Johannes 21:15-19
Wij hebben hier Christus' gesprek met Petrus na het middagmaal, zo veel er van als betrekking heeft op hem zelven, waarin:
I. Hij een onderzoek instelt naar zijne liefde tot Hem, en hem last geeft betreffende Zijne kudde, vers 15-17. Merk op:
1. Wanneer Christus dit gesprek hield met Petrus. -Het was na het middagmaal. Zij hadden allen gegeten, en waren verzadigd, en waarschijnlijk onderhield onze Heere Jezus hen met stichtelijke toespraak aan tafel, zoals dat Zijne gewoonte was. Christus voorzag, dat hetgeen Hij aan Petrus te zeggen had, hem enige ongerustheid zou geven, en daarom wilde Hij het hem niet zeggen dan nadat zij het middagmaal gehouden hadden, omdat Hij zijn middagmaal niet wilde bederven. Petrus was zich wel bewust, dat hij zijns Meesters ongenoegen verdiend had, en niet anders kon verwachten, dan dat hem zijne ontrouw en ondankbaarheid verweten zouden worden. "Was dit uwe vriendelijkheid jegens uwen Vriend? Heb Ik u niet gezegd welk een lafaard gij u zult betonen?" Ja meer, hij kon terecht verwachten, dat hij van de lijst der discipelen geschrapt zou worden, en uit het heilige gezelschap der apostelen zou worden gebannen. Tweemaal, indien niet driemaal, had hij zijn' Meester gezien na Zijne opstanding, en Hij heeft er hem geen woord van gezegd. Wij kunnen onderstellen, dat Petrus niet wist hoe hij met zijn Meester stond, door twijfel en onrust hierover in spanning verkeerde, soms het beste hopende, omdat hij met de overigen gunst van Hem had ontvangen, maar toch ook niet zonder vrees, dat eindelijk de bestraffing zou komen, die hem voor alles zou doen boeten. Maar nu maakt zijn Meester een einde aan zijne pijnlijke onzekerheid, Hij zegt hem wat Hij hem te zeggen heeft, en bevestigt hem in zijn rang als apostel. Hij heeft hem niet haastig van zijn' misstap gesproken, maar dit uitgesteld tot later, Hij heeft er hem niet ontijdig van gesproken om ontroering te weeg te brengen onder het gezelschap aan tafel, maar nadat zij het middagmaal hadden gehouden, ten teken van verzoening, toen heeft Hij er hem over onderhouden, en Hij sprak niet als tot een misdadiger, doch als tot een vriend. Petrus had zich zelven om die zaak bestraft, en daarom heeft Christus ze hem niet verweten, noch er hem rechtstreeks over gesproken, slechts door een stilzwijgenden wenk er op gedoeld, en overtuigd van zijne oprechtheid, was zijne zonde niet slechts vergeven, maar ook vergeten, en Christus laat het hem weten, dat hij Hem even dierbaar is als ooit te voren. Hierin heeft Hij ons een bemoedigend voorbeeld gegeven van Zijne tederheid jegens boetvaardigen, en ons geleerd, om evenzo hen, die gevallen zijn, met den geest der zachtmoedigheid terecht te brengen.
2. Het gesprek zelf. Driemaal wordt hier dezelfde vraag gedaan, en driemaal hetzelfde antwoord gegeven, met slechts weinig verschil, en toch is hier gene "ijdele herhaling". Dezelfde zaak heeft onze Heiland, sprekende, driemaal herhaald, om op Petrus, en op de andere discipelen, die tegenwoordig waren, des te dieper indruk te maken, en de evangelist, schrijvende, herhaalt het, om er op ons en op allen, die het lezen, des te dieper indruk door teweeg te brengen.
a. Driemaal vraagt Christus aan Petrus, of hij Hem liefheeft. De eerste maal luidt de vraag: Simon, zoon van Jonas! hebt gij Mij liever dan dezen? Merk op: a. Hoe Hij hem noemt: Simon, zoon van Jonas. Hij noemt hem bij name, om hem des te meer aan te doen, zoals in Lukas 22:31. Simon, Simon. Hij noemt hem niet Cefas, noch Petrus, de naam, dien Hij hem had gegeven, (want hij had het aanzien van kracht en vastheid-de betekenis van dien naam-verloren) maar bij zijn oorspronkelijken naam: Simon. Hij geeft hem echter gene harde woorden, hoewel hij ze verdiend had, maar noemt hem, zoals Hij hem genoemd had, toen Hij hem zalig sprak, Simon Bar-Jona, Mattheus 16:17. Hij noemt hem zoon van Jonas, (of Johannes) om hem zijne afkomst te herinneren, hoe gering die was, en hoe onwaardig de ere, waartoe hij was bevorderd. b. Hij ondervraagt hem: Hebt gij Mij liever dan dezen? Ten eerste. Hebt gij Mij lief? Als wij willen weten, of wij waarlijk Christus' discipelen zijn, dan moeten wij vragen: Hebben wij Hem lief? Maar er was ene bijzondere reden, waarom Christus aan Petrus deze vraag deed.
1. Zijn val heeft aanleiding gegeven om te twijfelen aan zijne liefde. "Petrus, Ik heb reden om uwe liefde te verdenken, want, zo gij Mij had liefgehad, gij zoudt u noch geschaamd hebben om Mij te erkennen in Mijn lijden, noch het gevreesd hebben. Hoe kun t gij zeggen, dat gij Mij liefhebt, daar toch uw hart niet met Mij geweest is? Wij moeten het gene belediging achten, dat onze liefde, of onze oprechtheid in twijfel wordt getrokken, als wij datgene gedaan hebben, dat die twijfel rechtvaardigt. Na een diepen val moeten wij wèl toezien om niet te spoedig weer te gaan staan, opdat wij niet op een wankelen grond gaan staan. De vraag is aandoenlijk: Hij vraagt niet: "Vreest gij Mij? Eert gij Mij? Bewondert gij Mij?" maar "Hebt gij Mij lief? Geef hier slechts het bewijs van, en de belediging zal voorbijgezien worden, er zal niet meer over worden gesproken". Petrus had zich boetvaardig beleden, getuigen zijne tranen, en zijn terugkeer tot het gezelschap der discipelen. Als boetvaardige was hij nu in een proeftijd, maar de vraag is niet: "Simon, hoe veel hebt gij geweend? Hoe dikwijls hebt gij gevast, en uwe ziel gekweld?" Maar: Hebt gij Mij lief? Dat is het, hetwelk de andere uitdrukkingen van berouw welbehaaglijk zal maken. De grote zaak, die Christus beoogt in boetvaardigen is, dat zij in hun boetvaardigheid Hem op het oog hebben. Er is haar veel vergeven, niet omdat zij veel heeft geweend, maar omdat zij veel liefgehad heeft.
2. Zijn ambt en werk zullen hem de gelegenheid geven om Zijne liefde in beoefening te brengen. Eer Christus Zijne schapen aan zijne zorg wilde toevertrouwen, vroeg Hij hem: Hebt gij Mij lief? Christus had zulk ene tedere liefde voor Zijne kudde, dat Hij haar aan niemand wilde toevertrouwen dan aan hen, die Hem liefhebben, en dus ook al de Zijnen zullen liefhebben om Zijnentwil. Zij, die Christus niet waarlijk liefhebben, zullen ook gene ware liefde hebben voor de zielen der mensen, en zullen dan ook hun toestand niet ter harte nemen, zoals zij behoorden te doen, en ook zal die Evangelieprediker zijn werk niet liefhebben, die zijn Meester niet liefheeft. Niets dan de liefde van Christus zal de leraren dringen om goedsmoeds de moeilijkheden en teleurstellingen te dragen, die zij bij hun arbeid ondervinden, 2 Corinthiërs 5:13, 14. Maar die liefde zal hun werk licht, en hen zelven er ijverig en vurig in maken.
Ten tweede. Hebt gij Mij liever dan dezen, pleion toutoon.
1. "Hebt gij Mij meer lief, dan gij dezen liefhebt", meer dan gij deze personen liefhebt? Hebt gij Mij meer lief, dan gij Jakobus, of Johannes, uwe boezemvrienden, liefhebt, of Andreas, uwen broeder en metgezel? Diegenen hebben Christus niet lief op de rechte wijze, die Hem niet meer liefhebben dan de beste vrienden, die zij in de wereld hebben, en dit, telkenmale, als zij in vergelijking of in mededinging met Hem komen, doen blijken. Of wel, meer dan gij deze dingen liefhebt, deze boten en netten-meer dan al het genoegen van vissen, dat voor sommigen een genot en ene uitspanning is- meer dan het gewin van vissen, waarvan anderen hun beroep maken". Zij alleen hebben Christus in waarheid lief, die Hem meer liefhebben dan al de genietingen der zinnen, en dan al het gewin der wereld. "Hebt gij Mij meer lief dan gij al het werk liefhebt, waarmee gij u thans bezig houdt? Zo ja, verlaat het, om u nu alleen bezig te houden met het hoeden Mijner kudde", aldus Dr. Whitby.
2. "Hebt gij Mij meer lief dan dezen Mij liefhebben, meer dan al de andere discipelen Mij liefhebben? En dan is de vraag bedoeld om hem wegens zijn verwaand roemen te bestraffen. Al zouden allen U verloochenen, ik zal U geenszins verloochenen. "Zijt gij nog van dat zelfde gevoelen?" Of, om hem te kennen te geven, dat hij nu meer reden had dan iemand hunner om Hem lief te hebben, want aan hem is meer vergeven dan aan een hunner, in zover als zijne zonde van Hem te verloochenen, groter was dan de hun van Hem te verlaten. "Zeg dan, wie van dezen zal Hem meer liefhebben? Lukas 7:42. Wij allen behoren er naar te streven om elkaar te overtreffen in liefde tot Christus. Het is geen vredebreuk, deze wedstrijd, om Christus het meest lief te hebben, en ook geen inbreuk tegen goede manieren, om voor anderen heen te gaan in deze liefde.
Ten derde. De tweede en derde maal, dat Christus deze vraag deed.
1. Hij liet nu de vergelijking weg: meer dan dezen, omdat Petrus haar bescheidenlijk in zijn antwoord had weggelaten, daar hij zich niet bij zijne broederen wilde vergelijken, en nog minder zich boven hen wilde stellen. Ofschoon wij niet kunnen zeggen: Wij hebben Christus meer lief dan anderen, zullen wij Hem toch welbehaaglijk zijn, als wij kunnen zeggen, dat wij Hem in waarheid liefhebben.
2. In de laatste vraag veranderde Hij het woord, zoals het in het oorspronkelijke staat. In de eerste twee vragen is het oorspronkelijke woord Agapas me -Behoudt gij vriendelijkheid voor Mij? In het antwoord hierop gebruikt Petrus een ander woord, dat sterker, nadrukkelijker is, philo se -Ik heb U zeer lief. De laatste maal de vraag doende, gebruikt Christus dat woord: "Hebt gij Mij zeer lief?"
b. Driemaal geeft Petrus aan Christus hetzelfde antwoord: Ja, Heere! Gij weet, dat ik U liefheb. Merk op: a. Petrus beweert niet, dat hij Christus meer liefhad dan de andere discipelen. Hij schaamt zich nu over zijn roekeloos, onbezonnen woord: Al zouden allen U verloochenen, ik zal U niet verloochenen, en hij had wel reden om het zich te schamen. Hoewel wij er naar moeten streven, om beter te zijn dan anderen, moeten wij toch door ootmoedigheid anderen uitnemender achten dan ons zelven, want wij weten meer kwaad van ons zelven dan wij van onze broederen weten. b. Toch belijdt hij wederom en nogmaals, dat hij Christus liefheeft: "Ja, Heere! voorzeker heb ik U lief, ik zou onwaardig zijn te leven, indien ik U niet liefhad". Hij had hoge achting voor Hem, grote waardering van Hem, een dankbare bewustheid van Zijne goedheid, hij was geheel toegewijd aan Zijne eer en heerlijkheid en Zijne belangen. Zijne begeerte ging naar Hem uit, zonder Hem gevoelde hij zich verloren. Hij verlustigde zich in Hem, in Hem was hij onuitsprekelijk gelukkig. Dit staat gelijk met ene belijdenis van zijn berouw wegens zijne zonde, want het is ons ene smart iemand, dien wij liefhebben, te hebben beledigd. Het was ook ene belofte van Hem in het vervolg te zullen aankleven. "Heere! ik heb U lief, en zal U nooit verlaten". Christus heeft voor hem gebeden, dat zijn geloof niet zou ophouden, Lukas 22:32, en, omdat zijn geloof niet heeft opgehouden, heeft ook zijne liefde niet opgehouden, want het geloof werkt door de liefde. Petrus had zijn recht verbeurd op betrekking tot Christus. Nu moet hij, op zijn berouw, opnieuw toegelaten worden. Christus maakt dit tot zijn toetssteen: Hebt gij Mij lief? En Petrus stemt hiermede in: "Heere, ik heb U lief". Zij, die door genade in waarheid kunnen zeggen, dat zij Jezus Christus liefhebben, kunnen de vertroosting hebben van hun deel in Hem, niettegenstaande hun zwakheid en dagelijkse tekortkomingen. c. Hij beroept zich op Christus zelf om het te bewijzen: Gij weet, dat ik U liefheb, en de derde maal nog nadrukkelijker: Gij weet alle dingen, Gij weet, dat ik U liefheb. Hij roept zijne medediscipelen niet op om voor hem te getuigen-zij konden zich in hem bedriegen, hij denkt ook niet, dat zijn woord volstaan kan-de geloofwaardigheid daarvan was vernietigd, maar hij neemt Christus zelf tot getuige. Ten eerste. Petrus was er zeker van, dat Christus alle dingen wist, inzonderheid, dat Hij het hart kent, een oordeler is der gedachten en der overleggingen er van, Hoofdstuk 16:30. Ten tweede. Petrus was er van overtuigd, dat Christus, die alle dingen wist, de oprechtheid kende van zijne liefde tot Hem, en dat Hij bereid zou wezen om ten zijnen voordele hiervan te getuigen. Voor den geveinsde is het ene verschrikking te denken, dat Christus alle dingen weet, want de Goddelijke alwetendheid zal een getuige tegen hem zijn. Maar voor den oprechten Christen is het ene vertroosting zich hierop te kunnen beroepen: in den hemel is mijne getuige, en mijn getuigen in de hoogten. Christus kent ons beter dan wij ons zelven kennen. Al kennen wij onze eigene oprechtheid niet, Hij kent haar. d. Hij werd bedroefd toen Christus hem voor de derde maal vroeg: Hebt gij Mij lief? vers 17.
Ten eerste. Omdat het hem herinnerde aan zijne drievoudige verloochening van Christus, en blijkbaar hiertoe bedoeld was, en toen hij hieraan dacht, weende hij. Iedere herinnering aan vroegere zonden, al zijn het ook vergeven zonden, zal de smart van een waar boetvaardige vernieuwen. Opdat gij het gedachtig zijt en u schaamt. wanneer Ik voor u verzoening doen zal. Ten tweede. Omdat hij vreesde, dat zijn Meest er wellicht zag, dat hij zich nog verder zou misdragen, dat dan in even grote tegenspraak zou wezen met de belijdenis van zijne liefde jegens Hem, als zijne vroegere belijdenis daarvan. "Gewis", denkt Petrus, "mijn Meester zou m ij die pijniging niet aandoen, als Hij er gene reden voor zag. Wat zou er van mij worden, indien ik nogmaals in verzoeking kwam?" Droefheid naar God werkt zorgzaamheid en vreze, 2 Corinthiërs 7:11.
c. Driemaal heeft Christus aan Petrus de zorge over Zijne kudde opgedragen: Weid Mijne lammeren, hoed Mijne schapen. a. Zij, die door Christus aan Petrus' zorge werden toevertrouwd, waren Zijne lammeren en Zijne schapen. De kerk van Christus is Zijne kudde, welke Hij verkregen heeft door Zijn bloed, Handelingen 20:28, en Hij is er de Opperherder van. In deze kudde zijn lammeren, jong, teer en zwak, er zijn ook schapen in, opgegroeid tot enige kracht en rijpheid, Voor beiden wordt hier zorg gedragen door den Herder, het eerst voor de lammeren, want voor dezen heeft Hij bij alle gelegenheden ene bijzondere tederheid aan den dag gelegd. Hij zal de lammeren in Zijne armen vergaderen, en in Zijn schoot dragen, Jesaja 40:11. b. De last, dien Hij, hen betreffende, geeft, is ze te weiden. Het woord in vers 15, 17 gebruikt, is Boske, dat, strikt genomen, betekent ze voedsel te geven, maar het woord, gebruikt in vers 16, is poimaine, hetwelk meer in het algemeen de betekenis heeft van al de diensten eens herders voor hen te doen. Weid de lammeren, voed ze met hetgeen goed voor hen is, desgelijks ook de schapen, met het brood huns bescheiden deels. Er zijn de verlorene schapen van het huis Israël's, zoek ze en weid ze, en ook de andere schapen, die van dezen stal niet zijn. Het is de plicht van alle dienstknechten van Christus, om Zijne lam meren en schapen te weiden. Weid ze, dat is: onderwijst ze, want de leer van het Evangelie is geestelijk voedsel. Weid ze, dat is: "Leid ze in grazige weiden, ga hun voor in hun Godsdienstige bijeenkomsten, bedien hun de middelen der genade. Weid ze door persoonlijke toepassing op hun onderscheiden staat en toestand, zet hun niet slechts spijze voor, maar voed er hen mede, die eigenzinnig zijn en niet willen, of zwak zodat zij het voedsel niet zelven tot zich kunnen nemen". Toen Christus opgevaren is in de hoogte, heeft Hij sommigen tot herders gegeven, Hij heeft Zijne kudde onder de zorge gelaten van hen, die Hem liefhebben, en haar om Zijnentwil zullen hoeden. c. Maar waarom heeft Hij inzonderheid aan Petrus dien last opgedragen? Vraag het den voorstanders van de oppermacht van den paus, en zij zullen u zeggen, dat Christus hiermede bedoeld heeft om aan Petrus, en dus aan zijne opvolgers, en dus aan de bisschoppen van Rome, ene volstrekte heerschappij over, en de hoogste waardigheid in, geheel de Christelijke kerk te geven, alsof de last om de schapen te dienen, de macht verleende om heerschappij te voeren over al de herders, terwijl het toch duidelijk is, dat Petrus zelf nooit aanspraak gemaakt heeft op zulk ene macht, en dat de andere discipelen die macht ook nooit in hem erkend hebben. Deze last aan Petrus gegeven, om het Evangelie te prediken, is door een' vreemdsoortigen kunstgreep gebruikt tot ondersteuning van de overweldiging dezer voorgewende opvolgers, die de schapen beroven, en, in plaats van ze te voeden, zich zelven met hen voeden. Maar de bijzondere toepassing hier op Petrus was bedoeld: Ten eerste Om hem te herstellen in zijn ambt als apostel, nu hij berouw had van zijne afzwering er van, en zijne opdracht te vernieuwen, zowel tot zijne eigene voldoening als voor de voldoening zijner broederen. Ene opdracht, gegeven aan iemand, die aan ene misdaad sc huldig is verklaard, wordt geacht gelijk te staan met ene vergeving der misdaad, en ongetwijfeld was deze opdracht aan Petrus een bewijs, dat Christus met hem verzoend was, want anders zou Hij nooit zulk een vertrouwen in hem hebben gesteld. Van sommigen, die ons bedrogen hebben, zeggen wij: "hoewel wij hun vergiffenis schenken, zullen wij hen echter nooit meer vertrouwen", maar Christus heeft, toen Hij Petrus vergaf, hem het kostbaarste toevertrouwd, dat Hij op aarde had. Ten tweede. Om hem aan te sporen tot ene naarstige vervulling van zijn apostelambt. Petrus was een man van een stoutmoedigen geest en ijverigen aard, altijd vooraan om te spreken en te handelen, en opdat hij nu niet in verzoeking zou zijn om de leiding der herders op zich te nemen, wordt hij belast met het weiden der schapen, gelijk hij zelf de ouderlingen vermaant dit te doen, maar gene heerschappij te voeren over het erfdeel des Heeren, 1 Petrus 5:2, 3. Als hij iets doen wil, zo laat hij dit doen, maar zich niet naar meer uitstrekken. Ten derde. Wat Christus tot hem zei, zei Hij tot al Zijne discipelen. Hij heeft hun allen bevolen, niet slechts vissers van mensen te zijn (hoewel dit aan Petrus gezegd was) door de bekering van zondaren, maar weiders der kudde, door de stichting der heiligen.
II. Nadat Christus Petrus aldus had aangesteld tot het doen van werk, bestemt Hij hem nu ook tot het werk van lijden. Hem bevestigd hebbende in de ere en waardigheid eens apostels, deelt Hij hem nu ook mede welke andere ere voor hem is weggelegd, de ere van het martelaarschap. Merk op:
1. Hoe zijn martelaarschap voorzegd wordt, vers 18. Gij zult uwe handen uitstrekken daartoe genoodzaakt zijnde, en een ander zal u gorden (als een gevangene, die geboeid wordt) en brengen waar gij (van nature) niet wilt.
a. Hij leidt deze kennisgeving aan Petrus van zijn lijden in met ene plechtige verzekering: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u. Er werd niet van gesproken als van iets, dat waarschijnlijk is, iets dat zou kunnen gebeuren, maar als iets dat zeker is: Ik zeg u. Anderen zullen wellicht tot u zeggen wat gij tot Mij gezegd hebt: dit zal u geenszins geschieden, maar Ik zeg u, het zal geschieden". Gelijk Christus al Zijn eigen lijden voorzien heeft, zo heet Hij ook het lijden voorzien van Zijne volgelingen, en het hun voorzegd, hoewel niet in het bijzonder, zoals aan Petrus, maar in het algemeen, dat zij hun kruis zullen moeten opnemen. Hem gelast hebbende Zijne schapen te weiden, zegt Hij hun daar gene eer of gemak in te verwachten, maar benauwdheid en vervolging, en voor wel doen te lijden. b. Hij voorzegt inzonderheid, dat hij een gewelddadigen dood zal sterven, en wel door de hand des scherprechters. Het uitstrekken zijner handen doelt, naar sommiger mening, op zijn dood door kruisiging, en als wij de overlevering kunnen geloven, dan is Petrus te Rome gekruisigd onder Nero, in het jaar onzes Heeren 68, of, naar anderen zeggen, in 79. Anderen denken, dat het heen wijst naar de banden en gevangenis der ter dood veroordeelden. De praal en plechtigheid, waarmee ene ter doodbrenging door beulshanden gepaard gaat, draagt veel bij tot de verschrikking des doods. De dood in deze afschuwelijke gestalte, is dikwijls het lot van Christus' getrouwen geweest, maar die toch overwonnen hebben door het bloed des Lams. Deze voorzegging zou, hoewel voornamelijk doelende op zijn dood, toch hare vervulling hebben in zijn voorafgaand lijden. Zij begon reeds terstond vervuld te worden in zijne gevangenzetting, Handelingen 4:3, 5:18, 12:4. In dat gebracht worden, waar hij niet wilde gaan, lag niet meer opgesloten, dan dat het naar een' gewelddadigen dood was, waar hij heengevoerd zou worden, zulk een dood, als waarvan zelfs ene onschuldige natuur niet zonder afgrijzen kon denken, noch er zonder weerzin toe kon naderen. Wie den Christen aandoet, ontdoet zich daarmee niet van den mens, dat is: hij legt er zijne menselijke natuur niet mede af. Christus zelf heeft den bitteren beker afgebeden. Een natuurlijke afkeer van pijn en dood is zeer wel verenigbaar met ene heilige onderworpenheid aan den wil van God in die beiden. Paulus, die wel wenste ontlast te worden, erkent, dat hij niet kan begeren ontkleed te worden, 2 Corinthiërs 5:4.
c. Hij vergelijkt dit met zijne vorige vrijheid. "Er was een tijd, toen gij deze ongemakken en bezwaren niet hebt gekend, toen gorddet gij u zelven en wandeldet, al waar gij wildet. Als de moeilijkheid komt, dan zijn wij allicht geneigd haar nog te verzwaren door te denken aan den tijd, toen die moeilijkheid nog niet bestond, en ons zo veel meer te kwellen om de beperking, het bedwang, dat ons is opgelegd, of om de ziekte en armoede, waaraan wij ten prooi zijn, omdat wij het zoet hebben gekend van vrijheid, gezondheid en overvloed, Job 29:2, Psalm 42:5. Maar wij kunnen de zaak omkeren, en tot ons zelven zeggen: Hoe vele jaren van voorspoed heb ik gehad, meer dan ik verdiend heb, en mij ten nutte heb gemaakt. En, het goede ontvangen hebbende, zal ik nu ook het kwade niet ontvangen? Zie hier: a. Welk ene verandering er met ons kan plaats hebben ten opzichte van onzen toestand in deze wereld! Zij, die zich zelven gegord hebben met sterkte en ere, en zich in de grootste vrijheid hebben gebaad, wellicht aan losbandigheid hebben toegegeven, kunnen in zo moeilijke omstandigheden komen, dat zij nu van dit alles het tegenovergestelde hebben. Zie 1 Samuël 2:5. b. Welk ene verandering terstond gemaakt wordt met hen, die alles verlaten, om Christus te volgen! Zij moeten niet langer zich zelven gorden, maar Hij moet hen gorden! Zij moeten niet langer wandelen alwaar zij willen, maar waar Hij wil.
c. Welk ene verandering er voorzeker in ons plaats zal hebben, als wij oud worden! Zij, die toen zij jong waren, krachtig waren van lichaam en geest, zeer gemakkelijk hun werk konden doen en ongemakken verduren, zich het genoegen konden geven, dat zij wilden, zullen, als zij oud zijn, bevinden, dat hun kracht is vergaan, zoals die van Simson, toen zijn haar was afgesneden, en hij zich niet meer kon uitschudden zoals vroeger.
d. Christus zegt aan Petrus, dat hij aldus zal lijden in zijn ouderdom. a. Hoewel hij oud zou zijn, en in den loop der natuur niet lang meer zou kunnen leven, wilden zijne vijanden hem toch met geweld uit deze wereld doen heengaan, toen hij op het punt was van er vreedzaam uit heen te gaan, zij wilden zijne kaars uitblussen, toen zij reeds bijna opgebrand was. Zie 2 Kronieken 36:17. b. God zal hem beschutten tegen de woede zijner vijanden totdat hij op hogen leeftijd zou zijn gekomen, ten einde des te geschikter gemaakt te worden om te lijden, en opdat de kerk nog lang door hem gediend zou worden.
2. De verklaring dezer voorzegging, vers 19.
Dit zei Hij (tot Petrus) betekenende met hoedanigen dood hij God verheerlijken zou, als hij zijn loop voleindigd zou hebben. Merk op:
a. Dat het niet slechts aan allen gezet is eenmaal te sterven, maar dat voor ieder vastgesteld is welken dood hij zal sterven, hetzij een natuurlijken, of een gewelddadigen dood, langzaam of plotseling, kalm of pijnlijk. Als Petrus spreekt van zo groten dood, geeft hij hiermede te kennen, dat er graden, of trappen, van dood zijn. Er is ene manier om in de wereld te komen, maar er zijn velerlei manieren om er uit heen te gaan, en God heeft de wijze bepaald, waarop wij er uit heengaan zullen.
b. Dat het de grote zorge is van ieder Godvruchtige, om, welken dood hij ook zal sterven, er God in te verheerlijken, immers, wat is ons voornaamste doel anders dan dit: te sterven in den Heere, naar het woord des Heeren? Als wij geduldig sterven, ons onderwerpende aan den wil van God- blijmoedig sterven, ons verblijdende in de hope der heerlijkheid Gods-nuttig sterven, getuigende van de waarheid en de kostelijkheid van den Godsdienst, en anderen er toe aanmoedigen, dan verheerlijken wij God in ons sterven, en dit is de ernstige verwachting en hoop van alle goede Christenen, zoals zij het van Paulus geweest is, dat Christus in hen zal groot gemaakt worden, hetzij door het leven, hetzij door den dood, Filippenzen 1:20.
c. Dat de dood der martelaren op bijzondere wijze tot verheerlijking van God is geweest. De waarheden Gods, voor welker verdediging zij stierven, zijn er door bevestigd. De genade Gods, waardoor zij met zoveel standvastigheid hun lijden gedragen hebben, wordt er door grootgemaakt. En de vertroostingen Gods, die hun in hun lijden zo overvloedig geschonken werden, en Zijne beloften, de bron dier vertroostingen, zijn er door aanbevolen aan het geloof en de blijdschap van al de heiligen. Het bloed der martelaren is het zaad der kerk geweest, en de bekering en bevestiging van duizenden. Kostelijk is daarom in de ogen des Heeren de dood Zijner gunstgenoten, als hetgeen Hem eert, en zij, die Hem aldus eren, zullen door Hem geëerd worden.
3. Het woord van bevel, dat Hij hem hierop geeft. En dit gesproken hebbende, zei Hij tot hem: Volg Mij. Waarschijnlijk stond Hij op van de plaats waar Hij voor het middagmaal had gezeten, en zei aan Petrus Hem te volgen. Dit woord, Volg Mij, was:
a. Ene nadere bevestiging van zijne herstelling in de gunst zijns Meesters, en zijn ambt als apostel, want Volg Mij was de eerste roeping.
b. Het was ene verklaring van de voorzegging van zijn lijden, die Petrus in het eerst wellicht niet goed begrepen heeft, totdat Christus er hem den sleutel toe gaf in dat woord Volg Mij. "Verwacht behandeld te worden, zoals Ik behandeld werd, en hetzelfde bloedige pad te betreden, dat Ik voor u betreden heb, want de discipel is niet boven zijn meester. c. Het was om hem op te wekken en aan te moedigen tot getrouwheid en naarstigheid in zijn arbeid als apostel. Hij had hem gezegd Zijne schapen te weiden, en Hij stelde hem zijn Meester voor als een voorbeeld van herderlijke zorg: "Doe, zoals Ik gedaan heb." Laten de onderherders er zich op toeleggen om den Opperherder na te volgen. Zij hadden Christus gevolgd, terwijl Hij op aarde was, en nu Hij hen verlaat, predikt Hij hun nog dezelfden plicht, hoewel die op ene andere wijze vervuld moet worden, Volg Mij, nog moeten zij de regelen volgen, die Hij hun gegeven, en het voorbeeld, dat Hij hun gesteld had. En wat groter bemoediging konden zij hebben dan deze, zowel voor hun' dienst als voor hun lijden? a. Dat zij hierin Hem volgden, en dat zal hun toekomstige zaligheid zijn, en aldus is het ene herhaling van Christus' belofte aan Petrus, Hoofdstuk 13:36, gij zult Mij namaals volgen. Zij, die Christus getrouwelijk volgen in genade, zullen Hem gewis volgen in de heerlijkheid.