Handelingen 18:18-23
Wij zien hier Paulus in beweging, zoals wij hem te Corinthe enigen tijd in rust gezien hebben, maar, toen en nu, altijd zeer ijverig bezig in den dienst van Christus, hetzij hij neerzat of rondging, hij was altijd goed doende. Wij hebben hier:
I. Paulus' vertrek van Corinthe, vers 18.
1. Hij vertrok niet dan enigen tijd na de moeilijkheid, die hij er had ondervonden. Van andere plaatsen vertrok hij, als de storm opstak, maar niet van Corinthe, omdat daar de storm niet zodra was opgestoken, of hij kwam reeds tot bedaren. Sommigen zeggen ons, dat Gallio Paulus in het geheim heeft ondersteund, hem in gunst had aangenomen, en dat dit aanleiding gaf tot ene briefwisseling tussen Paulus en Seneca, Gallio's broeder, waarvan sommigen der ouden gewag maken. Paulus was (te Corinthe) nog vele dagen gebleven, ook nog na het jaar en zes maanden, waarvan in vers 11 gesproken wordt. Daar hij bevond, dat hij niet te vergeefs arbeidde, bleef hij er arbeiden.
2. Toen hij vertrok, nam hij afscheid van de broederen, het was een plechtig en liefdevol afscheid, met gepaste vertroostingen, raadgevingen en gebeden op het ogenblik van scheiden, prijzende hetgeen goed, bestraffende hetgeen verkeerd was, en hun de nodige waarschuwingen gevende tegen de listen der valse apostelen, zijne afscheidsrede heeft voorzeker een diepen indruk op hen gemaakt.
3. Hij nam Priscilla en Aquila mede, omdat zij hem gaarne wilden vergezellen, want zij schenen geneigd om van woonplaats te veranderen, niet lang aan ene zelfde plaats te willen blijven, ene neiging, die uit een goed beginsel kan voorkomen, en goede gevolgen kan hebben, en die dus in anderen niet veroordeeld mag worden, hoewel wij haar in ons zelven moeten wantrouwen. Er was ene grote vriendschap ontstaan tussen hen en Paulus, daarom hebben zij, toen hij wegging, verzocht met hem te mogen gaan.
4. Te Kenchreën, dat dicht bij Corinthe was gelegen, en de haven was, waar degenen, die van Corinthe naar zee gingen, zich inscheepten, heeft Paulus, of Aquila (want het oorspronkelijke duidt niet aan wie van de twee het was, zijn hoofd geschoren, om zich te ontslaan van de gelofte eens Nazareeërs. Zijn hoofd te Kenchreën geschoren hebbende, want hij had ene gelofte gedaan. Zij, die in Judea woonden, waren in zulk een geval verplicht dit in den tempel te doen, maar zij, die in andere landen woonden, mochten het in andere plaatsen doen. De Nazareeër moest zijn hoofd scheren, hetzij wanneer zijne heiliging toevalligerwijze verontreinigd was, in welk geval hij dan van nieuws moest beginnen, of wel, als de dagen zijns Nazireërschap vervuld waren, Numeri 6:9, 13, 18, hetgeen, denken wij, hier het geval was. Sommigen denken, dat het Aquila was, die een Jood zijnde, vers 2, wellicht meer van het Judaïsme had behouden, dan geriefelijk was, maar ik zie er geen kwaad in om te erkennen, dat het Paulus kan geweest zijn, want nopens hem moeten wij hetzelfde erkennen, Hoofdstuk 21:25, 26, niet slechts uit tijdelijke inschikkelijkheid voor de Joden, die hij als een Jood geworden is, 1 Corinthiërs 9:20, opdat hij hen winnen zou, maar omdat de gelofte van een Nazareeër, hoewel tot de ceremoniële wet behorende, en als zodanig nabij de verdwijning, echter ene grote en Godvruchtige betekenis had, en daarom wel van alle Joodse ceremoniën het laatst zou verdwijnen. De Nazareeërs worden met de profeten genoemd, Amos 2:11, en waren in hoge mate de heerlijkheid van Israël, Klaagliederen 4:7 1), daarom is het niet vreemd, als Paulus voor een tijd de gelofte eens Nazareeërs op zich heeft genomen, om zich te onthouden van wijn en sterken drank, en van zich te scheren, ten einde zich den Joden aangenaam te maken.
II. Paulus' bezoek aan Efeziërs , de hoofdstad van Klein-Azië, ene zeehaven.
1. Dáár liet hij Aquila en Priscilla, omdat zij hem slechts tot last zouden zijn op zijne verdere reizen, en ook omdat zij de zaak van het Evangelie konden dienen te Efeziërs. Paulus was voornemens zich binnen kort hier voor enigen tijd te vestigen, en liet er nu Aquila en Priscilla met hetzelfde doel als waartoe Christus Zijne discipelen zond naar elke plaats, waar Hij zelf wilde komen, nl. om Hem den weg te bereiden. Aquila en Priscilla, die zeer ontwikkelde en verstandige Christenen waren, konden door omgang en gesprekken met de mensen het hart van velen genegen maken om Paulus, als hij tot hen kwam, gunstig te ontvangen en zijne prediking te begrijpen, daarom noemt hij hen zijne medewerkers in Christus Jezus, Romeinen 16:3.
2. Daar predikte hij voor de Joden in hun synagoge. Hoewel hij Efeziërs nu slechts aandeed op zijne reize, wilde hij toch niet heengaan zonder voor hen gepredikt te hebben. Hij ging in de synagoge, niet als een hoorder, maar als een prediker, want hij handelde er met de Joden. Hoewel hij de Joden te Corinthe had verlaten, die tegenstonden en lasterden, heeft hij hunnentwege toch de synagogen der Joden in andere plaatsen niet gemeden, maar bleef hun, d.i. den Joden, de eerste aanbieding van het Evangelie doen. Wij moeten om de slechte handelwijze van sommigen niet ene gehele klasse van mensen veroordelen.
3. De Joden te Efeziërs , wel verre van Paulus weg te drijven, baden hem, dat hij bij hen zou blijven, vers 20. Zij baden dat hij langer bij hen blijven zou, om hen in het Evangelie van Christus te onderwijzen. Zij waren edeler, wellevender, dan de Joden te Corinthe en andere plaatsen, en het was een teken, dat God Zijn volk niet ten enenmale had verstoten, maar nog een overblijfsel onder hen had.
4. Paulus wilde thans niet bij hen blijven, hij bewilligde het niet, maar nam afscheid van hen. Hij moest verder gaan, hij moest volstrekt het toekomende feest te Jeruzalem houden. Niet, dat hij zich hiertoe verplicht en gehouden achtte, (hij wist, dat de wetten op de feesten niet langer verplichtend waren,) maar hij had zaken te doen in Jeruzalem (waarin die dan ook bestaan mogen hebben) die het best op den tijd van het feest gedaan konden worden, wanneer er ene algemene samenkomst was van al de Joden uit alle plaatsen. Welk der feesten het was wordt ons niet gezegd, waarschijnlijk het paasfeest, dat het voornaamste was.
5. Hij gaf zijn voornemen te kennen, om na deze reize, te komen en er enigen tijd te verblijven, door hun vriendelijke uitnodiging aangemoedigd zijnde om te hopen, goed onder hen te kunnen doen. Het is goed om gelegenheden tot arbeiden in reserve te hebben, als het ene goede werk afgedaan is, aan een ander te kunnen beginnen. Ik zal tot u wederkeren, maar hij voegt er het nodige voorbehoud bij: zo God wil. Onze tijden zijn in Gods hand, wij hebben voornemens en treffen schikkingen, maar Hij beslist of onze voornemens ten uitvoer gebracht zullen worden, en daarom moeten wij ook ten opzichte van alles wat wij beloven, ons aan den wil van God onderwerpen. Indien de Heere wil, en wij leven zullen, zo zullen wij dit of dat doen. Ik zal tot u wederkeren, indien de Geest het mij toelaat, Hoofdstuk 16:7. Dit was in Paulus' geval mede begrepen, niet alleen als Gods voorzienigheid het mij vergunt, maar indien God mijn komen en gaan niet anders en niet elders leidt.
III. Paulus' bezoek te Jeruzalem, het was een kort bezoek, maar het diende als een teken van eerbied voor deze ware moeder-kerk.
1. Hij kwam over zee tot de haven, die het dichtst bij Jeruzalem was, hij voer weg van Efeziërs, vers 21 en kwam te Cesarea, vers 22. Hij verkoos over zee te reizen, om den wille van spoed en van veiligheid, en opdat hij de werken des Heeren zou zien, en Zijne wonderwerken in de diepte. Joppe is de haven van Jeruzalem geweest, maar daar Herodes Cesarea verbeterd had en de haven van Joppe gevaarlijk was, werd gewoonlijk gebruik gemaakt van Cesarea.
2. Hij ging op, en groette de gemeente waarmee, geloof ik, de gemeente te Jeruzalem bedoeld is, die nadrukkelijk de gemeente genoemd wordt, omdat daar de Christelijke kerk begonnen is. Hoofdstuk 15:4. Paulus achtte het nodig zich onder haar te laten zien, opdat zij niet zouden denken, dat hij zich, om zijn voorspoed onder de Heidenen of boven hen verheven achtte, of van hen vervreemd was, of dat de ere, die God hem had aangedaan, hem de ere en achting deed vergeten, die hij hun verschuldigd was. Zijn opgaan om de gemeente te Jeruzalem te groeten, duidt aan:
a. Dat het een zeer vriendelijk bezoek was, dat hij hun bracht, uit zuivere genegenheid, om naar hun welstand te vernemen, en hun zijne hartelijke welwillendheid te betuigen. De vermeerdering van het aantal onzer nieuwe vrienden moet ons onze oude vrienden niet doen vergeten, voor Godvruchtige mensen en goede leraren moet het een genoegen zijn oude vrienden weer te zien. De leraren te Jeruzalem hadden daar hun vaste woonplaats, Paulus was voortdurend op reis, maar hij droeg er zorg voor de correspondentie met hen te onderhouden, opdat zij zich met hem zouden verblijden in zijne uitgangen, en hij zich met hen zou verblijden in hun tenten, en opdat zij elkaar zouden vertroosten en bemoedigen, en voorspoed op hun werk elkaar zouden toewensen.
b. Dat het slechts een kort bezoek was, hij ging op, en begroette hen, misschien met een heiligen kus, maar bleef niet onder hen verwijlen. Het was bedoeld als slechts ene kortstondige samenkomst, en toch heeft Paulus er die lange reis voor ondernomen. Dit is de wereld niet om er te zamen in te wezen, Gods volk zijn het zout der aarde, hier en daar verstrooid, maar het is toch goed elkaar soms eens te zien, ter bevestiging en versterking van elkanders genegenheid, en ter bevordering van onze geestelijke gemeenschapsoefening met elkaar, als wij ons op een afstand van elkaar bevinden, en opdat wij des te meer zullen verlangen naar het hemelse Jeruzalem, waar wij hopen altijd bij elkaar te zullen wezen.
IV. Zijn terugkeer door de landstreken, waar hij te voren het Evangelie had gepredikt.
1. Hij ging af naar Antiochië, en bracht enigen tijd door te midden van zijne oude vrienden aldaar, van waar hij het eerst uitgezonden was om het Evangelie onder de Heidenen te prediken, Hoofdstuk 13:1. Hij ging af naar Antiochië om zich te verkwikken in den omgang met de leraren aldaar, en ene heerlijke verkwikking is het voor een getrouw Evangeliedienaar om voor ene wijle het gezelschap zijner broederen te genieten, want: ijzer scherpt men met ijzer: alzo scherpt een man het aangezicht zijns naasten. Paulus' komst te Antiochië verlevendigde de herinnering bij hem aan vroegere dagen en voorzag hem van stof voor vernieuwde dankzegging. 2. Als hij aldaar enigen tijd geweest was, ging hij weg, en doorreisde vervolgens het land van Galatië en Frygië, waar hij het Evangelie had gepredikt, en gemeenten had gesticht, hetgeen, hoewel er slechts kortelijk melding van wordt gemaakt, Hoofdstuk 16:6, toch een heerlijk werk was, zoals blijkt uit Galaten 4:14, 15, waar Paulus spreekt van zijne prediking van het Evangelie aan de Galaten eerstmaal, en hun aannemen van hem als een engel Gods. Deze landelijke gemeenten, (want dat waren zij, Galaten 1:2, en wij lezen van gene stad in Galatië, waar ene gemeente was) bezocht Paulus vervolgens, dat is: naar volgorde, bewaterende hetgeen door middel van zijne prediking geplant was, en versterkende alle de discipelen. Zijne komst onder hen was voor hen en hun leraren ene grote versterking. Dat Paulus hun gunstig gezind was, was voor hen ene bemoediging, maar dat was niet alles: hij predikte hun hetgeen hen versterkte, hun geloof in Christus bevestigde, en hen bevestigde in hun vastberadenheid voor Christus, en hun Godvruchtige liefde voor Hem. Discipelen hebben er behoefte aan versterkt te worden, want zij zijn met zwakheid omvangen, de leraren moeten doen wat zij kunnen om hen te versterken, hen allen te versterken, door hen heen te wijzen naar Christus, en hen er toe te brengen te leven in Hem en van Hem, wiens kracht in hun zwakheid volbracht wordt, en die zelf hun Kracht is en hun Lied.