Galaten 1:10-24
Wat Paulus in den aanhef van den brief meer in het algemeen gezegd had, wordt thans in bijzonderheden breder door hem behandeld. Daar had hij verklaard een apostel van Christus te zijn, en hier gaat hij er toe over zijn aanspraak op die hoedanigheid en dien dienst te bewijzen. Er waren sommigen in de gemeenten van Galatië, die er op uit waren om die in twijfel te trekken, want zij die de ceremoniële wet predikten deden al wat hun mogelijk was om Paulus' invloed te verkleinen, omdat hij het zuivere Evangelie van Christus aan de heidenen verkondigde. Daarom gaat hij er hier toe over om de goddelijkheid van zijn leer te bewijzen, opdat daardoor de verdenkingen, die zijn vijanden op hem geworpen hadden, zouden weggenomen en deze Christenen tot beter inzicht van het door hem gepredikte Evangelie gebracht worden.
I. De bedoeling van zijn dienst was niet de mensen te behagen, maar God. Dat wil zeggen, dat hij in zijne verkondiging van het Evangelie niet handelde in gehoorzaamheid aan mensen, maar aan God, die hem tot het werk dezer bediening geroepen had, en kan ook bedoelen dat hij het doel had de mensen te brengen tot gehoorzaamheid niet aan mensen, maar aan God. Hij beleed te handelen krachtens zending van God, zodat zijn voornaamste doel was bevordering van diens heerlijkheid, door de zondaren te bekeren tot onderwerping aan Hem. En daar dit zijn grote doel moest zijn, trachtte hij niet mensen te behagen. Hij voegde zich in zijne leer niet naar den zin van mensen, zomin om hun goedkeuring te verwerven als om hun verwijten te vermijden, maar zijn grote zorg was zich Gode aangenaam te maken. De Judese leraars, door welken deze gemeenten bedorven werden, hadden een zeer verschillend gedrag, zij vermengden de werken met het geloof en de wet met het Evangelie, alleen om de Joden te behagen, dien ze het naar den zin maakten om vervolging te ontgaan. Maar Paulus was een man van een anderen geest, hij dong niet naar hun gunst en verborg zich niet voor hun woede, en verminkte dus het Evangelie van Christus niet om hun goedkeuring te verwerven of hun woede te ontkomen. En hij noemt daarvoor deze geldige reden op: Indien ik nog mensen behaagde, zo ware ik geen dienstknecht van Christus. Door de oprechtheid van zijn bedoelingen in de vervulling van zijn dienst bewijst hij waarlijk een apostel van Christus te zijn. Hij wist dat mensen behagen en Christus dienen niet kunnen samengaan, niemand kan twee heren dienen, en daarom, ofschoon hij niemand nodeloos mishagen wilde, zou hij zich nooit veroorloven den mensen te behagen ten koste van zijn getrouwheid aan Christus. Van deze gemoedsgesteldheid en dit gedrag moeten wij goed kennis nemen.
1. Het grote doel van bedienaren van het Evangelie moet zijn de mensen tot God te brengen.
2. Zij, die getrouw zijn, zullen nooit zoeken mensen te behagen, maar zich aangenaam maken bij God.
3. Zij kunnen niet naar de gunst van mensen dingen, wanneer zij trouwe dienaren van Christus willen zijn. Maar alsof deze bewijsvoering nog niet voldoende zou geacht worden, gaat hij er thans toe over om zijn apostelschap te bewijzen.
II. De wijze, waarop hij het Evangelie ontving, dat hij hun verkondigde. Daaromtrent verzekert hij hun, vers 11, 12, dat hij het niet ontvangen heeft door onderricht van anderen, maar door openbaring van den hemel. Een voornaam ding in de aanstelling van den apostel was, dat hij voor deze bediening geroepen en onderwezen was onmiddellijk door Christus zelf. En hierin toont hij dat hij in geen geval gebrekkig was, wat ook zijn vijanden tegen hem beweren mochten. Gewone dienaren ontvangen hun roeping tot prediking van het Evangelie door tussenkomst van anderen, en evenzo is door middel van het onderwijs en de hulp van anderen de nodige kennis hun bijgebracht. Maar Paulus zegt hun, dat hij zijn kennis van het Evangelie zowel als zijne bevoegdheid om het te prediken rechtstreeks van den Heere Jezus ontving, het Evangelie, dat hij predikte, was niet naar den mens, ook had hij het niet van een mens ontvangen of geleerd, maar door onmiddellijke ingeving of openbaring van Jezus Christus. Dit was hij bezig te bevestigen ten einde zich een apostel te bewijzen, en daarom:
III. Verhaalt hij hun hoe zijn opvoeding was en welken omgang hij dientengevolge in vroeger tijd had, vers 13, 14. In het bijzonder meldt hij dat hij opgevoed is in den Joodsen godsdienst, en dat hij daarin toenam boven velen van zijnen ouderdom in zijn geslacht, en overvloedig ijverig was voor zijne vaderlijke inzettingen, de leerstellingen en gebruiken, die door hun vaderen uitgevonden waren en van het ene geslacht op het andere overgegaan, ja, tot zulk een hoogte dat zijn ijver daarvoor maakte, dat hij uitnemend zeer de gemeente Gods vervolgde en verwoestte. Hij was niet alleen een verwerper van de Christelijke leer geweest, niettegenstaande de vele voortreffelijke bewijzen, die van haar hemelsen oorsprong gegeven waren, maar hij was er zelfs een vervolger van geworden en had zich met de grootste woede en het meeste geweld er aan gewijd om haar belijders uit te delgen. Daar maakt Paulus dikwijls melding van, ter verheerlijking van die vrije en rijke genade, die zulk een wondervollen omkeer in hem gewrocht had, waardoor zo groot zondaar als hij was gemaakt werd tot een oprecht boeteling, en van vervolger apostel werd. En deze gelegenheid was geschikt om dat te vermelden, want daaruit zou duidelijk worden dat hij niet, gelijk zo vele anderen, tot het Christendom gebracht was eenvoudig door opvoeding, omdat hij opgeleid was in vijandschap tegen de Christelijke leer. En dus konden zij redelijkerwijze onderstellen, dat er iets zeer bijzonders moest geschied zijn om zo groten omkeer in hem tot stand te brengen, welke de vooroordelen van zijn opvoeding overwonnen had en hem gebracht had niet alleen tot de belijdenis, maar tot de prediking, van de leer, die hij vroeger zo heftig tegengestaan had.
1. Op welke wondervolle wijze hij van de dwaling zijns wegs teruggebracht was, en geleid tot de kennis van het geloof van Christus en aangesteld tot apostel, vers 15, 16. Dit was niet geschied in den gewonen weg, maar door buitengewone middelen, op zeer bijzondere wijze, want:
A. God had hem van zijner moeders lijf aan afgezonderd. De verandering, die in hem gewrocht was, was de voorzetting van een goddelijk voornemen ten zijnen opzichte, waardoor hij verkoren was om Christen en apostel te worden, reeds voor hij ter wereld kwam en goed of kwaad gedaan had.
B. Hij was geroepen door Gods genade. Allen, die ter zaligheid bekeerd worden, zijn geroepen door Gods genade, hun bekering is het gevolg van Zijn welbehagen in hen en werd bewerkt door Zijn macht en genade in hen. Maar in het geval van Paulus was iets bijzonders, beide in het plotselinge en in de grootheid van de in hem gewrochte verandering, en evenzo in de wijze waarop zij tot stand kwam. Zij geschiedde niet door tussenkomst van anderen, die als werktuigen gebruikt werden, maar door Christus' persoonlijke verschijning aan hem, waardoor het een meer bijzonder en buitengewoon betoon van goddelijke macht en gunst werd.
C. Hij had Christus in hem geopenbaard. Hij was niet slechts aan hem, maar ook in hem geopenbaard. Het zou ons weinig nut doen indien Christus alleen aan ons, en ook niet in ons geopenbaard werd, maar dit was met Paulus het geval niet. Het behaagde God Zijnen Zoon in hem te openbaren, hem tot de kennis van Christus en Zijn Evangelie te brengen door bijzondere en onmiddellijke openbaring. En:
D. Het was geschied met dit doel, dat hij Hem zou verkondigen onder de heidenen, niet alleen dat hijzelf Hem omhelzen zou, maar Hem ook aan anderen verkondigen, zodat hij Christen èn apostel was, beide door openbaring.
2. Hij verhaalt hoe hij zich daarna gedroeg, van vers 16 tot het einde. Dus tot dit werk en dezen dienst geroepen zijnde, ging hij niet te rade met vlees en bloed. Dat mag in het algemeen opgevat worden, en dan kunnen wij er uit leren, dat zo God ons roept, wij niet vlees en bloed raadplegen moeten. Maar de bedoeling hier is, dat hij geen raad inwon bij mensen, hij wendde zich niet tot anderen om hun raad en bestuur, hij ging niet wederom naar Jeruzalem tot degenen, die voor hem apostelen waren, alsof hij nodig had door hen goedgekeurd te worden of van hen verdere inlichting en machtiging te ontvangen. In plaats daarvan ging hij een anderen weg op, hij ging henen naar Arabië, hetzij als oord van afzondering, geschikt om verdere goddelijke openbaringen te ontvangen, hetzij om daar het Evangelie onder de heidenen te verkondigen, omdat hij de apostel der heidenen was. Vandaar keerde hij wederom naar Damascus, waar hij zijn bediening aangevangen had en waar hij met moeite aan de woede zijner vijanden ontkomen was, Handelingen 9.. Het was niet dan drie jaren na zijne bekering, dat hij weer naar Jeruzalem ging om Petrus te bezoeken, en hij bleef bij hem slechts zeer korten tijd, niet langer dan vijftien dagen. Terwijl hij daar was, gaf hij zich niet over aan levendig verkeer, want hij zag geen der andere apostelen, dan Jakobus den broeder des Heeren. Men kon dus volstrekt niet beweren, dat hij zijn kennis van het Evangelie of zijne bevoegdheid om het te verkondigen van anderen ontvangen had, maar het was duidelijk dat hij beide, zijn roeping en apostolischen dienst, langs buitengewonen, goddelijken weg verkreeg. Daar deze mededeling belangrijk was, om zijn aanspraak op de bediening te bevestigen, en om de Galatiërs terug te brengen van de vooroordelen, die zij tegen hem opgevat hadden, bevestigt hij haar met een plechtigen eed, vers 20. Hij verklaart, als in de tegenwoordigheid Gods, dat hetgeen hij gezegd had, stipt de waarheid was, en dat hij in hetgeen hij getuigd heeft niet loog. Ofschoon dat ons niet de vrijheid geeft om bij elke gelegenheid God plechtig als getuige aan te roepen, bewijst het, dat het in gewichtige gevallen en ogenblikken niet slechts geoorloofd, maar ook plichtmatig zijn kan. Daarna, zegt hij, ben ik gekomen in de gemeenten van Syrië en Cilicië. Na dit korte bezoek aan Petrus gebracht te hebben, ging hij naar zijn werk terug. Hij had in dien tijd geen gemeenschap met de gemeenten van Christus in Judea, en was hun zelfs van aangezicht onbekend. Maar gehoord hebbende dat degene, die hen vroeger vervolgd had, nu het geloof verkondigde, dat hij eertijds verwoestte, verheerlijkten zij God, om hem. Velen dankten God op het horen van de tijding van dien machtigen omkeer in hem, die hen verheugde en aanspoorde om Gode daarvoor heerlijkheid te brengen.