2. Opdat u gedachtig bent aan de woorden die met betrekking tot Christus kracht en toekomst (
Hoofdstuk 1:16) van de heilige profeten te voren gesproken zijn en die u altijd weer opnieuw hoort, zo vaak de Schriften van het Oude Testament (
Hoofdstuk 1:19) in uw godsdienstige bijeenkomsten worden gelezen (
1 Timotheus 4:13) en gedenk ook ons gebod, die van de Heere en Zaligmakers apostelen zijn (volgens betere lezing: aan het door uw apostelen ontvangen gebod van de Heere en Zaligmaker).
Met de woorden, die in de grondtekst staan: "Deze is reeds de tweede brief, die ik aan u schrijf", drukt de apostel het korte uit van de tijd, die verlopen is na het schrijven van de eerste brief, om de lezers te doen voelen, hoezeer het doel hem aan het harte ligt, waarmee hij hun nu reeds voor de tweede maal schrijft. Het doel van de beide brieven geeft hij aan met een uitdrukking, zoals aan die in Hoofdstuk 1:13 en overeenkomstig die in Hoofdstuk 1:12-21 Zij zijn, om indachtig te maken en dus niet alsof het hun eerst nog moest geleerd worden hun oprecht gemoed, dat hij dus veronderstelt, daartoe op te wekken, dat zij datgene, wat de heilige profeten te voren hebben gesproken en de aanwijzing van de Heere en Zaligmaker, hun door de apostelen bekend gemaakt, wel indachtig zijn. Als hij schrijft: "opdat u gedachtig bent aan de woorden, die van de heilige profeten te voren gesproken zijn", dan plaatst hij met dat "te voren" het door de profeten gezegde tegenover hetgeen de lezers uit de mond van hun apostelen vernomen hebben als het nu gegeven bevel van Jezus Christus (Hebreeën 1:1, b) Met de apostelen van de lezers bedoelt hij dezelfden, waarvan hij in 1 Petrus 1:12 had gezegd, dat zij de lezers door de Heilige Geest het Evangelie hadden verkondigd, hen herinnerende aan Paulus en Silas.
Het gebod van deze hun apostelen is niet het gebod van hen, van de apostelen, maar het gebod van de Heer en Zaligmaker; daarop vooral berust de plicht, om er aan te denken. De Geest van Christus voorspelt door de heilige profeten (1 Petrus 1:11), door de apostelen beveelt de Heere en Zaligmaker.
Oprecht is het gemoed van de Christenen, zoals Petrus bij zijn lezers veronderstelt, als dat, om zo te spreken, verdragen kan om ter beproeving tegen het heldere zonnelicht te worden gehouden, als het, zonder door iets vreemds bezoedeld te zijn, geheel en alleen datgene tot zijn inhoud en tot bepalende macht heeft, wat naar zijn oorspronkelijke natuur, naar zijn idee het wezen ervan moet uitmaken. Hier nu worden de lezers opgewekt om hun oprecht gemoed te openbaren, zodat het blijkt, dat zij zich niet door de verleidende wijsheid van de dwaalleraars in enig opzicht laten meeslepen. Zij moeten zich houden aan de enige waarheid, die voor de Christen bestaat, aan het goddelijk woord, dat Petrus naar zijn twee geschiedkundige vormen op twee wijzen noemt. Zoals hij boven (Hoofdstuk 1:16) in verband met de overeenkomstige verklaring over het doel van zijn brief ten opzichte van de terugkomst van de Heere, de lezers heeft gewezen op de apostolische leer, gewaarborgd door geschiedkundige feiten en op het woord van de profetie, dat door diezelfde feiten opnieuw bekrachtigd is, zo geeft hij ook hier als doel van zijn brieven aan, het opwekken van de lezers, om getrouw vast te houden aan de Oud Testamentische profetie van deze toekomst van het heil en aan het gebod, hun door de Heere zelf gedaan. Onder dat gebod kan volgens het verband niet goed iets anders worden verstaan, dan de verschillende reden van de Heere, waarin hij op geheel overeenstemmende wijze, in onmiddellijke aansluiting aan de profetie van het Oude Verbond een eindelijke vervulling van het daar aangekondigde voorspelt, die slechts het noodzakelijk besluit is van het einde, dat met zijn persoon en zijn geschiedenis reeds is aangevangen in het kort de in de Evangeliën zo uitvoerig aangewezen nadrukkelijke geboden van de Heere, om Zijn toekomst te verwachten, zowel in onwrikbaar geloof daaraan en aan de volmaking van de zaligheid, die daarmee geschiedt, als ook in het streven naar heiligmaking, die alleen die dag van Zijn toekomst kan maken tot een dag van zo'n heerlijke voltooiing van de zaligheid.
Waren er reeds in de dagen van de apostelen spotters, die het heilige durfden aanranden; zegt Petrus, dat men er rekening op maken moest, dat zij onder de bedeling van het Nieuwe Testament zouden opstaan, dan voegt ook ons toe te zien, of zij in onze tijd niet gevonden worden en dan is het alleszins nodig op de losheid en ijdelheid van hun spottaal acht te geven, omdat toch de zaken zo blijven en voortgaan, zoals zij sinds eeuwen, van de schepping af, geweest zijn en het een en ander zich gedurig afwisselt. Terwijl er van oude tijden af van een dag des oordeels en van de rechtvaardige vergelding gesproken is en deze nog niet verschijnt, zo leiden de ongelovige spotters daaruit af, dat deze verwachting van de gelovigen ongegrond is, slechts een hersenschim, een dwaze verbeelding van de mensen was, die nooit verwezenlijkt zal worden, en leven daarom in zorgeloze gerustheid en brooddronkenheid voor zichzelf voort, terwijl zij anderen ook proberen af te trekken en tot de zonde trachten te verleiden. Verderfelijk inderdaad zijn deze mensen; des te verderfelijker daarom, omdat zij enigen schijn van waarheid weten voor te geen en op de zinnelijkheid van de natuur werken, om die tot zorgeloosheid te verleiden en in slaap te wiegen, zoals ook het ongeloof en de twijfelzucht zo geredelijk ingang vinden in het gemoed van de mensen. EPISTEL OP DE ZESENTWINTIGSTE ZONDAG NA TRINITATIS
("1 Thessalonicenzen 5:1" en "2 Thessalonicenzen 1:3
Het einde van de wereld: de apostel geeft ons daarover 1) waarschuwingen, 2) leringen, 3) vermaningen.
Het bereid zijn voor de dag van de Heere; het bestaat daarin, dat wij 1) ons niet op een dwaalspoor laten brengen door de spotters, die het komen van deze dag loochenen, 2) de genadige bedoelingen erkennen, die de Heere met het uitstel van deze dag heeft, 3) de heerlijkheid van deze dag tegemoet zien en wachten, 4) met heilige zin versierd, onstraffelijk in vrede voor Hem bevonden worden.
Petrus' woord over de jongste dag, hoe hij 1) de zekerheid ervan beweert en 2) tot voorbereiding vermaant.
De ondergang van de wereld: 1) de wereld zal zeker ten onder gaan; 2) waarom is die ondergang nog niet begonnen? 3) op welke wijze zal zij plaats hebben? 4) wie zal daarbij behouden blijven?
Waarom toeft de Heere met Zijn terugkomst? opdat 1) ons geloof bevestigd wordt, 2) Zijn liefde zich in haar heerlijkheid openbaart, 3) Zijn oordeel over alle volken rechtvaardig is.
Over het wereldgericht: 1) het komt zeker; 2) dat het nog niet gekomen is, is Gods genade; 3) het komt echter als een dief in de nacht; 4) wees daarom bereid, opdat u uw zielen redden mag.
Het laatste oordeel: 1) laat het op zich wachten, het komt toch zeker; 2) als u het met ernst verwacht, gaat u veilig.