Handelingen 6:8-15
Stefanus was ongetwijfeld naarstig en getrouw in de vervulling van zijn ambt als uitdeler van de liefdadigheid der gemeente, en heeft er zich op toegelegd, om die zaak onder ene goede methode te brengen, en dit deed hij tot ieders tevredenheid. En hoewel het hier blijkt, dat hij een man was, toegerust met buitengewone gaven, en wel geschikt voor een hogere betrekking, heeft hij toch, tot dit ambt geroepen zijnde, het niet beneden zich geacht, om er de plichten van waar te nemen. En, getrouw zijnde in het kleine, werd hem meer toevertrouwd, en hoewel wij niet bevinden, dat hij door prediking en doop het Evangelie heeft verbreid, zien wij hem hier toch tot zeer eervollen dienst geroepen.
I. Hij bewees de waarheid van het Evangelie, door in den naam van Christus wonderen te werken, vers 8.
1. Hij was vol geloof en kracht, dat is: van een krachtig geloof, waardoor hij in staat werd gesteld grote dingen te doen. Zij, die vol zijn van geloof, zijn vol van kracht, omdat door het geloof de kracht Gods in ons werkt. Zijn geloof heeft hem zo vervuld, dat het gene plaats liet voor ongeloof, en plaats maakte voor de invloeden der Goddelijke genade, zodat, gelijk de profeet het uitdrukt, hij vol was van kracht van den Geest des Heeren, Micha 3:8 Door het geloof zijn wij ontledigd van ons zelven, en dus vervuld van Christus, die de wijsheid en de kracht Gods is.
2. Dit zo zijnde, heeft hij wonderen en grote tekenen gedaan onder het volk, openlijk, onder het oog van allen, want Christus' wonderen behoefden ook het nauwlettendst onderzoek niet te vrezen. Het is niet vreemd, dat Stefanus, ofschoon hij het predikambt niet uitoefende, deze grote wonderen gedaan heeft, want wij bevinden, dat dit afzonderlijke gaven des Geestes waren, onderscheidenlijk toebedeeld, want aan den een was de werkingen der krachten gegeven, en aan een ander profetie, 1 Corinthiërs 12:10, 11. En deze tekenen volgden, niet slechts hen, die predikten, maar ook hen, die geloofden, Markus 16:17.
II. Hij bepleitte de zaak van het Christendom tegen hen, die het tegenstonden, en er tegen spraken, vers 9, 10. Hij diende de belangen van den Godsdienst als twistredenaar, op de hoge plaatsen van het veld, terwijl anderen ze als wijngaardeniers en landlieden dienden.
1. Er wordt ons hier gezegd, wie zijne tegenstanders waren, vers 9. Het waren Joden, maar Hellenistische Joden, Joden uit de verstrooiing, die meer ijver voor hun Godsdienst schenen gehad te hebben, dan de Joden, die in het Heilige land woonden. Het was met moeite en bezwaar, dat zij er de praktijk en de belijdenis van hielden in het land, waarin zij woonden, waar zij waren, als gesprenkelde vogels, en het was niet zonder grote onkosten en moeite, dat zij hun reizen naar Jeruzalem konden volbrengen. Dit maakte hen tot ijveriger aanhangers van het Judaïsme dan zij waren, voor wie de belijdenis van hun Godsdienst goedkoop en gemakkelijk was. Zij waren van de synagoge, genaamd der Libertijnen, de Romeinen noemden dezen Liberti, of Libertini, die of vreemdelingen zijnde, genaturaliseerd waren, of, slaven zijnde van geboorte, vrijgemaakt waren, of tot vrijen verklaard werden. Sommigen denken, dat deze Libertijnen Joden waren, die, evenals Paulus, het Romeinse burgerrecht hadden verkregen, hoofdstuk 22:27, 28, en waarschijnlijk was hij, Paulus, de eerste en voornaamste van deze synagoge der Libertijnen in het twisten met Stefanus, en die ook anderen in deze twistredenen had betrokken, want wij vinden hem ijverig en bedrijvig bij de steniging van Stefanus, instemmende met zijne terdoodbrenging. Er waren anderen, die behoorden tot de synagoge van de Cyreneërs en der Alexandrijnen, van welke synagoge door de Joodse schrijvers gewag wordt gemaakt, en nog anderen, die tot hun synagoge behoorden, die van Cilicië en Azië waren, en indien Paulus, als vrije burger van Rome, niet tot de synagoge der Libertijnen behoorde, dan behoorde hij, als geboortig van Tarsen, ene stad van Cilicie, tot deze, waarschijnlijk is hij van beiden lid geweest. De Joden, die in andere landen geboren waren, en er hun zaken hadden, moesten zich niet slechts dikwijls naar Jeruzalem begeven, maar er ook wonen. Elke natie had er hare synagoge, zoals er in Londen Franse, en Hollandse en Deense kerken zijn, en deze synagogen waren de scholen, waarheen de Joden dier natie hun jongelingen zonden, om er in de Joodse geleerdheid onderwezen te worden. Daar nu de leraren van deze synagogen het Evangelie zagen toenemen, terwijl de oversten dat toenemen oogluikend toelieten, vreesden zij voor de gevolgen hiervan voor den Joodsen Godsdienst, waarvoor zij ijverden. Overtuigd van het goede en rechtmatige hunner zaak, en van hun eigene bekwaamheid om haar te behandelen, wilden zij het ondernemen het Christendom door kracht van redenering omver te werpen. Dit was ene billijke en redelijke wijze van doen, die door den Godsdienst altijd geredelijk zal aangenomen worden: Brengt ulieder twistzaak voor, zegt de Heere, brengt uwe vaste bewijsredenen bij, Jesaja 41:21. Maar waarom hebben zij met Stefanus gedisputeerd? Waarom niet met de apostelen zelven? Sommigen denken, omdat zij de apostelen minachtten als ongeleerde, eenvoudige (of onwetende) mannen, met wie zich in te laten zij beneden zich achtten, terwijl Stefanus een wèl onderwezen man was, en zij stelden er ene eer in om in twistgesprek te komen met iemand, die huns gelijke, en tegen hen opgewassen was. Anderen denken, dat het was, omdat zij ontzag hadden voor de apostelen, en niet zo vrij en gemeenzaam met hen konden zijn, als met Stefanus, die een lager ambt bekleedde. Het kan ook zijn, dat zij ene openlijke uitnodiging tot een gesprek hadden uitgevaardigd, en dat Stefanus door de discipelen verkozen en benoemd was, om voor hen in het strijdperk te treden, want het was niet betamelijk, dat de apostelen zouden aflaten het woord Gods te prediken, om zich in twistgesprekken te begeven, Stefanus, die slechts een diaken der gemeente, en een zeer schrandere jonge man was, van schitterend talent, en beter geschikt om met twistredenaars te handelen dan de apostelen zelven, wordt tot dezen dienst aangesteld. Sommige geschiedschrijvers zeggen, dat Stefanus aan de voeten van Gamaliël was onderwezen, en dat Saulus en de overigen hem aanvielen als een afvallige, en het met bijzondere woede op hem gemunt hadden. Waarschijnlijk hebben zij met Stefanus gedisputeerd, omdat hij vol van ijver was om hen te overtuigen. En dit was de dienst, waartoe God hem had geroepen.
2. Er wordt ons hier gezegd, hoe hij in dit dispuut de overwinning behaalde, vers 10. Zij konden niet weerstaan de wijsheid en den Geest, door welken hij sprak. Zij konden noch hun eigene argumenten volhouden, noch de zijnen wederleggen. Hij bewees door zulke onweerlegbare argumenten, dat Jezus is de Christus, en uitte zich met zo veel helderheid en volledigheid, dat zij, tegen hetgeen hij gezegd had, niets hadden in te brengen, hoewel zij niet overtuigd waren, waren zij toch beschaamd gemaakt, in verlegenheid gebracht. Er staat niet: Zij konden hem niet weerstaan, maar, zij konden niet weerstaan de wijsheid en den Geest, door welken hij sprak, den Geest der wijsheid, die door hem sprak. Nu was de belofte vervuld: Ik zal u mond en wijsheid geven, welke niet zullen kunnen tegenspreken noch weerstaan allen, die zich tegen u zetten, Lukas 21:15. Zij dachten slechts met Stefanus gedisputeerd te hebben, en dat zij zich tegen hem konden verdedigen, maar zij disputeerden met den Geest Gods in hem, en tegen dien Geest waren zij niet bestand. III. Ten laatste heeft hij het bezegeld met zijn bloed, wij zullen in het volgende hoofdstuk zien, dat hij dit gedaan heeft, hier zien wij de maatregelen door zijne vijanden genomen, om tot dit doel te komen. Toen zij zijne argumenten als twistredenaar niet konden wederleggen, zijn zij hem als misdadiger gaan vervolgen, en hebben getuigen omgekocht, die zwoeren, dat hij Godslastering had gesproken. "Op zulke termen (zegt Ds. Baxter hier) disputeren wij met boosaardige, kwaadwillige mensen. En het is schier een wonder der Goddelijke voorzienigheid, dat geen groter aantal van Godvruchtige personen vermoord zijn in de wereld, door middel van meineed en voorgewend recht van wet nu zo vele duizenden hen haten, en die er geen gewetensbezwaar in vinden om valse eden af te leggen." Zij hebben mensen omgekocht, hun voorgeschreven wat zij zeggen moesten, en hun betaald om er een eed op te doen. Zij waren in des te groter woede tegen hem ontstoken, omdat hij bewezen had, dat zij ongelijk hadden, en hun den rechten weg had gewezen, waarvoor zij hem hartelijk dankbaar hadden behoren te wezen: was hij hun vijand, omdat hij hun de waarheid zei, en die waarheid bewees? Laat ons hier nu opmerken:
1. Hoe zij door alle mogelijke kunstgrepen beide de regering en het gemeen tegen hem opzetten, opdat zij, zo zij niet door de ene, de regering, dan toch door het andere, het gepeupel, hun doel zouden bereiken, vers 12. Zij beroerden het volk tegen hem, opdat, indien het sanhedrin het nog gepast mocht oordelen, om hem (naar den raad van Gamaliël) begaan te laten, zij hem toch door een volksoploop konden doen vallen. Zij vinden ook middelen om de ouderlingen en de schriftgeleerden tegen hem op te zetten, opdat, zo het volk hem mocht steunen en beschermen, zij hem door het gezag ten val konden brengen. Aldus twee snaren op hun boog hebbende, twijfelden zij er niet aan, of zij zouden hun doel bereiken.
2. Hoe zij hem voor het gerecht kregen: hem aanvallende, toen hij hier weinig aan dacht, grepen zij hem, en leidden hem voor den raad. Gezamenlijk vielen zij op hem aan, besprongen hem als een leeuw zijne prooi, gelijk de betekenis is van het woord. Door hun ruwe behandeling van hem wilden zij hem beide aan het volk en de regering voorstellen als een gevaarlijk man, die of het gerecht zou ontvluchten, indien hij niet goed bewaakt werd, of er tegen zou strijden, indien hij niet onder bedwang werd gehouden. Hem gegrepen hebbende, leidden zij hem in triomf voor den raad, en dat wel met zoveel spoed, naar het schijnt, dat geen zijner vrienden bij hem was. Zij hadden gemerkt, dat, wanneer velen hunner te zamen waren, zij elkaar bemoedigden en elkanders handen sterkten, en daarom willen zij het nu beproeven om met ieder hunner afzonderlijk te handelen.
3. Hoe zij er op voorbereid waren om bewijs tegen hem bij te brengen. Zij waren besloten om zich nu niet in verlegenheid te laten brengen, zo als toen zij onzen Heiland voor hun vierschaar brachten, en toen nog naar getuigen moesten zoeken. Zij hadden ze reeds gereed en bij de hand, en zij hadden hen te voren onderricht om onder ede te verklaren, dat zij hem lasterlijke woorden hadden horen spreken tegen Mozes en God, vers 11, tegen deze heilige plaats en de wet, vers 13, want zij hadden hem horen zeggen, wat Jezus doen zou tegen deze plaats en tegen de zeden, vers 14. Het is mogelijk, dat hij iets van dien aard gezegd heeft, en toch worden zij, die tegen hem zwoeren, valse getuigen genoemd, want aan hetgeen er waar was in hun getuigenis hebben zij ene boosaardige uitlegging gegeven, en dus zijne woorden verdraaid en verkeerd voorgesteld. Merk op:
A. Wat de algemene beschuldiging was, die tegen hem werd ingebracht- dat hij lasterlijke woorden had gesproken, en, om de zaak nog te verzwaren, zeiden zij: "hij houdt niet op lasterlijke woorden te spreken, het is zijn gewone manier van spreken in alle gezelschappen of samenkomsten, wáár hij ook komt, overal maakt hij er zijn werk van om zijne denkbeelden ingang te doen vinden bij allen, met wie hij spreekt. Er ligt ook ene beschuldiging in opgesloten van weerspannigheid en het minachten van vermaan. "Hij is hiertegen gewaarschuwd, en toch houdt hij niet op van op deze wijze te spreken." Godslastering wordt te recht als ene afschuwelijke misdaad beschouwd, (minachtend en madelijk te spreken van God, onzen Maker,) en daarom wilden de vervolgers van Stefanus gehouden worden voor mensen, aan wie de ere van Gods naam zeer ter harte ging, en die deze vervolging instelden uit ijver voor dien naam. Gelijk het was met de belijders en martelaars des Ouden-Testaments, zo was het ook met die des Nieuwen-hun broederen, die hen haatten en hen uitwierpen, zeiden: Dat de Heere heerlijk worde en zij gaven voor hierin Gode een dienst te doen. Er wordt van hem gezegd, dat hij lasterlijke woorden heeft gesproken tegen Mozes en tegen God. Zij hadden hierin gelijk, dat: wie Mozes lastert, (indien zij de geschriften van Mozes bedoelen, die hij door Goddelijke ingeving had geschreven), God zelven lastert. Zij, die smadelijk spreken van de Schrift, haar bespotten, laten zich ongunstig uit over God zelven, en doen Hem smaadheid aan. Zijne grote bedoeling is de wet groot te maken en te verheerlijken , dus lasteren diegenen Zijn naam, die de wet honen, en haar verachtelijk maken: want Hij heeft Zijn woord groot gemaakt boven Zijn gansen naam. Maar heeft Stefanus Mozes gelasterd? Geenszins! Dit was verre van hem. Christus, en de predikers van Zijn Evangelie, hebben nooit iets gezegd, dat ook maar op een lasteren van Mozes geleek. Zij hebben altijd met eerbied zijne geschriften aangehaald, zich op hem beroepen, en niets anders gezegd dan wat Mozes gezegd heeft, dat geschieden zou. Zeer onrechtvaardiglijk wordt Stefanus dus beschuldigd van Mozes te hebben gelasterd. Maar,
B. Laat ons zien waarop de beschuldiging steunt, en hoe zij haar trachten te bewijzen. Wel, toen het op bewijzen aankwam, was alles wat zij hem ten laste weten te leggen, dat hij lasterlijke woorden heeft gesproken tegen deze heilige plaats en de wet. En dit moet nu gelden als lastering tegen Mozes en God zelven. Zo zien wij, hoe, als het op bewijs aankomt, de beschuldiging op niets uitloopt. Hij wordt beschuldigd van lastering tegen deze heilige plaats. Sommigen verstaan dit van de stad Jeruzalem, die de heilige stad was, en waarvoor zij ene ijverzuchtige bezorgdheid koesterden. Maar het wordt veeleer bedoeld van den tempel, het heilige huis. Christus was veroordeeld als een lasteraar, wegens woorden, die gehouden werden als ten nadele van den tempel te zijn gesproken, voor welks eer zij bezorgd schenen, toen zij hem door hun goddeloosheid hadden ontwijd. Hij wordt ook beschuldigd van de wet te hebben gelasterd, de wet, waarop zij roemden, en waarop zij vertrouwden, toen zij door de wet te overtreden, God onteerden. Romeinen 2:23. Maar hoe bewijzen zij dit nu? Ach! ook hier verschrompelt de beschuldiging, en wordt tot niets, want al wat zij tegen hem weten in te brengen, is, dat zij zelven hem hadden horen zeggen, (maar in welk verband, of met welke verklaring hij er aan had toegevoegd, achtten zij zich niet verplicht te berichten) dat deze Jezus de Nazarener, van wie zo veel werd gesproken, deze plaats zal verbreken, en dat hij de zeden veranderen zal, die Mozes ons overgeleverd heeft. Hij kon er niet van beschuldigd worden iets tot verkleining of minachting van den tempel of van de wet te hebben gezegd. De priesters hadden zelven den tempel ontheiligd door er niet slechts een huis van koophandel, maar een moordenaarskuil van te maken, en toch wilden zij beschouwd worden als er voor te ijveren tegen iemand, die er nooit iets verkeerds van gezegd had, maar hem, meer dan zij, bezocht had naar de bestemming er van, als huis des gebeds. Ook had hij nooit de wet gesmaad, zoals zij haar gesmaad hadden. Maar, ten eerste, hij had gezegd, dat deze Jezus de Nazarener deze plaats zal verbreken, den tempel zal verbreken. Waarschijnlijk kan hij dit gezegd hebben, maar welke lastering is het tegen de heilige plaats te zeggen, dat zij evenmin als Silo eeuwig zou duren, en dat de rechtvaardige en heilige God de voorrechten van Zijn heiligdom niet zou bestendigen voor hen, die er misbruik van maken? Hadden de profeten niet aan hun vaderen dezelfde waarschuwing gegeven, hun de verwoesting dezer heilige plaats door de Chaldeeën niet aangekondigd? Ja meer, had niet God zelf, toen de tempel het eerst gebouwd was, hun diezelfde waarschuwing gegeven? dit huis, dat verheven zal geweest zijn, daarover zal zich een ieder, die voorbijgaat, ontzetten, 2 Kronieken 7:21. En is dan hij een lasteraar, die hun zegt, dat Jezus de Nazarener, indien zij in hun tegenstand tegen Hem blijven volharden, ene rechtvaardige verwoesting zal brengen over deze plaats en natie, en dat zij dit dan aan zich zelven zullen hebben te wijten? Diegenen maken goddelooslijk misbruik van hun belijdenis van den Godsdienst, die onder schijn daarvan, de bestraffing, die hun gegeven wordt wegens hun niet wandelen overeenkomstig deze belijdenis, een lasteren van hun' Godsdienst noemen.
Ten tweede. Hij heeft gezegd: Deze Jezus zal de zeden veranderen, die Mozes ons overgeleverd heeft. Het werd verwacht, dat in de dagen van den Messias die zeden veranderd zouden worden, en dat, als het wezen zou gekomen zijn, de schaduwen weggedaan zouden worden, maar het was gene essentiële verandering der wet, het was er de vervolmaking van. Christus is niet gekomen om de wet te ontbinden, maar te vervullen, en indien Hij sommige zeden of gewoonten, door Mozes overgeleverd, heeft veranderd, dan was dit om anderen, die veel beter waren, in te voeren en vast te stellen. Indien de Joodse kerk niet hardnekkig was blijven weigeren, om onder de nieuwe bedeling te komen, en de ceremoniële wet niet was blijven aankleven, hun plaats, zou wellicht niet verwoest zijn, en omdat nu Stefanus hun den weg wees, om aan die verwoesting te ontkomen, maar hen waarschuwde, dat die verwoesting gewis over hen komen zou, indien zij niet op dien weg wilden wandelen, wordt hij beschuldigd van een lasteraar te zijn.
Eindelijk. Er wordt ons hier gezegd, hoe God hem erkende, toen hij voor den raad werd gebracht, en het liet blijken, dat Hij hem bijstond: vers 15. Allen, die in den raad zaten, de priesters, de schriftgeleerden en ouderlingen, de ogen op hem houdende, daar hij een vreemdeling was, iemand, die nooit te voren voor hen was verschenen, zagen zijn aangezicht als het aangezicht eens engels. Het is de gewoonte van rechters om het gelaat der gevangenen waar te nemen, daar er soms schuld of onschuld op te lezen is. En nu verscheen Stefanus voor het gerecht met het aangezicht als eens engels.
1. Wellicht wordt hiermede niets anders te kennen gegeven, dan dat hij een buitengewoon liefelijk en blijmoedig gelaat had, en dat er geen het minste teken in was te bespeuren, hetzij van vreze voor zich zelven, of van toorn op zijne vervolgers. Hij zag er uit, alsof hij nooit in zijn leven zo voldaan en gelukkig geweest is, als nu hij voor het gerecht is gebracht, om aldus openlijk zijn getuigenis voor het Evangelie van Christus te kunnen afleggen, en goede hoop had om de kroon der martelaren te zullen verwerven. Zulk ene onverstoorbare kalmte, zulk een onversaagde moed, en zulk ene onverklaarbare zachtmoedigheid, en tegelijk ook verheven majesteit blonk er in zijn gelaat, dat iedereen zei, dat hij er uit zag als een engel. Het moest voorzeker wel genoeg geweest zijn om er de Sadduceeën van te overtuigen, dat er engelen zijn, nu zij zulk een' engel in menselijke gedaante voor zich zagen.
2. Maar het schijnt veeleer, dat er ene wonderbare glans en schittering op zijn aangezicht was, of, ten minste, een glans als die op Mozes' aangezicht was, toen hij neerkwam van den berg, waarmee God bedoelde Zijn trouwen getuige te eren, en zijne vervolgers en rechters te beschamen, wier zonde er grotelijks door verzwaard zou worden, daar het in waarheid een rebelleren zou zijn tegen het-licht, indien zij desniettemin in hun vervolging van hem volhardden. Of hij er zich zelven al of niet van bewust was, dat het vel van zijn aangezicht glinsterde, wordt ons niet gezegd, maar allen, die in den raad zaten, zagen het, en hebben er waarschijnlijk elkaar opmerkzaam op gemaakt, en het was voorwaar ene ergerlijke schande, dat zij, dit ziende, en hieruit wel moesten bespeuren, dat hij door God erkend werd, hem niet wegriepen van voor hun balie, om de hoogste plaats tussen hen in te nemen. Wijsheid en heiligheid doen het gelaat eens mensen blinken, en toch zal hen dit niet beschutten tegen de grofste belediging en mishandeling, geen wonder, dat het stralen en schitteren van Stefanus' gelaat gene bescherming voor hem bleek te zijn, hoewel het toch gemakkelijk zou geweest zijn te bewijzen, dat, indien hij schuldig ware geweest van Mozes te smaden, God hem de ere van Mozes niet zou aangedaan hebben.