereld, dat is van de schepping van het heelal?
1. Dat deze wereld niet eeuwig is, dat ze niet op ene of andere wijze zichzelf voortbracht, maar dat ze door iemand gemaakt is.
2. Dat de maker van het heelal is God, Hij is de maker van alle dingen, Hij moet dus God zijn.
3. Dat Hij de wereld met grote nauwkeurigheid gemaakt heeft, Hij heeft haar toebereid, elk onderdeel op zijn eigen plaats gesteld en geschikt gemaakt om aan zijn doel te beantwoorden en daardoor de volkomenheid van den Schepper bekend te maken.
4. Dat God deze wereld maakte door Zijn woord, dat is door Zijn inwonende wijsheid en Zijn eigen Zoon en door Zijn werkenden wil.
Hij spreekt en het is er, Psalm 33:9.
5. Dat de wereld zo toebereid werd uit niets, en niet uit enige voorwereldlijke stof, het tegendeel van het algemeen aangenomen beginsel: uit niets wordt niets. Dat is altijd waar van geschapen kracht, maar heeft geen betrekking op God, die roept de dingen, die niet zijn, alsof zij waren, en gebiedt hun te bestaan. Deze dingen verstaan wij door het geloof. De Bijbel geeft ons het getrouwste en nauwkeurigste bericht aangaande den oorsprong aller dingen, en wij zijn gehouden dat te geloven en niet het bijbels verhaal van de schepping te wraken of te ontkennen, omdat het niet overeenkomt met sommige van onze hersenschimmen, die voor vele geleerde maar verleide mannen de eerste schreden naar het ongeloof geweest zijn, welke door verscheidene andere gevolgd werden.