Handelingen 22:3-21
Paulus geeft hier zulk een bericht, omtrent zich zelven, als waardoor niet alleen de overste overtuigd werd, dat hij niet deze Egyptenaar was, voor wie hij hem had gehouden, maar ook de Joden, dat hij niet de vijand was van hun kerk en natie, van hun wet en hun tempel, waarvoor zij hem hadden aangezien, en dat wat hij deed in zijn prediken van Christus, inzonderheid zijn prediken van Hem onder de Heidenen, in Goddelijke opdracht deed. Hij maakt hun hier bekend met:
I. Zijne afkomst en opleiding.
1. Dat hij behoorde tot hun natie uit het geslacht was van Israël, een Hebreeër uit de Hebreeën, van ene niet onbekende familie, geen afvallige van ene andere natie, neen, ik ben een Joods man -anes Ioudaios - , "ik ben een man, een mens, en behoor dus niet behandeld te worden als een dier, een Joods man, geen barbaar, ik ben een oprecht vriend van uw volk, want ik behoor er toe, en ik zou mij zelven onteren, indien ik onrechtvaardiglijk aan de eer van uwe wet en van uwen tempel te kort zou doen."
2. Dat hij in ene aanzienlijke en vermaarde stad was geboren, namelijk te Tarsen, ene stad in Cilicië, en dat hij door zijne geboorte een burger was van die stad. Hij was niet in dienstbaarheid geboren, zoals sommige Joden van de verstrooiing waarschijnlijk wèl waren, maar door zijne geboorte behoorde hij tot den aanzienlijken stand, en hij kon misschien ook wel het certificaat overleggen van zijn burgerschap van deze oude en aanzienlijke stad. Dit was nu wel iets zeer gerings om op te roemen, maar het was toch nodig er melding van te maken, nu hij zo schaamteloos vertreden werd, alsof hij met de kinderen der dwazen, ja met de kinderen van geen naam, Job 30:8, gerekend moest worden. Dat hij ene goede opvoeding heeft ontvangen, hij was niet alleen een Jood en een beschaafd, welopgevoed man, maar een geleerde. Hij was opgevoed in Jeruzalem, den voornaamsten zetel der Joodse geleerdheid, aan de voeten van Gamaliël, dien zij allen kenden als een uitnemend leraar der Joodse wet, waarvan Paulus zelf bestemd was een leraar te worden, weshalve hij dus niet onbekend kan zijn met hun wet, noch geacht worden haar uit onbekendheid er mede te minachten. Zijne ouders hadden hem op nog zeer jeugdigen leeftijd naar deze stad gebracht, met de bedoeling, dat hij een Farizeeër zou worden, en sommigen denken dat zijne opvoeding aan de voeten van Gamaliël te kennen geeft, niet alleen, dat hij een zijner leerlingen was, maar dat hij meer dan alle anderen naarstig was in het bijwonen zijner lessen, acht gaf op alles wat hij zei, hem buitengewonen eerbied en onderdanigheid betoond heeft, zoals Maria, die aan de voeten van Jezus zat en Zijn woord hoorde. 4. Dat hij in zijne jongelingsjaren een zeer ijverig belijder was van den Joodsen Godsdienst, dat al zijne studies daarop gericht waren. Dat hij in zijne jeugd de Godsdienstige gebruiken der Joden zo weinig ongenegen was, dat er geen jongeling was, die er grotere liefde en eerbied voor koesterde dan hij, of ze met meer stiptheid en nauwgezetheid waarnam, of er krachtiger bij anderen op heeft aangedrongen. Hij was een verstandig belijder van hun Godsdienst, hij had een helder hoofd, studeerde vlijtig aan de voeten van Gamaliël, en was daar onderwezen naar de nauwgezetste wijze der vaderlijke wet. Als hij in enigerlei opzicht van die wet was afgeweken, dan was dit niet omdat hij er verwarde of verkeerde begrippen van had, want hij verstond haar in alle bijzonderheden, zo nauwkeurig mogelijk, kata akribeian -naar de stiptste en nauwkeurigste methode. Hij was niet opgeleid in de beginselen der latitudinairen, had niets van een Sadduceeër, maar behoorde tot de sekte, die zich het meest toelegde op het bestuderen der wet, hield er zeer streng aan vast, en om haar nog strikter en strenger te maken dan zij reeds was, heeft hij er de inzettingen der ouden, de vaderlijke wet, aan toegevoegd, de wet, die hun gegeven was, en die zij gaven aan hun kinderen, en die aldus tot ons is gekomen. Paulus had even grote waardering voor de oudheid, de overleveringen en het gezag der kerk als iemand hunner, en nooit was er een Jood, die beter dan Paulus zijn Godsdienst begreep, of er beter rekenschap van kon geven. Hij was ook een zeer ijverig werkzame belijder van hun Godsdienst, en hij had een warm hart, ik was een ijveraar Gods, gelijkerwijs gij allen heden zijt. Velen zijn zeer bedreven in de theorie van den Godsdienst, die de praktijk er van gaarne overlaten aan anderen, maar Paulus was even groot een ijveraar als een rabbijn. Hij was ijverig tegen alles wat door de wet was verboden, en voor alles wat door de wet bevolen wordt, en dit was een ijver tot God, omdat hij dacht, dat het tot eer van God was en Zijne belangen diende, en hier geeft hij ene vriendelijke, liefderijke mening van zijne hoorders te kennen, nl. dat zij allen ijveraars Gods zijn, hij geeft hun getuigenis, Romeinen 10:2, dat zij een ijver tot God hebben, maar niet met verstand. In hun haten van hem en hun uitwerpen van hem zeiden zij: dat de Heere heerlijk worde, Jesaja 66:5, en hoewel dit hun woede geenszins rechtvaardigde, heeft het toch hen, die baden: Vader vergeef hun, in staat gesteld om, evenals Christus, er op te pleiten, dat zij niet weten wat zij doen. En als Paulus erkent, dat hij een ijveraar Gods geweest is in de wet van Mozes, zoals zij allen heden zijn, geeft hij hiermede de hoop te kennen, dat zij ijveraars Gods zullen worden in Christus, zoals hij heden is.
II. Welk een vurige, geweldige vervolger van den Christelijken Godsdienst hij in het begin zijner loopbaan geweest is, vers 4, 5. Hij maakt hier melding van, opdat het duidelijk zou blijken, dat de verandering, die in hem gewrocht is bij zijne bekering tot het Christelijk geloof, zuiver en alleen de uitwerking was van ene Goddelijke kracht. Want hij had er te voren zo weinig neiging toe, had er zo weinig ene gunstige mening van opgevat, dat hij onmiddellijk voor dat die plotselinge verandering in hem gewerkt was, den grootst mogelijken afkeer had van het Christendom, er den heftigsten toorn tegen koesterde! En wellicht maakt hij er ook melding van om God te rechtvaardigen in zijne tegenwoordige moeilijke omstandigheden, hoe onrechtvaardig zij ook waren, die hem vervolgden, God was rechtvaardig, die hun toeliet hem te vervolgen, want er was een tijd, dat hij zelf een vervolger was, en Hij kan er nog verdere bedoelingen mede hebben, namelijk om hen tot bekering te roepen, want hij zelf is een Godslasteraar en vervolger geweest, en toch is hem barmhartigheid geschied. Laat ons Paulus' beeld beschouwen, toen hij een vervolger was.
1. Hij haatte het Christendom met een dodelijken haat: dezen weg heb ik vervolgd tot den dood, dat is: "Ik heb gepoogd zoveel mij mogelijk was, om hun, die op dezen weg wandelden. den dood te berokkenen." Hij blies moord tegen hen, Hoofdstuk 9:1. Als zij omgebracht werden stemde hij het toe, Hoofdstuk 26:10. Ja, hij heeft niet alleen hen vervolgd, die op dien weg wandelden, maar ook dien weg zelven, het Christendom, dat gebrandmerkt was als een sluipweg, ene sekte, dit wilde hij ten dode toe vervolgen, hij bedoelde dien Godsdienst ten onder, ten verderve, te brengen. Hij heeft hem ten dode toe vervolgd, dat is: hij zou bereid zijn geweest te sterven in zijn tegenstand van het Christendom, zoals sommigen dit verstaan. Hij zou gaarne zijn leven hebben gegeven voor de verdediging van de vaderlijke wet en de inzettingen der ouden, en dan gedacht hebben zijn leven wèl besteed te hebben.
2. Hij heeft alles gedaan wat hij kon om de mensen van dien weg weg te schrikken, door beiden mannen en vrouwen te binden en in de gevangenissen over te leveren, hij heeft de kerkers gevuld met Christenen. Nu hij zelf gebonden is, legt hij zeer bijzonder den nadruk op dit deel van zijne zelfbeschuldiging, nl. dat hij de Christenen had gebonden en hen in de gevangenissen heeft overgeleverd. Ook denkt hij er met bijzonder leedwezen en berouw aan, dat hij niet alleen mannen, maar ook vrouwen, de zwakkere sekse, in de gevangenissen heeft overgeleverd, de vrouwen, die men toch met bijzondere zachtheid en medelijden moet behandelen.
3. Hij werd tot dien dienst gebruikt door het grote sanhedrin, den hogepriester en den gehelen raad der ouderlingen als hun agent om deze nieuwe sekte uit te roeien, zo zeer had hij zich reeds onderscheiden door zijn ijveren er tegen! vers 5. De hogepriester kan getuigen, dat hij tot elke dienst tegen de Christenen bereid was. Toen zij hoorden, dat velen van de Joden te Damascus het Christelijke geloof hadden omhelsd, hebben zij, om anderen terug te houden van hetzelfde te doen, besloten om met de uiterste gestrengheid tegen hen op te treden, en nu kenden zij geen geschikter persoon om in die zaak gebruikt te worden dan Paulus. Daarom zonden zij hem naar Damascus en gaven hem brieven mede aan de Joden te Damascus, die hier de broeders genaamd worden, omdat zij allen van hetzelfde geslacht waren, en ook in den Godsdienst als een zelfde huisgezin vormden, in welke brieven hun bevolen werd Paulus hulp te verlenen in de gevangenneming van hen, die Christenen geworden waren, en ze gevankelijk naar Jeruzalem te voeren om gestraft te worden als afvalligen van het geloof en de aanbidding van den God van Israël, en aldus of tot herroepen gedwongen te worden, of ter afschrikking van anderen ter dood te worden gebracht. Aldus heeft Saulus de gemeente verwoest, en was hij goed op weg om, zo hij nog ene wijle aldus voort was gegaan, haar geheel uit te roeien. "Zodanig" zegt Paulus, "was ik in den beginne, juist zoals gij nu zijt. Ik ken het hart van een vervolger, en daarom heb ik medelijden met u, en bid ik God, dat gij het hart moogt kennen van een bekeerling, zoals God het mij spoedig heeft leren kennen. En wie was ik toch, die God kon weren?"
III. Op wat wijze hij bekeerd werd, en gemaakt werd tot hetgeen hij nu was. Het geschiedde niet door natuurlijke of uitwendige middelen, hij is niet van Godsdienst veranderd uit zucht naar nieuwigheid, want hij was toen even gehecht aan het oude als hij placht te wezen. Het was ook niet uit ontevredenheid omdat hij teleurgesteld was in zijne hoop op bevordering, want hij was nu meer dan ooit goed op weg tot hoge bevordering in de Joodse kerk, en nog veel minder kon het zijn voortgekomen uit geldgierigheid, of eerzucht, of in de hoop van er zijne fortuin door te verbeteren in de wereld, want hij heeft er zich juist aan allerlei smaad en schande en vervolging door blootgesteld. Hij heeft ook geen omgang gehad met de apostelen of met andere Christenen, door wier list en drogredenen men zou denken, dat hij tot deze verandering was overgehaald. Neen, van den Heere is dit geschied, en de omstandigheden, waarmee het gepaard ging, waren voldoende om hem te rechtvaardigen in zijne verandering in de ogen van allen die geloven, dat er ene bovennatuurlijke kracht is. En niemand kan hem er om veroordelen, zonder zich dus afkeurend uit te laten over de Goddelijke kracht en macht, die hem hierin geleid heeft. Hij verhaalt de geschiedenis zijner bekering zeer omstandig, zoals wij haar te voren gehad hebben in Hoofdstuk 9, bedoelende hiermede aan te tonen, dat zij zuiver en alleen de daad van God is geweest.
1. Even voor dat Christus hem staande hield, was hij even ten volle besloten als ooit om de Christenen te vervolgen. Als hij reisde en Damascus genaakte, vers 6, en gene andere gedachte had dan om het wrede doel, waarmee hij uitgezonden was, te volbrengen. Hij was zich toen van generlei medelijden of verzachte gevoelens jegens de Christenen bewust, maar stelde zich hen nog voor als ketters, scheurmakers en gevaarlijke vijanden van kerk en staat. 2. Het was een groot licht uit den hemel, dat hem het eerst opschrikte, een groot licht, dat hem plotseling omscheen, en de Joden wisten, dat God Licht is, en dat Zijne engelen engelen des lichts zijn, en dat zulk een licht, schijnende op den middag, en dus het licht der zon overtreffende, van God moest wezen. Als het hem in de ene of andere binnenkamer had omschenen, zou er bedrog in geweest kunnen zijn, maar het omscheen hem op den open, publieken weg, en dat wel zo sterk, dat het hem ter aarde deed vallen, vers 7, hem en allen. die met hem waren. Hoofdstuk 26:14. Zij konden niet ontkennen, dat de Heere voorzeker in dit licht was.
3. Het was ene stem van den hemel. door welke voor het eerst ontzaglijke gedachten omtrent Jezus Christus in hem ontstonden, van wie hij te voren gene andere dan hatelijke, bittere gedachten gekoesterd had. De stem riep hem bij zijn naam, om hem te onderscheiden van hen, die met hem reisden, Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij? En toen hij vroeg: Wie zijt gij Heere? luidde het antwoord: Ik ben Jezus de Nazarener, welken gij vervolgt, vers 8. Waaruit bleek, dat deze Jezus de Nazarener, dien ook zij thans vervolgden, iemand was, die van den hemel spreekt, en zij wisten, dat het gevaarlijk was zo iemand tegen te staan, Hebr. 12:25.
4. Opdat men nu niet met de tegenwerping zal komen: "Hoe kwam het, dat dit licht en die stem zulk ene verandering gewerkt hebben in hem en niet in degenen, die met hem reisden?" (hoewel het zeer waarschijnlijk ook op hen ene goede uitwerking gehad heeft, zodat zij Christenen geworden zijn) zegt hij, dat die met hem waren wèl het licht zagen, en zeer bevreesd werden, dat zij door vuur van den hemel verteerd zouden worden, daar hun eigen geweten hun nu misschien zei, dat de weg, waarop zij zich bevonden, niet goed was, maar zoals die van Bileam was, toen hij heenging om Israël te vloeken, en dat zij dus konden verwachten een engel te ontmoeten met een vlammend, blinkend zwaard, maar, hoewel het licht hen bevreesd maakte, hoorden zij de stem niet degene, die tot Paulus sprak, dat is: zij hebben de woorden niet duidelijk gehoord, of verstaan. Het geloof nu is uit het gehoor, en daarom werd de verandering terstond gewrocht in hem, die de woorden hoorde, ze tot zich hoorde gesproken, terwijl die verandering niet gewrocht werd in hen, die alleen het licht zagen, hoewel zij toch later ook in hen gewerkt kon worden.
5. Hij verzekert hun, dat hij, aldus opgeschrikt zijnde, zich geheel en al aan de Goddelijke leiding, heeft overgegeven, hij heeft niet terstond uitgeroepen: "Ik zal een Christen worden", maar: "Wat zal ik doen Heere? Laat dezelfde stem van den hemel, die mij staande hield op den verkeerden weg, mij op den rechten weg leiden, vers 10. Heere, zeg mij wat ik doen zal, en ik zal het doen." En onmiddellijk ontving hij het bevel om naar Damascus te gaan, dáár zal hij dan verder horen van Hem, die tot hem gesproken heeft. "Van den hemel behoeft niets meer gezegd te worden, dáár zal met u gesproken worden door een mens gelijk gij zelf, in den naam van Hem, die nu tot u spreekt, van al hetgeen u geordineerd is te doen." De buitengewone wijze van openbaring, door visioenen, en stemmen, en de verschijning van engelen, waren, beide in het Oude en Nieuwe Testament, alleen bestemd en bedoeld om de gewone methode in te leiden en te vestigen, de methode namelijk van de Schrift en van een' blijvenden dienst des woords, en daarom hielden de buitengewone wijzen van openbaring op, zodra de gewone gevestigd was. De engel heeft niet zelf voor Cornelius gepredikt, maar beval hem Petrus te ontbieden, en de stem zegt aan Paulus hier niet wat hij doen zal, maar beveelt hem naar Damascus te gaan, en dáár zal het hem gezegd worden.
6. Om aan te tonen hoe groot en sterk het licht was, dat hem omscheen, zegt hij hun wat de onmiddellijke uitwerking er van was op zijne ogen, vers 11. Als ik vanwege de heerlijkheid van dat licht niet zag. Het heeft hem tijdelijk blind gemaakt, -Nimium sensibile lædit sensum -Deszelfs glans verblindde hem. Veroordeelde zondaren worden met blindheid geslagen, zoals de inwoners van Sodom en de Egyptenaren, door de macht der duisternis, en het is ene blijvende blindheid, zoals die van de ongelovige Joden, maar zondaren, die van hun zonde overtuigd zijn, worden, zoals Paulus hier, met blindheid geslagen, niet door duisternis, maar door licht, zij zijn voor het ogenblik met zich zelven in de war, maar het is, opdat zij verlicht zullen worden, zoals het leggen van slijk op de ogen van den blinde de bestemde methode was om hem te genezen. Het licht scheen niet zo direct in het gezicht van degenen, die met Paulus waren, als het Paulus in het gelaat scheen, en daarom waren zij niet, zoals hij, er door verblind, maar lettende op het gevolg er van, wie zou dan niet liever zijn lot gehad hebben dan het hun? Zij, die hun gezichtsvermogen nog hadden, leidden Paulus bij de hand naar de stad. Paulus, een Farizeeër zijnde, was hoogmoedig op zijn geestelijk inzicht. De Farizeeën zeiden: Zijn wij dan ook blind? Johannes 9:40. Ja zij waren er van overtuigd, dat zij leidslieden waren der blinden, een licht dergenen, die in duisternis zijn, Romeinen 2:19. Paulus was nu met lichamelijke blindheid geslagen, om hem bewust te doen worden van zijne geestelijke blindheid, en van zijne vergissing omtrent zich zelven, toen hij zonder de wet leefde, Romeinen 7:9.
IV. Hoe hij bevestigd werd in zijne verandering, en hem verder door Ananias die te Damascus woonde, gezegd werd wat hij doen moest. Merk op:
1. Hoe hier het karakter van Ananias beschreven wordt. Hij was geen man, die op enigerlei wijze vooringenomen was tegen het Joodse volk of den Joodsen Godsdienst. Hij was een Godvruchtig man naar de wet, indien hij geen geboren Jood was, dan was hij toch wel tot den Joodsen Godsdienst bekeerd, en daarom een Godvruchtig man genoemd, en vandaar is hij voortgegaan tot het geloof van Christus. Zijn wandel was zo uitnemend, dat hij goede getuigenis had van alle de Joden, die te Damascus woonden. Dat was nu de eerste Christen, met wie Paulus vriendelijken omgang had, en het was niet waarschijnlijk, dat hij hem de denkbeelden, waarvan zij hem, Paulus, verdacht hielden, had ingeblazen, denkbeelden namelijk, die ten nadele waren van de wet en van de heilige plaats.
2. De genezing, die Ananias terstond op de ogen van Paulus gewrocht heeft, welk wonder ter bevestiging moest strekken van Ananias' zending tot Paulus, en alles wat hij daarna tot hem zou zeggen moest bekrachtigen. Hij kwam tot hem, vers 13, en om hem te verzekeren, dat hij tot hem kwam van Christus, van Hem, die hem gescheurd had, maar hem zal genezen, hem had geslagen, maar hem zal verbinden, hem het gezicht zijner ogen had ontnomen, maar het hem weer zal geven, stond hij bij hem, en zei: Saul, broeder, word weer ziende. En met dit woord ging kracht uit, en ter zelfde ure, herkreeg hij het gezicht, en zag op hem, bereid en gereed om de instructies van hem te ontvangen, die hem gezonden waren.
3. Hoe Ananias hem verklaart welke gunst, welke bijzondere gunst, de Heere Jezus hem boven velen schenken zal.
a. In Zijne tegenwoordige openbaring van zich zelven aan hem, vers 14. De God onzer vaderen heeft u te voren verordineerd. Deze krachtige roeping is het resultaat van ene bijzondere verkiezing. Als hij God den God onzer vaderen noemt, geeft dit te kennen, dat Ananias zelf een geboren Jood was, die de vaderlijke wet onderhield, en leefde op de belofte, gedaan aan onze vaderen, en hij geeft ene reden waarom hij zei: Saul, broeder, als hij van God spreekt als van den God onzer vaderen. Deze God onzer vaderen heeft u verkoren, dat gij: Ten eerste: Zijn wil zoudt kennen, den wil van Zijn gebod van hetgeen door u gedaan moet worden, den wil Zijner voorzienigheid, in hetgeen u geschieden zal. Hij heeft u verkoren zodat gij Hem meer bijzonder zoudt kennen, maar die kennis van Hem zoudt verkrijgen, niet van een mens, noch door een mens, maar door de onmiddellijke openbaring van Christus, Galaten 1:1, 12. Zij die door God worden verkoren, zijn door Hem verkoren om Zijn wil te kennen en te doen.
Ten tweede. Om den Rechtvaardige te zien, en de stem uit Zijn mond te horen, en aldus onmiddellijk door Hem zelven Zijn wil te verstaan. Hierin was het, dat Paulus op bijzondere wijze boven anderen verkoren werd. Het was ene onderscheidende gunst, dat hij Christus hier op aarde zou zien, nadat Hij ten hemel was opgevaren! Stefanus zag Hem staande ter rechterhand Gods, maar Paulus zag Hem aan zijne rechterhand staan! Niemand dan Paulus heeft deze eer gehad! Stefanus zag Hem, maar wij bevinden niet, dat hij de stem uit Zijn mond gehoord heeft, zoals Paulus haar gehoord heeft, die zegt, dat Hij ten laatste van allen van hem gezien is, als van een ontijdig geborene, 1 Corinthiërs 15:8. Christus wordt hier de Rechtvaardige genoemd, want Hij is Jezus Christus de Rechtvaardige, en Hij heeft ten onrechte geleden. Merk op, dat zij, die door God verkoren werden om Zijn wil te kennen, het oog moeten hebben op Christus, Hem moeten zien, de stem uit Zijn mond moeten horen, want het is door Hem, dat God Zijn wil bekend heeft gemaakt, Zijn welbehagen in ons, en Hij heeft gezegd: Hoort Hem.
b. In de latere openbaringen van Zich zelven door Hem aan anderen, vers 15.
"Gij zult Hem tot getuige zijn, niet slechts een gedenkzuil van Zijne genade, maar een getuige, viva voce -door het woord van zijn mond. Gij zult het Evangelie verkondigen, als hetgeen waarvan gij de kracht hebt ervaren. Gij zult Hem tot getuige zijn bij alle mensen, bij Heidenen en bij Joden, van hetgeen gij, nu reeds in het begin, gezien en gehoord hebt." En daar wij Paulus in zijne verdediging, hier en in Hoofdstuk 26, zo in bijzonderheden de wijze waarop hij bekeerd werd zien verhalen, hebben wij reden te denken, dat hij ook in zijne prediking tot bekering van anderen dikwijls hetzelfde verhaal heeft gedaan, hij vertelde hun wat God aan zijne ziel gedaan heeft, om hen aan te moedigen in de hoop, dat Hij iets voor hun ziel zal doen.
4. Hoe hij hem geraden en aangemoedigd heeft om zich door den doop bij den Heere Jezus te voegen, vers 16. Sta op, en laat u dopen. Hij was in zijne besnijdenis overgegeven aan God, maar nu moet hij in den doop aan God worden overgegeven in Christus, hij moet het Christelijk geloof omhelzen, en er in onderworpenheid aan de voorschriften er van, de voorrechten van ontvangen. Dit moet nu, terstond na zijne bekering, geschieden en aldus tot zijne besnijdenis toegedaan worden, maar voor het zaad der gelovigen komt de doop in de plaats der besnijdenis, want hij is, gelijk de besnijdenis voor Abraham en zijn gelovig zaad was, een zegel der rechtvaardigheid des geloofs, Het grote Evangelie-voorrecht, dat ons door den doop verzegeld is, is de vergeving der zonden. Laat u dopen en uwe zonden afwassen, dat is: "Ontvang de vertroosting van de vergeving uwer zonden in en door Jezus Christus, en grijp daartoe Zijne gerechtigheid aan, en ontvang macht tegen de zonde ter doding van uw bederf. "Want in ons afgewassen zijn is ook onze rechtvaardigmaking en onze heiligmaking mede begrepen, 1 Corinthiërs 6:11. Laat u dopen, en blijf niet hangen aan het uitwendige teken, maar verzeker u van de zaak, die betekend wordt, de aflegging der vuiligheid der zonde. b. De grote Evangelie-plicht, waartoe wij ons door onzen doop hebben verbonden, is: den naam des Heeren Jezus aan te roepen, Hem te erkennen als onzen Heere en onzen God, en ons dienovereenkomstig tot Hem te wenden, Hem ere te geven, al onze gebeden en smekingen in Zijne hand te leggen.
Den naam aan te roepen van Jezus Christus, onzen Heere, (Zone David's ontferm U onzer,) is de omschrijving van een Christen, 1 Corinthiërs 1:2. Wij moeten onze zonden laten afwassen, den naam des Heeren aanroepende, dat is: wij moeten in Christus' naam vergeving onzer zonden zoeken, in Zijn naam en in afhankelijkheid van Hem en van Zijne gerechtigheid. In het gebed moeten wij God niet langer den God noemen van Abraham, maar den Vader van onzen Heere Jezus Christus, en in Hem, onzen Vader. In elk gebed moet ons oog op Christus zijn gericht.
c. Wij moeten dit spoedig doen. Wat vertoeft gij? Ons aangaan van een verbond met God in Christus is noodzakelijk werk, dat geen uitstel lijdt. De zaak is zo duidelijk, dat zij gene overweging behoeft, en het gevaar is zo groot, dat uitstellen dwaasheid is. Waarom zou thans niet gedaan worden wat toch eenmaal gedaan moet worden, zo wij niet ten verderve willen gaan?
V. Hoe hij de opdracht ontving om den Heidenen het Evangelie te gaan prediken. Dat was de grote reden waarom zij in zo heftigen toorn tegen hem waren ontstoken, en daarom was het nodig, dat hij inzonderheid hiervoor ene Goddelijke machtiging kon overleggen, en dit doet hij nu. Deze opdracht heeft hij niet terstond bij zijne bekering ontvangen, want zij werd hem gegeven te Jeruzalem waar hij niet dan drie jaren later gekomen is, Galaten 1:18, en of het toen of later was, dat hij het visioen had, waarvan hier gesproken wordt, kunnen wij niet met zekerheid zeggen. Maar om hen, zo mogelijk, er mede te verzoenen, dat hij het Evangelie onder de Heidenen predikt, zegt hij hun:
1. Dat hij er het bevel toe ontvangen heeft, toen hij in het gebed was en God smeekte hem zijn werk aan te wijzen, hem te tonen waarheen hij zijn gang heeft te richten, en (hetgeen voor hen, tot wie hij nu sprak, wel enig gewicht in de schaal moest leggen) hij bad in den tempel, die voor alle mensen het huis des gebeds genaamd zou worden, niet slechts waarin alle mensen zouden bidden, maar waarin voor alle mensen gebeden moest worden. Gelijk nu Paulus' bidden in den tempel een bewijs was, (gans tegenovergesteld aan hun boosaardige verdenking,) dat hij eerbied had voor den tempel, al heeft hij er ook niet, zoals zij, een afgod van gemaakt, zo is ook het feit, dat God hem dáár, in den tempel, die opdracht gegeven heeft een bewijs, dat zijn gezonden worden tot de Heidenen gene schade of nadeel voor den tempel bedoelde, tenzij dan dat de Joden door hun ongeloof zelf dit nadeel zouden teweeg brengen. Nu zou het voor Paulus later bij de volvoering van zijne opdracht altijd ene voldoening wezen, dat hij haar ontvangen heeft toen hij in het gebed was.
2. Hij ontving haar in een visioen, hij was in ene vertrekking van zinnen, vers 17. Zijne uitwendige zintuigen waren, als het ware, voor een tijd afgesloten, hij was in geestvervoering, zoals toen hij opgetrokken is geweest tot in den derden hemel, en toen niet wist, of hij in het lichaam of buiten het lichaam was. In deze vertrekking van zinnen zag hij Jezus Christus, niet met de ogen zijns lichaams, zoals bij zijne bekering, maar voorgesteld aan de ogen zijns geestes, vers 18. Ik zag Hem, en Hij zei tot mij. Ons oog moet op Christus zijn, als wij de wet uit Zijn mond ontvangen, en wij moeten Hem niet slechts horen spreken, maar Hem zien terwijl Hij tot ons spreekt. 3. Eer Christus hem de opdracht gaf om tot de Heidenen te gaan, zei Hij hem, dat het doelloos was voor hem om te denken, dat hij te Jeruzalem goed kon doen, zo dat zij niet hem, maar zich zelven er voor moesten laken, dat hij tot de Heidenen gezonden werd. Paulus kwam te Jeruzalem vol van hoop, dat hij door Gods genade het middel zou mogen wezen om diegenen tot het geloof van Christus te brengen, die het onder de prediking der andere apostelen hadden weerstaan, en wellicht was dit het, waar hij nu om bad, nl. dat hij, die zijne opvoeding te Jeruzalem had ontvangen, en er wèl bekend was, gebruikt mocht worden voor het vergaderen der kinderen van Jeruzalem tot Christus, die nog niet tot Hem vergaderd waren, waarvoor hij dacht bijzondere gaven en geschiktheid te hebben ontvangen. Maar Christus verijdelde zijne plannen. "Spoed u" zegt Hij tot hem, "en ga in der haast uit Jeruzalem, want hoewel gij denkt meer ingang bij hen te zullen vinden dan anderen, zult gij bevinden dat zij tegen u veel meer bevooroordeeld zijn dan tegen anderen, en daarom zullen zij uwe getuigenissen van Mij niet aannemen." Gelijk God te voren weet, wie het Evangelie zal aannemen, zo weet Hij ook wie het zal verwerpen.
4. In weerwil hiervan herhaalt Paulus zijne bede, dat hij te Jeruzalem gebruikt moge worden, omdat zij, de Joden aldaar, beter dan iemand wisten wat hij voor zijne bekering geweest is, en dus zo groot ene verandering in hem aan de kracht der almachtige genade moesten toeschrijven, en bijgevolg ook zoveel te meer acht zullen slaan op zijne getuigenis. Aldus redeneerde hij, beiden met zich zelven en met den Heere, en hij dacht, dat zijne redenering juist was, vers 19, 20. "Heere", zegt hij, "zij weten, dat ik eenmaal van hun gevoelen geweest ben, dat ik even zo bitter een vijand geweest ben van hen, die in U geloofden, als iemand hunner, dat ik de burgerlijke overheid tegen hen vertoornd heb, en hen in de gevangenis wierp, dat ik ook de geestelijke macht tegen hen heb opgezet, en hen in de synagoge geselde. Daarom zullen zij mijn prediken van Christus niet toeschrijven aan opvoeding en opleiding, of aan enigerlei vooringenomenheid ten Zijnen gunste, (zoals zij die van andere leraren daaraan toeschrijven), maar zij zullen des te gereder acht geven op hetgeen ik zeg, wijl zij weten, dat ik zelf tot hen heb behoord, een hunner geweest ben, inzonderheid in het geval van Stefanus weten zij, dat toen hij gestenigd werd, ik er bij stond, er aan mede geholpen heb, een welbehagen had in zijn dood, en ten teken daarvan de klederen bewaarde dergenen, die hem doodden. Welnu, Heere", zegt hij, "als ik nu onder hen verschijn, en de leer predik, die Stefanus gepredikt heeft, en waarvoor hij den dood heeft geleden, dan zullen zij ongetwijfeld mijne getuigenis aannemen". "Neen", zegt Christus, tot hem, "dat zullen zij niet, zij zullen juist des te meer vertoornd op u zijn als een afvallige van hun wetten en instellingen, meer dan op anderen, die zij beschouwen als er slechts vreemdelingen voor te zijn."
5. Paulus' verzoek, om te Jeruzalem het Evangelie te mogen prediken, is afgewezen, en hij ontvangt bepaalde orders om onder de Heidenen te gaan vers 21. Ga henen, want Ik zal u ver tot de Heidenen afzenden. God schenkt dikwijls ene genadige verhoring van het gebed Zijner kinderen, niet in de zaak zelf, waar zij om bidden, maar in iets beters. Abraham bidt: Och! dat Ismael mocht leven voor Uw aangezicht! en God verhoort hem in Izaak. Zo bidt Paulus hier, dat hij het middel mocht wezen tot bekering van zielen te Jeruzalem. "Neen", zegt Christus, "maar gij zult gebruikt worden onder de Heidenen, en de kinderen der eenzame zijn meer dan de kinderen der getrouwde." Het is God, die aan Zijne arbeiders zowel hun dag als hun plaats aanwijst, en het voegt hun te berusten in Zijne beschikking, al moge die dan ook indruisen tegen hun neigingen. Paulus hunkert naar Jeruzalem, verlangt vurig om dáár een prediker te mogen wezen, dat is zijne hoogste eerzucht, maar Christus heeft grotere bevordering voor hem bestemd. Hij zal niet, zoals de andere apostelen, Johannes 4:38, tot anderer arbeid ingaan, maar nieuwen grond ontginnen, het Evangelie prediken, waar Christus niet genoemd was, Romeinen 15:20. Zo dikwijls regelt de Voorzienigheid ons leven beter dan wij het kunnen, aan hare leiding behoren wij ons dus over te geven. Hij verkiest voor ons onze erfenis. Maar let er op: Paulus zal niet onder de Heidenen gaan prediken, zonder daartoe ene opdracht ontvangen te hebben: Ik zal u zenden. En zo Christus hem zendt, dan zal Zijn Geest met hem gaan, hem bijstaan, hem door helpen, en hem de vrucht van zijn' arbeid doen zien. Paulus moet zijn hart niet stellen op Judea en Jeruzalem, want hij moet ver weggezonden worden, zijne roeping ligt elders, zijn werk is van een anderen aard. En het zou de ergernis der Joden wel enigszins kunnen temperen, dat hij niet onder de naburige volken ene kerk gesticht heeft, anderen hebben dit gedaan en wel in hun onmiddellijke nabijheid, maar hij werd naar ver verwijderde plaatsen gezonden, waar hetgeen hij deed gene kwelling of hindernis voor hen kon zijn. indien zij dit nu alles samen wilden voegen en er over wilden nadenken, dan zouden zij zien, dat zij gene reden hadden om op Paulus vergramd te zijn wegens zijne prediking onder de Heidenen, of die prediking opvatten als ene daad van onwil tegen hun eigen volk, want hij was er tegen zijn eigen zin en wil in door het gebod uit den hemel toe genoodzaakt.