Hooglied 1:12-17
Hier wordt de samenspreking tussen Christus en Zijn bruid voortgezet en worden woorden van tederheid onderling gewisseld.
I. Gelovigen hebben een groot welbehagen in Christus en in gemeenschapsoefening met Hem. U, die gelooft, is Hij dierbaar boven iets wat het ook zij, in de wereld, 1 Petrus 2:7.
Merk op:
1. De nederige eerbied, die de gelovigen hebben voor Christus als hun soeverein, vers 12. Hij is een Koning, beide ten opzichte van waardigheid en van heerschappij, Hij draagt de erekroon, Hij voert de scepter van macht, en die beide tot onuitsprekelijke voldoening van al Zijn volk. De koning heeft Zijn koninklijke tafel gespreid in het Evangelie, waarin voor alle volken een vette maaltijd is gemaakt, Jesaja 25:6. De opperste Wijsheid heeft haar tafel toegedicht, Spreuken 9:2. Hij zit aan deze tafel om Zijn gasten te laten eten, Mattheus 22:11, om te zien dat er niets ontbreekt dat geschikt voor hen is, Hij houdt avondmaal met hen en zij met Hem, Openbaring 3:20, Hij heeft gemeenschap met hen en verheugt zich in hen, Hij zit aan Zijn tafel om hen welkom te heten en hun de spijzen uit te delen zoals Christus de vijf broden brak, en ze aan Zijn discipelen gaf, opdat deze ze onder de schare zouden uitdelen, Hij zit daar om petities, verzoekschriften te ontvangen, bij de maaltijd met wijn, zoals Ahasveros aan Esther toestond om hem haar verzoek voor te dragen bij de maaltijd met wijn. Hij heeft beloofd om in Zijn inzettingen altijd bij Zijn volk te zijn. Dan doen de gelovigen Hem al de eer aan, die zij kunnen, en beijveren zij zich om Hem hun achting en dankbaarheid te kennen te geven, zoals Maria gedaan heeft toen zij Zijn hoofd gezalfd heeft met de nardus, die een zeer kostelijke zalf was, een pond ervan had een waarde van drie honderd penningen, en zo geurig was, dat het huis vervuld werd met de reuk ervan, Johannes 12:3, welk verhaal als bestemd schijnt om naar deze schriftuurplaats te verwijzen, want Christus zat toen aan tafel. Als goede christenen in enigerlei plicht van de godsdienst, inzonderheid in de inzetting van het Avondmaal van de Heer, wanneer het de Koning behaagt om als het ware met ons aan te zitten aan Zijn eigen tafel, hun genadegaven in beoefening brengen, als hun hart, verbroken door berouw, genezen wordt door geloof, en beïnvloed wordt door heilige liefde en begeerte naar Christus en door de blijde verwachting van de heerlijkheid, die geopenbaard zal worden, dan verspreidt de nardus haar reuk. Het behaagt Christus er zich geëerd door te achten, en haar aan te nemen als een blijk van eerbied voor Hem, zoals het in de wijzen van het oosten was, die hun hulde aan de pasgeboren koning van de Joden bewezen door Hem wierook en mirre te brengen. De genadegaven van Gods Geest in het hart van de gelovigen zijn zeer kostelijk in zichzelf en welbehaaglijk aan Christus, en Zijn tegenwoordigheid in de inzettingen doet ze uitkomen en brengt ze in beoefening. Als Hij zich terugtrekt kwijnt de genade, zoals planten in de afwezigheid van de zon, als Hij nadert, dan wordt het aangezicht van de ziel vernieuwd, zoals het gelaat des aardrijks vernieuwd wordt in de lente, en dan is het tijd voor ons om ons op te wekken, opdat wij de glans niet verliezen noch de windvlaag missen, want niets wordt welbehaaglijk gedaan dan hetgeen door de genade gedaan wordt, Hebreeën 12:28.
2. De sterke genegenheid, die zij hebben voor Christus als hun liefste hun welbeminde, vers la. Christus wordt niet alleen bemind door alle gelovige zielen, maar Hij is hun welbeminde. Hij heeft de plaats in hun hart, waarop geen mededinger kan worden toegelaten, de binnenste en de bovenste plaats. Merk op:
A. Hoe Christus door alle gelovigen geschat wordt Hij is een bundeltje mirre en een tros van cyprus, iets, ja alles wat aangenaam is. De leer van Zijn Evangelie en de vertroostingen van Zijn Geest zijn hun zeer verkwikkend, en zij rusten in Zijn liefde, geen van de genietingen van de zinnen is te vergelijken bij het geestelijk vermaak, dat zij hebben in het bepeinzen van Christus en in Hem te genieten. Er is een samengestelde lieflijkheid in Christus, en zij is zeer overvloedig, er is een bundeltje mirre en een tros van cyprus, wij zijn niet nauw in Hem in wie alle volheid woont. Het woord dat in onze overzetting door cyprus vertaald is, is in het Hebreeuws "kofer", hetzelfde woord dat verzoening betekent. Christus is een tros van verdienste en gerechtigheid voor alle gelovigen, Hij is hun dierbaar, omdat Hij de verzoening is van hun zonde.
Merk op welk een nadruk de bruid legt op de toeëigening. Hij is mij, en nog eens, Hij is mij al wat lieflijk is, wat Hij ook voor anderen moge wezen, dit is Hij voor mij, Hij heeft mij liefgehad, en heeft zich voor mij overgegeven, Hij is mijn Heer en mijn God. B. Hoe Hij wordt aangenomen. Hij zal de gehele nacht tussen mijn borsten liggen, vers 13, dicht aan mijn hart. Christus legt de beminde discipelen aan Zijn borst, waarom zouden zij dan hun beminde Zaligmaker niet aan hun borst leggen? Waarom zouden zij Hem niet omvatten met beide hun armen, en Hem vasthouden met het besluit om Hem nooit los te laten? Christus moet in het hart wonen, Efeziers 3:17, en ten dien einde moeten de overspeligheden van tussen de borsten weggedaan worden, Hosea 2:1, geen ander mag Zijn plaats in de ziel hebben. Hij zal als een bundeltje mirre zijn, een zak met reukwerk tussen mijn borsten, die mij altijd lieflijk is, of Zijn beeltenis in miniatuur, Zijn liefdepanden zullen tussen mijn borsten gelegd worden, zoals zij gewoon zijn te doen, die dierbaar zijn aan elkaar. Hij zal daar niet slechts voor een tijdje gelegd worden, maar zal er blijven.
II. Jezus Christus heeft een groot welbehagen in Zijn kerk, en in ieder waar gelovige. zij zijn beminnelijk in Zijn ogen, vers 15. Zie gij zijt schoon, mijn vriendin, en wederom, zie gij zijt schoon. Hij zegt dit, niet om haar hoogmoedig te maken, nederigheid is een voornaam bestanddeel in geestelijke schoonheid-maar
1. Om te tonen dat er een wezenlijke schoonheid is in heiligheid, dat allen, die geheiligd zijn, daardoor versierd zijn, zij zijn in waarheid schoon.
2. Dat Hij een groot welbehagen heeft in het goede werk, dat Zijn genade gewrocht heeft in de zielen van de gelovigen, zodat Hij, hoewel zij hun zwakheden en gebreken hebben, hen schoon vindt, wat zij ook van zichzelf mogen vinden, en wat de wereld ook van hen moge denken. Hij noemt hen vrienden, de verborgen mens des harten in het onverderfelijk versiersel van een zachtmoedige en stille geest is kostelijk voor God, l Petrus 3:4.
3. Om zwakke gelovigen te vertroosten, die door hun eigen zwartheid ontmoedigd zijn, laat hun telkens en nogmaals gezegd worden dat zij schoon zijn.
4. Om allen, die geheiligd zijn, op te wekken om zeer dankbaar te wezen voor de genade, die hen schoon heeft doen worden, die van natuur mismaakt waren, en de huid van de Moorman veranderd heeft. Een bijzonderheid van de schoonheid van de bruid wordt hier genoemd, namelijk dat zij duivenogen heeft, zoals ook Hoofdstuk 4:1. Diegenen zijn schoon in de schatting van Christus, die niet het scherpe, doordringende oog hebben van de arend, maar het reine, kuise oog van de duif, niet als de valk, die als hij opwaarts vliegt, nog het oog op zijn prooi op aarde gericht houdt, maar een nederig, ingetogen oog, een oog dat eenvoudigheid en godvruchtige oprechtheid uitdrukt, en de onschuld van een duif. Ogen, verlicht en bestuurd door de Heiligen Geest, die gezegende duif, wenende ogen, kermende als een duif, Ezechiël 7:16.
III. De kerk drukt haar waardering uit van Christus, vers 16. Zie, Gij zijt schoon. Zie hoe Christus en de gelovigen elkaar prijzen. Israël zegt van God: Wie is als zij ? Exodus 15:11, en God zegt van Israël: Wie is u gelijk? Deuteronomium 33:29. "Heer", zegt de kerk, "noemt Gij mij schoon?" Neen zo het aan de kracht komt, zie Hij is sterk, Job 9:19, e en evenzo, als het aan de schoonheid komt, Gij zijt schoon. Ik ben niet anders schoon dan in zoverre Uw beeld mij ingedrukt is, Gij zijt het grote oorspronkelijke, ik ben slechts een zwakke onvolkomen kopie, ik ben slechts Uw "umbra Uw schaduw", Johannes 1:16, 3:34. Gij zijt schoon in Uzelf, en wat meer is lieflijk voor al de Uwen. Velen zijn schoon genoeg om aan te zien, maar het zure, gemelijke van hun aard maakt hen onaangenaam maar Gij zijt schoon, ja lieflijk." Christus is lieflijk, als de onze, in verbond met ons, in betrekking tot ons". Gij zijt thans lieflijk, als de Koning aan Zijn tafel is. Christus is altijd dierbaar aan de gelovigen, maar zeer bijzonder lieflijk als zij in gemeenschap met Hem worden toegelaten, als zij Zijn stem horen, en Zijn aangezicht zien en Zijn liefde proeven en smaken. Het is goed hier te zijn.
Haar achting voor of waardering van de persoon van haar man uitgedrukt hebbende, als een liefhebbende vrouw, die vervoerd is van vreugde, omdat zij zo goed over zichzelf beschikt heeft, roemt zij de schikkingen, die Hij gemaakt had voor haar gemak en genoegen, Zijn bed, Zijn huis, Zijn balken en galerijen, vers 16, hetgeen voegzaam toegepast kan worden op die heilige inzettingen, in welke de gelovigen gemeenschap hebben met Jezus Christus, de tekenen en onderpanden ontvangen van Zijn liefde, en Hem wederkerig hun godvruchtige genegenheid betonen, hun bekendheid met Hem doen toenemen, en door Hem gebruik maken van de voorrechten er van.
1. Deze noemt zij onze. Christus en de gelovigen hebben er tezamen deel aan. Gelijk man en vrouw mede-erfgenamen zijn, 1 Petrus 3:7, zo zijn de gelovigen mede-erfgenamen van Christus, Romeinen 8:17. Het zijn Zijn inzettingen en haar voorrechten, Christus en de gelovigen ontmoeten er elkaar in. Zij noemt ze niet mijne, want een gelovige zal niets als het zijne erkennen, of Christus zal er deel in hebben, noch Uwe, want Christus heeft gezegd: al het Mijne is het uwe, Lukas 15:31. Alles is het onze, indien wij van Christus zijn. Zij, die door het geloof zich Christus toeëigenen, kunnen zich ook alles wat van Hem is toeëigenen.
2. Dezen zijn de besten van hun soort. Ons bed is groen, een kleur die in een herdersdicht boven iedere andere gesteld wordt, omdat het de kleur is van de velden en van de bosjes, waar de herder zijn werk en zijn verlustiging vindt. Het is een verkwikkende kleur, goed voor de ogen, en het geeft vruchtbaarheid te kennen. Ik zal zijn als een groene olijfboom, Psalm 52:10. Wij zijn aan Christus gehuwd, opdat Wij Gode vrucht zouden dragen, Romeinen 7:4. De balken van onze huizen zijn cederen, vers 17, hetgeen waarschijnlijk ziet op de tempel, die Salomo onlangs gebouwd had tot gemeenschapsoefening tussen God en Israël, en die van cederhout was, een sterke houtsoort, welriekend, duurzaam, en die nooit zal rotten, een type van de vastheid en de voortduur van de kerk, de evangelietempel, de galerijen om op te wandelen, zijn van cypressen, een houtsoort, aangenaam voor het oog en voor de reuk, de verlustiging aanduidende, die de heiligen hebben in hun wandel met God, met Christus en in met Hem te spreken. In het verbond van de genade is alles zeer vast, zeer schoon en zeer geurig.