Ezra 8:21-23
Ezra heeft Levieten gekregen om met hem op te trekken, maar wat zal dat baten, tenzij ook God met hem optrekt? Dat is dus zijn voornaamste zorg. Wij moeten in al onze wegen God erkennen, inzonderheid in die, waarin wij pogen de belangen te dienen van Zijn koninkrijk onder de mensen. Dat doet Ezra hier.
Merk op:
1. Het vaste vertrouwen, dat hij had in God en in Zijn genadige bescherming. Hij zei de koning, vers 22, uit welk beginsel hij handelde, dat zij, die God zoeken, veilig zijn onder de schaduw van Zijn vleugelen, zelfs in het grootste gevaar, maar dat zij, die Hem verlaten, voortdurend aan gevaar zijn blootgesteld, zelfs dan als zij zich het veiligst wanen. Gods macht wordt aangewend voor Zijn dienaren en tegen Zijn vijanden. Ezra geloofde dit met zijn hart, en met zijn mond deed hij er belijdenis van voor de koning, en daarom schaamde hij zich om van de koning een gewapend geleide te verzoeken, want daarmee zou hij de koning en zijn hovelingen aanleiding kunnen geven om of aan Gods macht te twijfelen om Zijn volk te helpen of aan Ezra's vertrouwen in die macht. Zij, die op God vertrouwen, zullen zich schamen om bescherming te zoeken bij het schepsel, inzonderheid om tot armzalige hulpmiddeltjes voor hun eigen veiligheid de toevlucht te nemen, omdat zij hierdoor in tegenspraak zijn met zichzelf en met hun vertrouwen. Niet, dat zij, die op God steunen en bebouwen, geen gebruik moeten maken van de gepaste middelen tot hun beveiliging of dat zij zich moeten schamen om dit te doen, maar als de eer Gods op het spel staat, dan zou men zich liever aan gevaar willen blootstellen, dan te doen ten nadele van datgene, hetwelk ons dierbaarder moet zijn dan ons leven.
2. Hoe hij zich in dat vertrouwen plechtig tot God wendt, hij riep een vasten uit, vers 21. Ongetwijfeld heeft hijzelf leiding en bestuur van God gevraagd in deze zaak, van dat hij voor het eerst er aan gedacht heeft, maar om openbare zegeningen moet in het openbaar worden gebeden, opdat allen, die in die zegeningen zullen delen, zich verenigen om erom te vragen. Zij hebben gevast:
a. Om hun verootmoediging te kennen te geven, hij verklaart dat dit er de betekenis en bedoeling van was opdat wij ons verootmoedigden voor het aangezicht van onze God vanwege onze zonden, en om ons te bereiden om er vergeving voor te ontvangen. Als wij tot een nieuwe levenstoestand ingaan, dan moeten wij er voor zorgen, om niets van de schuld van de zonden van onze vorige levenstoestand er in mee te brengen. Als wij ons in een nakend gevaar bevinden, laat ons dan niet in gebreke blijven om ons met God te verzoenen, dan zijn wij veilig en er is niets dat ons dan wezenlijk schaden kan.
b. Om zich op te wekken tot gebed en smeking. Godsdienstig vasten ging altijd gepaard met gebed. Hun boodschap bij de troon van de genade was een rechte weg van God te verzoeken, dat is: zich over te geven aan de leiding van Zijn voorzienigheid, zich onder de bescherming Gods te stellen, en God te bidden hen te leiden en te bewaren op hun reis, en hen veilig tot hun bestemming te brengen. Zij waren vreemdelingen op de weg, moesten door de landen van hun vijanden heentrekken, en hadden geen wolk en vuurkolom om hun de weg te wijzen, zoals hun vaderen gehad hebben. maar zij geloofden dat de macht en de gunst van God en de dienst van Zijn engelen daarvoor in de plaats bij hen zouden komen, en zij hoopten dit door hun gebed te verkrijgen. Het is onze wijsheid en onze plicht om onszelf met al onze belangen, met ons gezin en onze bezitting Gode aan te bevelen, in het gebed, en Hem de zorg er voor over te laten, Filipp. 4:6.
3. De goeden uitslag hiervan, vers 23. Wij verzochten zulks van onze God door ons verenigd gebed, en Hij liet zich van ons verbidden. Zij hadden de troostrijke verzekerdheid in hun gemoed, dat hun gebed verhoord was, en de uitkomst bewees het, want nooit heeft iemand, die Hem in ernst zocht, Hem tevergeefs gezocht.