Handelingen 10:9-18
Cornelius had stellige orders van den hemel ontvangen, om Petrus te ontbieden, van wie hij anders niet had gehoord, of aan wie hij ten minste gene aandacht had gewijd, maar hier is nu nog ene moeilijkheid in den weg om hen samen te brengen-de vraag is, of Petrus tot Cornelius zal willen komen, als hij door hem ontboden wordt. Niet alsof hij het beneden zich acht om op een wenk klaar te staan, of bevreesd is het Evangelie aan een beschaafd, welopgevoed man te verkondigen, zoals Cornelius er een was, maar er is een gewetensbezwaar in den weg. Cornelius is een zeer waardig man, maar hij is een Heiden, hij is niet besneden, en omdat God in Zijne wet aan Zijn volk verboden heeft zich met afgodische volken te verenigen of te verbinden, wilden zij geen omgang hebben dan met mensen van hun eigen Godsdienst, hoe b raaf of verdienstelijk die Heidenen overigens ook waren, en zij dreven dit zo ver, dat zij zich zelfs door de onwillekeurige aanraking van een Heiden verontreinigd achtten, Johannes 18:28. Petrus had dit enghartige vooroordeel van zijne landslieden nog niet afgeschud, en daarom zal hij schromen om tot Cornelius te gaan. Ten einde nu deze moeilijkheid uit den weg te ruimen, heeft hij een visioen, om hem voor te bereiden op het ontvangen van de boodschap, die door Cornelius wordt gezonden, zoals Ananias een visioen had om hem voor te bereiden, om tot Paulus te gaan. De Schriften van het Oude Testament hadden duidelijk gesproken van het inbrengen der Heidenen in de kerk. Christus had er bepaalde aanduidingen van gegeven, toen Hij hun gebood alle volken te onderwijzen, en toch, zelfs Petrus, die zo goed zijns Meesters bedoelingen kende, kan het niet begrijpen, voordat het hem in een gezicht wordt geopenbaard, dat de Heidenen zijn medeërfgenamen, Efeze 3:6. Let hier nu op:
I. De omstandigheden van dit visioen.
1. Het was toen de boden, door Cornelius afgezonden, nabij de stad waren, vers 9. Petrus wist niets van hun komst, en zij wisten niets van zijn bidden, maar Hij, die beiden hem en hen kende, bereidde de dingen voor voor deze samenkomst, en vergemakkelijkte het doel van hun onderhandeling. Voor alle Gods doeleinden is er een tijd, een geschikte tijd, en dikwijls behaagt het Hem om aan Zijne dienstknechten dingen voor den geest te brengen, waaraan zij niet hebben gedacht, en dat wel juist op het ogenblik, wanneer zij het nodig hebben er gebruik van te maken.
2. Het was toen Petrus op het dak klom om te bidden, omstreeks het middaguur. Petrus was veel in het gebed, veel en dikwijls in het gebed in het verborgen, ofschoon hij zeer veel openbaren arbeid had te verrichten. Hij bad omtrent de zesde ure, naar het voorbeeld van David, die niet slechts des morgens en des avonds, maar ook des middags zich tot God wendde in het gebed, Psalm 55:18. Wij zouden denken, dat het van den morgen tot den avond te lang voor ons is, om zonder spijze te zijn, maar wie denkt, dat dit te lang is om zonder gebed te zijn? Hij bad op het dak, daar trok hij zich terug in de afzondering, hij kon daar noch horen, noch gehoord worden, en zo kon hij beide afleiding en vertoonmaking vermijden. Dáár, op het dak van het huis, had hij het volle gezicht op den hemel, dat hem in zijne Godvruchtige aanbidding van den God, tot wie hij bad, kon helpen, en dáár had hij ook het volle gezicht op de stad en het land, dat hem ene hulpe kon zijn in zijn Godvruchtig medelijden met het volk, waarvoor hij bad. Hij had dit visioen onmiddellijk nadat hij had gebeden, als ene verhoring van zijn gebed voor de uitbreiding van Gods koninkrijk en de verbreiding van het Evangelie, en omdat het opklimmen van het hart tot God in het gebed ene voortreffelijke toebereiding is om de openbaringen van de Goddelijke genade en gunst te ontvangen. 3. Het was toen hij hongerig werd en op zijn middagmaal wachtte, vers 10. Waarschijnlijk had hij den vorigen dag niet gegeten, hoewel hij ongetwijfeld te voren gebeden had, en nu begeerde hij te eten êthele geusasthai, hij begeerde te smaken, hetgeen zijne grote matigheid in het gebruik van spijzen aanduidt, toen hij hongerig was, zou hij toch met weinig tevreden geweest zijn, met een proefje en wilde hij zich niet aan den buit maken. Nu was deze honger ene geschikte inleiding tot het visioen van spijzen, zoals Christus' hongeren in de woestijn het was voor Satans verzoeking om stenen in brood te veranderen.
II. Het visioen zelf, dat niet zo duidelijk was, als dat van Cornelis, maar meer zinnebeeldig en raadselachtig, om des te dieper indruk te maken.
1. Er viel over hem ene vertrekking van zinnen, of hij kwam in ene zinsverrukking, niet van vreze of verschrikking, maar van bepeinzing, waarin hij zo was verzonken, dat hij niet slechts geen acht gaf op, maar ook niet gevoelig was voor, uitwendige dingen. Hij was als het ware, verloren voor de wereld, en zo was zijn geest geheel vrij om zich met Goddelijke dingen bezig te houden, zoals Adam, toen hij in den staat der onschuld was en de Heere een diepen slaap op hem deed vallen. Hoe meer wij los zijn van de wereld, hoe dichter wij tot den hemel naderen. Of Petrus nu in het lichaam, of buiten het lichaam was, zou hij zelf niet hebben kunnen zeggen, en veel minder nog kunnen wij het, 2 Corinthiërs 12:2, 3, zie Genesis 15:12, Handelingen 22:17.
2. Hij zag den hemel geopend, opdat hij er zeker van zou wezen, dat zijne macht om tot Cornelius te gaan, wel werkelijk van den hemel was, dat het een Goddelijk licht was, waardoor er verandering kwam in zijne gevoelens, en ene Goddelijke macht, die hem zijne opdracht gaf. Het openen van den hemel betekent het ontsluiten van ene verborgenheid, Romeinen 16:25.
3. Hij zag een zeker vat tot hem nederdalen, gelijk een groot linnen laken, in hetwelk waren alle de viervoetige dieren der aarde, en de wilde en de kruipende dieren en de vogelen des hemels. Het werd neergelaten op de aarde, dat is: op het dak van het huis, waar hij zich nu bevond. Hier waren niet slechts de dieren der aarde, maar ook de vogelen des hemels, die weg hadden kunnen vliegen, aan zijne voeten neergelegd, en niet slechts tamme dieren, maar ook wilde dieren. Hier waren gene vissen van de zee, omdat geen er van in het bijzonder onrein was, maar allen die vinnen en schubben hadden, mochten gegeten worden. Sommigen zien in dit linnen laken, aldus gevuld, ene voorstelling van de kerk van Christus. Het komt neer van den hemel, van den geopenden hemel, niet slechts om het te doen neerkomen, Openbaring 21, maar om zielen te ontvangen, die er van opgezonden worden, het is gebonden aan de vier hoeken, om van alle delen der wereld diegenen te ontvangen, die gewillig zijn, om er aan toegevoegd te worden, en diegenen er veilig in vast te houden, die er in opgenomen zijn, opdat zij er niet afvallen, en hierin vinden wij sommigen uit alle landen, volken en tongen, zonder enigerlei onderscheiding van Griek en Jood, of enigerlei nadeel voor Barbaar of Scyth, Colossenzen 3:11. Het Evangelienet omsluit allen, slechten en goeden, hen die te voren rein waren, en hen, die te voren onrein waren. Het zou ook toegepast kunnen worden op de milddadigheid der Goddelijke voorzienigheid, die voor het verbod der ceremoniële wet, aan den mens de vrijheid had gegeven, om alle schepselen te gebruiken, tot welke vrijheid wij, door de opheffing van dat verbod, wederom gekomen zijn. Door dit visioen wordt ons geleerd al het voordeel te zien en al den dienst, die wij hebben van de lagere schepselen, tot ons neder komende van den hemel. Het is de gave Gods, die ze gemaakt heeft, en ze voor ons geschikt gemaakt heeft, en toen aan den mens een recht er op heeft gegeven, alsmede heerschappij er over. Heere, wat is de mens, dat hij aldus groot gemaakt wordt! Psalm 8:5-9. Hoe moet het ons genot in de schepselen verdubbelen, en onze verplichting om God te dienen in het gebruik er van, als wij ze aldus tot ons zien neergelaten van den hemel!
4. Aan Petrus werd door ene stem van den hemel bevolen gebruik te maken van dien overvloed en verscheidenheid van spijzen, die God hem gezonden had: vers 13. "Sta op Petrus, slacht en eet, zonder enig verschil te maken tussen rein en onrein, neem hetgeen waar gij het meest lust toe hebt". Het onderscheiden der spijzen door de wet, was bedoeld om onderscheid te maken tussen Jood en Heiden, opdat het moeilijk voor hen zou zijn om middagmaal en avondmaal bij een Heiden te gebruiken, daar zij hun voor zouden zetten, wat hun niet geoorloofd was te eten. De opheffing nu van dat verbod was ene duidelijke vergunning om met de Heidenen om te gaan, vrij en gemeenzaam met hen te zijn. Nu mochten zij dus met en bij hen eten, gemeenschap met hen hebben.
5. Petrus hield zich aan zijn beginsel, en wilde volstrekt niet ingaan op dit voorstel, hoe hongerig hij ook was, vers 14. Geenszins, Heere. Hoewel honger een scherp zwaard is, en, zoals men wel eens zegt, "door stenen muren heen breekt", behoren Gods wetten toch ene sterkere omheining te wezen dan stenen muren, en niet zo gemakkelijk om er door heen te breken. Hij wil Gods wetten blijven aankleven, al had hij ook een tegenbevel door ene stem van den hemel, daar hij in het eerst niet wist, of dit: slacht en eet niet wellicht een gebod was om hem op de proef te stellen, of hij zich zou houden aan het zeer vaste woord, de geschrevene wet, en indien dit zo was, dan was zijn antwoord zeer goed: Geenszins, Heere. Met verzoekingen tot het eten van verboden vruchten moet niet onderhandeld worden, zij moeten bepaald en volstrekt afgewezen worden, het denkbeeld er van moet ons reeds doen ontstellen, Geenszins, Heere. De reden, die hij opgeeft, is: Want ik heb nooit iets gegeten, dat gemeen of onrein was. Tot hiertoe heb ik in deze zaak aan mijne oprechtheid vastgehouden, en ik wil er aan blijven vasthouden". Indien God ons tot op heden voor grove zonden bewaard heeft, dan moeten wij dit als een argument bij ons zelven aanvoeren, om ons te onthouden van den schijn des kwaads. Zo streng waren de vrome Joden ten opzichte hiervan, dat de zeven broeders, de glorierijke martelaren onder Antiochus, zich liever op de wreedste wijze dood lieten martelen, dan zwijnenvlees te eten, omdat dit door de wet was verboden. Geen wonder, dat Petrus dit met zo veel genoegen zegt, daar zijn geweten voor hem kon getuigen, dat hij nooit met enigerlei verboden voedsel aan zijn eetlust had voldaan.
6. Door ene tweede stem van den hemel verkondigde God de opheffing der wet in dit geval, vers 15. Hetgeen God gereinigd heeft, zult gij niet gemeen maken. Hij, die de wet gemaakt heeft, kan haar, als het Hem behaagt, veranderen, en de zaak tot haar eersten toestand terugbrengen. Om redenen, die voegden bij de Oud-Testamentische bedeling, heeft God voor de Joden een verbod gelegd op deze of die spijzen, aan welk verbod zij, zolang die bedeling duurde, zich nauwgezet hadden te onderwerpen. Maar nu heeft Hij, om redenen, die voor de Nieuw-Testamentische bedeling passen, dat verbod opgeheven, en alle beperking weggenomen. Hij heeft gereinigd wat te voren voor ons verontreinigd was, en nu behoren wij gebruik te maken van, en te staan in, de vrijheid, waarmee Christus ons vrijgemaakt heeft, en niet gemeen of onrein noemen, wat God nu verklaard heeft rein te zijn. Wij behoren het als een groten zegen welkom te heten, dat wij door het Evangelie van Christus bevrijd zijn van die onderscheiding der spijzen, welke door de wet van Mozes gemaakt is, en dat thans alle schepsel Gods goed is, en niets verwerpelijk, niet zozeer, omdat wij hierdoor het gebruik van zwijnenvlees winnen, en van hazen, konijnen en andere spijzen, die goed en aangenaam voor ons zijn, maar voornamelijk omdat hierdoor het geweten bevrijd is van een juk in dingen van dien aard, en wij God kunnen dienen zonder vreze. Hoewel het Evangelie plichten gesteld heeft, die door de wet der natuur niet gesteld waren, heeft het toch niet, zoals de wet van Mozes, tot zonde gemaakt wat gene zonde was. Zij, die gebieden, om zich op sommige tijden van het jaar van sommige spijzen te onthouden, en daar Godsdienstige waarde aan hechten, maken datgene gemeen wat God gereinigd heeft, en in die dwaling zijn zij vervallen, die zich de opvolgers van Petrus noemen.
7. Dit geschiedde tot driemalen toe. Het laken werd een weinig opgetrokken, en voor de tweede maal neergelaten, en zo ook ten derden male, met dezelfde nodigende stem tot hem gericht: slacht en eet, en dezelfde reden er voor gegeven: dat wat God gereinigd heeft wij niet gemeen moeten maken, maar of Petrus' weigering voor de tweede en derde maal herhaald werd, is niet zeker, voorzeker was zij het niet, toen hij op zijne tegenwerping de eerste maal zulk een afdoend antwoord ontving. De herhaling ten tweeden male van Farao's droom, en het driemaal herhalen van Petrus' visioen, was om te tonen, dat de zaak van God vast besloten is, en hem op te wekken er zo veel meer op te letten. Het onderricht, dat ons in de dingen Gods wordt gegeven, hetzij door het oor in de prediking des woords, of door het oog in de sacramenten, moet dikwijls herhaald worden, gebod op gebod, regel op regel. Maar eindelijk werd het vat wederom opgenomen in den hemel. Zij, die in dit vat ene voorstelling zien van de kerk, omvattende beide Joden en Heidenen, zoals dit beide reine en onreine dieren omsloot, verklaren het ook zeer gevoeglijk als betekenende de toelating van de gelovige Heidenen in de kerk, en ook in den hemel, in het Jeruzalem hier Boven. Christus heeft het koninkrijk der hemelen geopend voor alle gelovigen, en dáár zullen wij, behalve hen, die verzegeld zijn uit alle stammen Israël's, ene grote schare vinden uit alle natie, Openbaring 7:9, maar het zijn de zodanige, die God gereinigd heeft.
II. Hoe door de beschikking van Gods voorzienigheid ter rechter tijd dit gezicht verklaard, en aan Petrus de bedoeling er van te kennen werd gegeven, vers 17, 18.
1. Wat Christus deed, wist Petrus toen niet, Johannes 13:7. Alzo Petrus in zich zelven twijfelde, wat toch het gezicht mocht zijn, dat hij gezien had. Hij had gene reden aan de waarheid er van te twijfelen, of daaraan, dat het een hemels gezicht was, zijn twijfelen gold alleen de betekenis er van. Christus openbaart zich aan Zijn volk trapsgewijze, en niet op eens, Hij laat hen voor ene wijle nog in twijfel en onzekerheid, zij moeten nog nadenken over ene zaak, haar bij zich zelven overleggen, eer Hij haar voor hen opheldert.
2. Maar het zal hem weldra bekend gemaakt worden, want de mannen, die van Cornelius afgezonden waren, waren nu juist voor het huis gekomen, en vroegen aan de poort, of Simon, toegenaamd Petrus, daar te huis lag, en uit de boodschap, waarmee zij kwamen, zal blijken wat de betekenis was van dat gezicht. God weet welk werk voor ons ligt, en dus hoe er ons op voor te bereiden, en de betekenis van hetgeen Hij ons geleerd heeft zullen wij dan beter verstaan, als wij gelegenheid hebben om er gebruik van te maken.