Hooglied 1:2-6
In dit dramatisch gedicht wordt de bruid hier eerst ingeleid, zich wendende tot de bruidegom en daarna tot de dochters van Jeruzalem
I. Tot de bruidegom. Zij geeft Hem geen naam of titel, maar begint plotseling: Hij kusse mij, zoals Maria Magdalena plotseling tot de veronderstelden hovenier zei: Heer, indien gij Hem weggedragen hebt, bedoelende Christus maar Hem niet noemende. Het hart was tevoren vervuld geweest van de gedachten aan Hem, en daarop hebben deze gedachten betrekking, het hart gaf deze goede rede op, Psalm 45:2. Zij, die zelf vervuld zijn van Christus, denken geredelijk dat anderen het ook moeten wezen. De bruid begeert twee dingen, en zij verlustigt zich in de gedachte eraan.
1. De vriendschap van de bruidegom, vers 2. "Hij kusse mij met de kussen Zijns monds, Hij zij met mij verzoend en Hij doe mij weten dat Hij dit is, Hij late mij de tekenen hebben van Zijn gunst." Zo heeft de Oud-Testamentische kerk begeerd dat Christus geopenbaard zou worden in het vlees, dat zij niet langer onder de wet zou zijn als onder een tuchtmeester, onder de bedeling van de dienstbaarheid en verschrikking, maar de mededeling zou ontvangen van de goddelijke genade in het evangelie, waarin God de wereld met zich verzoende, verbindende en genezende wat door de wet gescheurd en geslagen was, zoals de moeder het kind kust, dat zij gestraft heeft. Laat Hem niet langer anderen tot mij zenden, maar zelf tot mij komen, niet langer spreken door engelen en profeten, maar laat mij de woorden hebben van Zijn eigen mond, die aangename woorden, Lukas 4:22, die mij zullen zijn als de kussen Zijns monds, zulke tekenen van verzoening, zoals Ezau's kussen van Jakob geweest is." Geheel de evangelieplicht is opgesomd in ons kussen van de Zoon, Psalm 2:12 ja en zo is alle evangeliegenade begrepen in Zijn kussen van ons, zoals de vader de verloren zoon kuste, toen deze berouwhebbend tot hem was weergekeerd. Het is een kus des vredes. Kussen zijn gesteld tegenover wonden, Spreuken 27:6, en zo staan de kussen van de genade tegenover de woede van de wet. Aldus begeren alle ware gelovigen ernstig de openbaring van Christus' liefde aan hun ziel, zij verlangen niets meer om hen gelukkig te maken dan de verzekering van Zijn gunst, het verheffen van het licht Zijns aanschijns over hen, Psalm 4:7, 8, en de kennis van deze Zijn liefde, die alle verstand teboven gaat, dat is het een ding, hetwelk zij van de Heer begeren, Psalm 27:4. Zij zijn bereid om de openbaring van Christus' liefde aan hun ziel door Zijn Geest welkom te heten, en die van hun zijde te betonen in hun nederige betuiging van hun liefde voor Hem en van hun welgevallen in Hem. "De vrucht van Zijn lippen is vrede," Jesaja 57:19.
Zij geeft verscheidene redenen op voor deze begeerte.
A. Vanwege haar grote waardering van Zijn liefde. Uw uitnemende liefde is beter dan wijn. Wijn verheugt het hart, wekt de verflauwende moed op, maar godvruchtige zielen vinden meer genot in Christus lief te hebben en door Hem te worden bemind, in de vruchten en gaven van Zijn liefde en in de onderpanden en verzekeringen ervan, dan ooit een mens gevonden heeft in de oosterse genietingen van de zinnen, en zij is meer opwekkend voor hen dan de krachtigste hartsterking voor iemand, die op het punt was van te bezwijken.
a. Christus' liefde is in zichzelve en in de schatting van al de heiligen kostelijker en meer begerenswaardig dan het beste vermaak, dat de wereld kan geven. b. Alleen diegenen kunnen de kussen verwachten van Christus' mond en de troostrijke tekenen van Zijn gunst, die Zijn liefde verkiezen boven al de genietingen en verlustigingen van de kinderen van de mensen, liever deze genietingen zouden willen missen dan Zijn gunst te verbeuren en verlustiging vinden in geestelijke blijdschap meer dan in enigerlei lichamelijke verkwikking. Let hier op de verandering van de persoon: Hij kusse mij, daar spreekt zij van Hem als zijnde afwezig, of alsof zij schroomde tot Hem te spreken, maar in de volgende woorden ziet zij Hem nabij, en daarom richt zij haar spreker tot Hem. "Uw liefde, Uw liefden (zo staat het in het Hebreeuws), Die ik zo vurig begeer, omdat ik haar zo hogelijk waardeer."
B. Vanwege de verspreide geur van Zijn liefde en de vruchten ervan, vers 3. Uw oliën zijn goed tot reuk, vanwege het lieflijke en aangename van Uw genade en Uw vertroostingen voor allen, die ze goed begrijpen en zichzelf goed begrijpen, Uw naam is een olie, die uitgestort wordt, Gij zijt dit, en alles is dit, waarmee Gij U bekend gemaakt hebt. Uw naam is dierbaar aan alle heiligen, hij is als een welriekende olie, die het hert verblijdt." De ontvouwing van Christus' naam is als het openen van een fles met kostelijke zalf, met welker geur de kamer vervuld wordt. De prediking van Zijn Evangelie was het openbaar maken van de reuk van Zijn kennis in alle plaatsen, 2 Corinthiers 2:14. De Geest was de olie van de vreugde, waarmee Christus gezalfd was, Hebreeën 1:9, en alle ware gelovigen hebben die zalf ontvangen, 1 Johannes 2:27, zodat Hij hun dierbaar is, en zij aan Hem dierbaar zijn, en aan elkaar. Een goede naam is beter dan goede olie, maar Christus' naam is geuriger de iedere andere. Wijsheid doet, evenals olie, het aangezicht glinsteren, maar de Verlosser overtreft alle anderen in schoonheid. De naam van Christus is thans niet als een zalf of olie, die verzegeld is, zoals hij gedurende lange tijd geweest is, (Wat vraagt gij naar mijn naam, daar die toch geheim, of verborgen is, Richteren 13:18,) maar gelijk olie, die uitgestort is, hetgeen beide het vrije en het overvloedige, of de volheid aanduidt van de mededelingen van Zijn genade door het evangelie.
C. Vanwege de algemene genegenheid, die alle heilige zielen voor Hem koesteren. Daarom hebben U de matigden lief. Het is Christus' liefde, uitgestort in onze harten, die ze doet uitgaan in liefde tot Hem, allen, die rein zijn van het bederf van de zonde, die de kuisheid bewaren van hun eigen geest, en getrouw zijn aan de geloften, waarmee zij zich aan God gewild hebben, die het zelfs niet kunnen dragen om aangezocht te worden door de wereld en het vlees om hen lief te hebben, die allen zijn de maagden, die Jezus Christus liefhebben en Hem volgen waar Hij ook heengaat, Openbaring 14:4. En omdat Christus de lieveling is van al de reinenvan hart, laat Hem ook onze lieveling zijn, en laat onze begeerten uitgaan naar Hem en naar de kussen van zijn mond.
2. De gemeenschap van de Bruidegom, vers 4. Let hier:
A. Op haar bede om goddelijke genade: Trek mij. Dit duidt een bewustheid aan van op een afstand van Hem te zijn en een begeerte naar vereniging met Hem. "Trek mij tot U, trek mij nader tot U, trek mij thuis bij U." Zij had gebeden dat Hij zou naderen tot haar, vers 2, en te dien einde bidt zij dat Hij haar tot zich zal trekken. Trek mij, niet alleen door de zedelijke overreding, welke gelegen is in de geur van de kostelijke olie, niet alleen door de aantrekkelijkheid van die naam, die als een uitgestorte olie is, maar door bovennatuurlijke genade, met mensenbande, met koorden van de liefde, Hosea 11:4. Christus heeft ons gezegd dat niemand tot Hem komt, dan de zodanigen die de Vader trekt, Johannes 6:44. Wij zijn niet alleen zwak, zodat wij van onszelf niet verder kunnen komen dan wij geholpen worden, maar wij zijn er van nature afkerig van om te komen, en daarom moeten wij bidden om de invloeden en werkingen van de Geest, door wiens kracht wij van onwillig gewillig gemaakt worden, Psalm 110:3. "trek mij, want anders beweeg ik mij niet, overweldig de wereld en het vlees, die mij van U zouden willen aftrekken." Wij worden niet tot Christus gedreven, maar tot Hem getrokken op een wijze, die voor redelijke schepselen voegt.
B. Haar belofte om die genade goed te gebruiken: Trek mij, en dan zullen wij U nalopen. Zie hoe de leer van bijzondere en krachtige genade bestaanbaar is met onze plicht, een krachtige aansporing en aanmoediging ertoe is, en toch al de eer van al het goede, dat in ons is, aan God alleen voorbehoudt.
Merk op:
a. Het uitgaan van de ziel naar Christus en haar gerede onderwerping aan Hem zijn de uitwerking van Zijn genade, wij zouden Hem niet kunnen nalopen, indien Hij ons niet trok, 2 Corinthiers 3:5, Filipp. 4:13.
b. Wij moeten de genade, die God ons schenkt, vlijtig gebruiken, als Christus door Zijn Geest ons trekt, dan moeten wij met onze geest Hem nalopen. Gelijk God zegt, Ik zal, en gij zult, Ezechiël 36:27, zo moeten wij zeggen: "Gij zult, en wij zullen, Gij zult beide het willen en het werken in ons werken, en daarom zullen wij onze zaligheid werken, Filipp. 2:12, 13, wij zullen niet slechts U nawandelen maar U nalopen, dit geeft vurigheid van begeerte te kennen, bereidheid van genegenheid kracht in het najagen en vlugheid van beweging. Als Gij mijn hart verwijd zult hebben, dan zal ik de weg van Uw geboden lopen, Psalm 11:32. Als Uw rechterhand mij ondersteunt, dan kleeft mijn ziel U achteraan, Psalm 63:9. Als Hij ons trekt met goedertierenheid, Jeremia 31:3, dan moeten wij in liefde tot Hem Hem nalopen Jesaja 40:31. Let op het verschil tussen de bede en de belofte: "Trek mij, en wij zullen lopen." Als Christus Zijn Geest uitstort over Zijn kerk in het algemeen, die Zijn bruid is dan ondergaan al de leden ervan levendmakende opwekkende invloeden, zodat zij met te meer blijmoedigheid tot Hem lopen, Jesaja 55:5. Of "Trek mij," zegt de gelovige ziel, "dan zei niet alleen ik U zo spoedig als ik kan volgen maar ik zal ook al de mijnen medebrengen Wij zullen U nalopen, ik, en de mensen, die U liefhebben, vers 3, ik, en allen op wie ik invloed heb, ik en man huis, Jozua 24, 15, ik en de overtreders, die ik Uw wegen zal leren Psalm 51:15. Zij, die door de genade Gods ijverig zijn in Zijn dienst, zullen vele anderen opwekken, 2 Corinthiers 9:2. Zij, die levendig en opgewekt zijn, zullen ijverig werkzaam wezen Toen Filippus tot Christus was getrokken, trok hij Nathanaël, en zij zullen voorbeelden wezen, en zo zullen zij hen winnen, die zich niet door het woord wilden laten winnen.
C. De onmiddellijke verhoring van de bede. De Koning heeft mij getrokken, heeft mij gebracht in Zijn binnenkamers. Het is niet zozeer een verhoring, verkregen door het geloof In het woord van Christus, genade, als wel een verhoring in de ervaring van de werkingen van Zijn genade. Als wij goed achtgeven op de verhoring van ons gebed, dan kunnen wij bevinden dat Christus soms hoort, terwijl wij nog spreken, Jesaja 65. 24. De Bruidegom is een Koning, zoveel treffender is dus Zijn nederbuigende goedheid in de uitnodiging, die Hij ons geeft, en het onthaal dat Hij ons bereidt, en zoveel temeer reden hebben wij om Zijn uitnodigingen aan te nemen en Hem na te lopen. God is de Koning, die het bruiloftsmaal bereid heeft voor Zijn Zoon, Mattheus 22:2, en zelfs de armen en de kreupelen er toe inbrengt, en zelfs de beschroomdsten worden gedwongen om in te komen. Zij, die tot Christus getrokken worden, worden niet slechts in Zijn voorhoven, in Zijn paleis geleid, Psalm 45:16, maar in Zijn binnenkamers, waar Zijn verborgenheid met hen is, Psalm 25:14, en waar Hij zich aan hen openbaart, Johannes 14:21, en waar zij veilig zijn in Zijn hut, Psalm 27:5, Jesaja 26:20. Zij, die waken aan de poort van de wijsheid, zullen in haar kamers geleid worden, zij zullen geleid worden in waarheid en vertroosting.
D. Het grote welbehagen, dat de bruid heeft in de eer, welke haar door de Koning wordt aangedaan. In de binnenkamers gebracht zijnde:
a. Hebben wij wat wij begeerden, onze begeerten zijn vervuld door onuitsprekelijke verlustigingen, al onze smarten zijn verdwenen en wij zullen ons verheugen en verblijden. Indien één dag in Zijn voorhoven beter is dan duizend elders, dan is één uur in Zijn binnenkamers voorzeker beter dan tien duizend elders." Zij die door genade in verbond en gemeenschap met God gebracht zijn, hebben reden om hun weg te reizen met blijdschap, zoals de kamerling, Handelingen 8:39, en die blijdschap zal ons hart verruimen en onze sterkte wezen, Nehemia 8:11.
b. Al onze blijdschap zal zich concentreren in God: Wij zullen ons verheugen, niet in de olies, of in de binnenkamers, maar in U. Het is alleen God, die de blijdschap van onze verheuging is, Psalm 43:4. Wij hebben geen blijdschap dan in Christus, en die wij aan Hem te danken hebben." "Gaudiam in Domino" Blijdschap in de Heer, was de aloude begroeting, en "Salus in Domino sempiterna eeuwige zaligheid in de Heer".
c. Wij zullen de geur en smaak van deze Uw vriendelijkheid behouden, en haar nooit vergeten. Wij zullen Uw uitnemende liefde gedenken meer dan wijn, niet alleen Uw liefde zelf, vers 2, maar de herinnering eraan zal ons aangenamer wezen dan de krachtigste hartversterking, of de fijnste, smakelijkste likeur. "Wij zullen gedenken om dankzegging te doen voor Uw liefde, en zij zal een duurzamer indruk op ons maken dan iets, wat het ook zij, in deze wereld."
E. De gemeenschap, die een godvruchtige ziel heeft met al de heiligen in deze gemeenschap met Christus. In de binnenkamers, waarin wij gebracht zijn, ontmoeten wij niet alleen Hem, maar ook elkaar, 1 Johannes 17, De oprechten hebben U lief, de vergadering, het geslacht van de oprechten hebben U lief. Wat anderen ook mogen doen, allen die waarlijk Israëlieten zijn en getrouw zijn aan God, zullen Jezus Christus liefhebben. Welke verschillen van opvatting en neiging er ook mogen wezen onder de christenen ten opzichte van andere zaken, hierin komen zij allen overeen, dat Jezus Christus hun dierbaar is. De oprechten hier zijn dezelfden als de maagden, vers 3. Allen, die zijn liefde gedenken meer dan wan, zullen Hem liefhebben met een alles overtreffende liefde. En geen andere liefde is aan Christus aangenaam of behaaglijk, dan de liefde van de oprechten, liefde in oprechtheid, Efeziers 6:24.
II. De bruid wendt zich tot de dochters van Jeruzalem, vers 5,6. De kerk in het algemeen, in benauwdheid zijnde, spreekt tot afzonderlijke kerken om ze te waarschuwen voor het gevaar waarin zij zijn van geërgerd te worden aan het lijden van de kerk, 1 Thessalonicenzen 3:3. Of de gelovige spreekt tot hen, die wel in het algemeen belijders zijn in de kerk, maar toch niet van haar zijn, of tot zwakke christenen, kinderens of zuigelingen in Christus, die nog in grote onwetendheid verkeren, met zwakheid en dwalingen omvangen zijn, niet volkomen onderwezen zijn maar toch gaarne in de dingen Gods onderwezen zouden willen worden. Zij bemerkte dat deze toeschouwers haar met minachting aanzagen omdat zij zwart was, beide vanwege zonde en vanwege lijden, weshalve zij dachten dat zij weinig reden had om de kussen zijns monds te verwachten, vers 2, of te verwachten, dat zij zich met haar zouden verenigen in haar genietingen en blijdschap, vers 4. Daarom poogt zij die ergernis weg te nemen. Zij erkent dat zij zwart is, schuld maakt zwart, de ketterijen de schandalen en ergernissen, die in de kerk voorvallen, maken haar zwart, en de beste heiligen hebben hun gebreken, droefheid maakt zwart, en die zwartheid schijnt inzonderheid bedoeld te zijn. De kerk is dikwijls in lage staat en toestand, arm en gering van voorkomen, haar schoonheid is bezoedeld, en haar aangezicht vervallen door het vele wenen, zij is in rouwgewaad, met een zak bekleed.
Om nu deze ergernis weg te nemen,
1. Wijst zij op haar schoonheid, haar lieflijkheid, in weerwil hiervan, vers 5. Ik ben zwart, doch lieflijk, zwart als de tenten Kedars waarin de herders woonden, die zeer grof waren en nooit werden gewit, verweerd, ontkleurd door langdurig gebruik, maar lieflijk, als de gordijnen Salomo's, de meubelen van wiens kamers ongetwijfeld sierlijk en rijk waren, naar evenredigheid van het statige van zijn huizen. De kerk is soms zwart door vervolging maar lieflijk in lijdzaamheid, standvastigheid en vertroosting, en er nooit te minder beminnelijk om in de ogen van Christus, zwart in de schatting van de mensen, maar lieflijk in Gods ogen, zwart in sommigen, die een ergernis voor haar zijn, maar lieflijk in anderen, die oprecht zijn en een eer voor haar zijn. Ware gelovigen zijn in zichzelf zwart, maar liefde in Christus, met de lieflijkheid, die Hij op hen legt, zwart uitwendig, want de wereld kent hen niet, maar inwendig geheel verheerlijkt, Psalm 45:14. Paulus was zwak, en toch machtig, 2 Corinthiers 12:10, en zo is de kerk zwart, maar toch lieflijk. Een gelovige is een zondaar, en toch een heilige, zijn eigen gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed, en toch is hij bekleed met de mantel van Christus gerechtigheid. De Chaldeeuwse paraphrase past dit toe op Israëls zwartheid, toen zij het gouden kalf maakten en op hun lieflijkheid, toen zij er berouw van hadden.
2. Zij geeft de reden op waarom zij zo zwart is geworden. Die zwartheid was niet natuurlijk, maar aangenomen, voortgekomen uit de harde behandeling, die zij had ondergaan. Zie mij niet aan met zoveel minachting, omdat ik zwartachtig ben. Wij moeten er wel acht op geven met welk oog wij de kerk aanzien inzonderheid als zij in het zwart is. Gij zoudt niet gezien hebben op de dag uws broeders, de dag van zijn vernedering, Obadja: 12. Wees niet geërgerd, want,
A. Ik ben zwart uit hoofde van mijn lijden de zon heeft mij beschenen. Zij was schoon en lieflijk, haar eigen kleur was wit, maar zij heeft die zwartheid verkregen door de last en de hitte des daags, die zij genoodzaakt was te dragen. Zij was verkleurd door de hitte van de zon, verschroeid door verdrukking en vervolging, Mattheus 13:6, 21, en de grootste schoonheid zal, blootgesteld zijnde aan weer en wind, spoedig bruin worden.
Merk op hoe zij haar benauwdheden verzacht, zij zegt niet, zoals Jakob, Genesis 31:40, de hitte verteerde mij, maar de zon heeft mij beschenen, want het betaamt niet aan Gods lijdend volk om hun lijden op het ergst voor te stellen. Maar wat was er van de zaak?
a. Zij viel onder het misnoegen van die van haar eigen huis: de kinderen van mijn moeder waren tegen mij ontstoken, zij was in gevaren onder de valse broederen, haar vijanden waren haar huisgenoten, Mattheus 10:36, broeders bij naam, als mensen, naar belijdenis leden van hetzelfde heilige lichaam, de kinderen van de kerk, haar moeder, maar niet van God haar Vader, zij waren tegen haar ontstoken. De Samaritanen, die aanspraak maakten op verwantschap met de Joden, ergerden zich aan alles wat de voorspoed van Jeruzalem bevorderde, Nehemia 2:10. Het is voor het volk van God geen nieuwe zaak, dat zij onder de toorn liggen van de kinderen van hun moeder. Gij zijt het, o mens, als van mijn waardigheid, Psalm 55:14. Dit maakt het leed nog zoveel te meer smartelijk, van de zodanigen wordt het als een grote onvriendelijkheid opgenomen, en van de zodanigen is de toorn onverzoenlijk, een broeder, die beledigd is, is moeilijk te winnen, Spreuken 18:19.
b. Zij hebben haar hard behandeld. Zij hebben mij gezet tot een hoedster van de wijngaarden.
Ten eerste. Zij hebben mij verleid tot zonde, trokken mij heen naar een valse aanbidding, om hun goden te dienen, hetgeen gelijk stond met hun wijngaarden te bebouwen, de wijnstok van Sodom te hoeden, en zij wilden mij mijn eigen wijngaard niet laten hoeden, mijn eigen God niet laten dienen, de zuivere aanbidding niet laten waarnemen, die Hij mij bevolen heeft, en die ik altijd als de mijne zal blijven erkennen. Dat is het leed, waarover de godvruchtigen het meest klagen in tijden van vervolging, dat aan hun geweten geweld wordt aangedaan, en dat zij, die met hardheid over hen regeren, tot hun ziel zeggen: buig u neer, dat wij over u gaan, Jesaja 51:23.
Ten tweede. "Zij brachten mij in moeilijkheid, legden mij op wat zwaar was om te volbrengen, zeer moeizaam en onterend." De wijngaarden te hoeden was vernederend slavenwerk, en zeer zwaar, Jesaja 61:5. De kinderen van haar moeder maakten haar tot de slavin van het gezin. Vervloekt zij hun toorn, want hij is heftig, en hun verbolgenheid, want zij is hard. De bruid van Christus is zeer hard behandeld geworden.
B. Het lijden, dat ik verduur, heb ik verdiend, want mijn wijngaard, die ik heb, heb ik niet gehoed. Hoe onrechtvaardig mijn broeders ook zijn in mij te vervolgen, God is rechtvaardig en hun toe te laten dit te doen. Rechtvaardig ben ik tot een slaafse hoedster gemaakt van de wijngaarden van de mensen, omdat ik een onachtzame hoedster ben geweest van de wijngaard, "die God mij opgedragen heeft te hoeden." Luie dienstknechten van God worden er rechtvaardig toe gebracht om hun vijanden te dienen, opdat zij onderkennen Zijn dienst en de dienst van de koninkrijken van de landen, 2 Kronieken 12:8, Deuteronomium 28:47, 48, Ezechiël 20:23, 24. "Denk om mijn lijden niet te erger van de wegen Gods, want ik lijd om mijn eigen dwaasheid." Als Gods kinderen verdrukt en vervolgd worden, dan betaamt het hun te erkennen dat hun eigen zonde de oorzaak is van hun ellende, inzonderheid hun achteloosheid in het hoeden van hun wijngaarden, zodat zij als de akker van de luiaard zijn geworden.