Johannes 15:26-27
Christus had gesproken van den groten tegenstand, die aan Zijn Evangelie in de wereld geboden zal worden, en van de moeilijkheden en bezwaren, die de predikers er van zullen moeten ondervinden. Opdat niemand nu zou vrezen, dat èn het Evangelie èn de Evangeliepredikers door dien geweldigen stroom overstelpt zouden worden, geeft Hij hier aan allen, die Zijne zaak genegen zijn, te kennen welke krachtdadige voorziening er gemaakt was om haar in stand te houden, beide door het getuigenis des Geestes, vers 26, en het getuigenis der apostelen, vers 27, en getuigenissen zijn de rechte steunsels der waarheid.
I. Er wordt hier beloofd, dat de gezegende Geest de zaak van Christus in de wereld zal handhaven in weerwil van den tegenstand, die er aan geboden zal worden. Toen Christus gesmaad werd, heeft Hij Zijne zaak overgegeven aan Zijn Vader, en door dit Zijn stilzwijgen heeft Hij niets verloren, want de Trooster is gekomen, heeft haar krachtiglijk bepleit en heerlijk doen overwinnen. Als de Trooster, of Voorspraak, zal gekomen zijn, die van den Vader uitgaat, en dien Ik zal zenden om het gebrek aan Mijn lichamelijke tegenwoordigheid te vervullen, dan zal hij van Mij getuigen, tegen hen, die Mij zonder oorzaak haten. Wij hebben in dit vers meer betreffende den Heiligen Geest, dan in enig ander vers in den Bijbel, en gedoopt zijnde in Zijn naam, behoren wij ons met Hem, voorzover Hij geopenbaard is, bekend te maken.
1. Er wordt ons hier bericht gegeven van Zijn wezen of bestaan. Hij is de Geest der waarheid, die van den Vader uitgaat. Hier wordt van Hem gesproken:
a. als van een onderscheiden Persoon, niet als van een eigenschap of hoedanigheid, maar als van een Persoon onder den eigen naam van een Geest, en een eigen titel: den Geest der waarheid, een titel, die Hem gepast gegeven is, waar Hij voorgesteld wordt als getuigende.
b. Als een Goddelijk Persoon, die van den Vader uitgaat, door uitgangen van ouds, van de dagen der eeuwigheid. De geest of adem van den mens, adem des levens genoemd, gaat uit van den mens, door dien geest deelt de mens zijne gedachten mede, door dien geest versterkt zijnde, gebruikt hij zijne kracht om uit te blazen wat hij uitgeblust, en aan te blazen wat hij verlevendigd wil hebben. Evenzo is de gezegende Geest de uitvloeiing van Goddelijk licht en het vermogen der Goddelijke kracht. De stralen der zon, door welke zij haar licht, hare warmte en haar invloed mededeelt en verspreidt, gaan uit van de zon, en zijn toch een met de zon. De Niceesche Geloofsbelijdenis zegt: "De Geest gaat uit van den Vader en den Zoon", want Hij wordt de Geest Zijns Zoons genoemd, Galaten 4:6. En van den Zoon wordt hier gezegd, dat Hij Hem zendt. De Griekse kerk geeft er echter de voorkeur aan om te zeggen: van den Vader door den Zoon.
2. Van Zijne zending.
a. Hij zal komen in een overvloediger uitstorting van Zijne gaven, genade en kracht dan ooit tevoren. Gedurende langen tijd is Christus de ho erchomenos -degene, die komen zou -geweest, nu is de gezegende Geest dit.
b. Dien Ik u zenden zal van den Vader. Hij had gezegd, Hoofdstuk 14:16:Ik zal den Vader bidden, en Hij zal u een anderen Trooster geven, hetgeen aanduidt, dat de Geest de vrucht is van de voorbede, die Christus doet binnen den voorhang, hier zegt Hij: "Ik zal Hem zenden", hetgeen Hem aanduidt als de vrucht van Zijne heerschappij binnen den voorhang. De Geest was gezonden: Door Christus als Middelaar, thans opgevaren in de hoogte om den mensen gaven te geven, daar Hem alle macht is gegeven. Van den Vader, "niet slechts van den hemel, het huis Mijns Vaders" (de Geest werd gegeven in een geluid van den hemel, Handelingen 2:2) maar overeenkomstig Mijns Vaders wil en bestel, en met Zijne medewerking en gezag. Aan de apostelen, om hen te onderrichten in hun prediking, hen instaat te stellen om te werken, hen door te helpen in hun lijden. Hij was hun gegeven en hun opvolgers, beide in het Christendom en in de Evangeliebediening, aan hen en aan hun zaad, en aan het zaad van hun zaad, overeenkomstig de belofte in Jesaja 59:21.
3. Van Zijn ambt en Zijne werkingen, welke tweeërlei zijn:
a. De ene, welke ligt opgesloten in den titel, die Hem gegeven is, Hij is de Trooster, of Voorspraak. Een Voorspraak voor Christus, om Zijne zaak te handhaven tegenover het ongeloof der wereld, een Vertrooster der heiligen tegenover den haat der wereld.
b. Een andere, uitgedrukt in die woorden: Hij zal van Mij getuigen. Hij is niet slechts een Voorspraak, maar een Getuige voor Jezus Christus. Hij is een der drie, die getuigen in den hemel, en de eerste der drie, die getuigen op de aarde, 1 Johannes 5:7, 8. De kracht der bediening is ontleend aan den Geest, want Hij maakt de leraren bekwaam, en ook de kracht van het Christendom, want Hij heiligt de Christenen, en in die beide werkingen getuigt Hij van Christus.
II. Hier wordt beloofd, dat ook de apostelen, door de hulp des Geestes, de eer zullen hebben om van Christus te getuigen, vers 27:En gij zult ook getuigen van Mij, bevoegde getuigen zijnde, want gij zijt van den beginne, dat is van den beginne Mijner openbare bediening, met Mij geweest. Merk hier op:
1. Dat de apostelen aangesteld waren om getuigen te zijn voor Christus in de wereld. Toen Hij gezegd had: De Geest zal getuigen, voegde Hij er bij: en gij zult ook getuigen. De werking des Geestes is niet bestemd om de onze te vervangen, maar om de onze aan te moedigen en te versterken. Hoewel de Geest getuigt, moeten de leraren toch ook getuigen, en de gemeente moet acht geven op hun getuigenis, want de Geest der genade getuigt en werkt door de middelen der genade. De apostelen waren de eerste getuigen, die geroepen werden in het vermaarde geding tussen Christus en den overste dezer wereld, hetwelk eindigde in de uitwerping van den indringer. Hierdoor wordt aangeduid:
a. Het werk, dat hun aangewezen was: zij moesten getuigen van de waarheid, de gehele waarheid, en niets dan de waarheid betreffende Christus, ter herstelling van Zijn recht, en ter handhaving van Zijne kroon en waardigheid. Wèl zijn de discipelen gevlucht, toen zij bij Zijn verhoor voor den hogepriester en voor Pilatus voor Hem hadden behoren te getuigen, maar na de uitstorting des Geestes over hen zijn zij kloekmoedig opgetreden ter verdediging van de zaak van Christus tegen de beschuldigingen, die er tegen ingebracht werden. De waarheid van den Christelijken Godsdienst moest grotendeels bewezen worden door het getuigenis der feiten, inzonderheid door het feit van Christus' opstanding, waarvan de apostelen zeer bijzonder de uitverkoren getuigen zijn geweest, Handelingen 10:41, en dienovereenkomstig hebben zij hun getuigenis afgelegd, Handelingen 3:15, 5:32. Christus' Evangeliedienaren zijn Zijne getuigen. b. De eer, die hun hiermede werd aangedaan-dat zij medearbeiders Gods zullen wezen.
De Geest zal van Mij getuigen, en onder de leiding des Geestes, en met medewerking des Geestes- die u behoeden zal voor vergissingen in hetgeen gij uit uw eigen weten verhaalt en u onderrichten zal omtrent hetgeen gij niet anders dan door openbaring weten kunt-zult ook gij getuigen. Dit kon hen bemoedigen tegenover den haat en de minachting der wereld, dat Christus hen had geëerd, en hen zal erkennen.
2. Dat zij hiertoe bevoegd en bekwaam waren: Gij zijt van den beginne met Mij geweest. Zij hebben niet slechts Zijn openbare prediking gehoord, maar hebben voortdurend en vertrouwelijk omgang met Hem gehad. Hij is het land doorgegaan, goed doende, en terwijl anderen alleen de wonderen en werken van barmhartigheid hebben gezien, die Hij in hun eigen stad of plaats heeft gedaan, zijn zij, die Hem overal hadden vergezeld, getuigen geweest van allen. Zij zijn mede in de gelegenheid geweest om de onbevlekte reinheid van Zijn levenswandel te aanschouwen, en konden van Hem getuigen, dat zij nooit iets in Hem hebben gezien, of van Hem hebben gehoord, waaraan ook maar het geringste spoor van menselijke zwakheid kleefde. Wij hebben grote reden om het getuigenis te geloven, dat de apostelen van Christus hebben afgelegd, want zij spraken niet van horen zeggen, maar van hetgeen waarvan zij de meest mogelijke zekerheid hadden, 2 Petrus 1:16, 1 Johannes 1,
3. Diegenen zijn het best instaat om van Christus te getuigen, die zelven met Hem geweest zijn door geloof, en hoop, en liefde, en door een leven van gemeenschap met God te leiden in Hem. Evangeliedienaars moeten eerst Christus leren, en Hem dan prediken. Diegenen spreken het best over de dingen Gods, die uit eigen bevinding spreken. Het is inzonderheid een groot voordeel om van den beginne met Christus bekend te zijn geweest, en alles van voren aan naarstiglijk onderzocht te hebben, Lukas 1:3. Met Hem geweest te zijn van den beginne onzer dagen. Zulk een vroege bekendheid en voortdurende vertrouwelijke omgang met Christus zal den mens doen zijn als die "heer des huizes, die uit zijn schat nieuwe en oude dingen voortbrengt.