2 Corinthiërs 12:1-10
Hier merken wij op:
I. Het verhaal, dat de apostel geeft van de gunsten, die God hem bewezen heeft, en de eer hem aangedaan, want ongetwijfeld is hijzelf "de mens in Christus", van wie hij spreekt. Hieromtrent wijzen we op:
1. De eer zelf, die den apostel bewezen was: hij was opgetrokken tot in den derden hemel, vers 2. Wanneer dit geschied is weten wij niet, of het was gedurende de drie dagen, waarin hij na zijne bekering blind neerlag, of op enigen lateren tijd. Nog veel minder kunnen we zeggen hoe het geweest is, of de ziel van het lichaam gescheiden is dan wel of hij op buitengewone wijze is ingeleid in de diepten van zielsverrukking. Het zou aanmatigend van ons zijn daarover iets te beslissen, zelfs er naar te onderzoeken, want de apostel zelf zegt: Of het in het lichaam geschied is, weet ik niet. Het was zeker ene zeer buitengewone eer, die hem bewezen werd, op de een of andere wijze werd hij opgetrokken in den derden hemel, den hemel van de gezaligden, boven den hemel van den dampkring, waar de vogels vliegen, boven den sterrenhemel met de ontelbare hemelse lampen versierd, het was de derde hemel, waar God op de heerlijkste wijze Zijne majesteit openbaart. Wij zijn niet instaat om alles te weten, zelfs is het niet oorbaar dat wij veel zouden weten, van de bijzonderheden van deze heerlijke plaats en toestand, het is onze plicht en ons belang naarstig te zijn om ons zelven daar een eeuwig tehuis te verzekeren, en wanneer dat ons duidelijk geworden is, hebben wij te verlangen om daarheen te verhuizen ten einde er voor eeuwig te blijven. Deze derde hemel wordt in vers 4 het paradijs genoemd, in heen wijzing naar het aardse paradijs, waaruit Adam na zijn overtreding verdreven werd. Het is het paradijs Gods, Openbaring 2:7, hetgeen ons te kennen geeft dat wij door Christus hersteld zijn in al de vreugde en heerlijkheid, die wij door de zonde verloren hebben, ja veel meer. De apostel zegt ons niet wat hij zag in den derden hemel of het paradijs, maar wel dat hij gehoord heeft onuitsprekelijke dingen, zulke dingen als een mens onmogelijk uitspreken kan-daartoe is het onderwerp te voortreffelijk en zijn wij te ongewoon aan de taal van de bovenwereld. Ook was het niet geoorloofd deze woorden te uiten, omdat wij, terwijl wij in deze wereld zijn, een zekerder woord van profetie hebben dan zulke visioenen en openbaringen, 2 Petrus 1:19. Wij lezen van de talen der engelen zowel als van die der mensen, en Paulus wist daarvan zoveel als ooit enig ander mens op aarde, maar toch gaf hij de voorkeur aan de liefde, dat is, oprechte liefde voor God en den naasten. Het bericht, dat Paulus van zijn visioen geeft, moet onze nieuwsgierige begeerte naar verboden kennis fnuiken en ons leren de openbaring te doorzoeken, welke God ons in Zijn Woord gegeven heeft. Paulus zelf, die in den derden hemel geweest was, maakte niet aan de wereld bekend wat hij daar gehoord had, maar bleef bij de leer van Christus. Op dat fondament is de gemeente gebouwd en op dat fondament moeten ons geloof en onze hoop gebouwd zijn.
2. Opmerkelijk is de bescheiden en nederige wijze, waarop de apostel deze zaak behandelt. Men zou geneigd zijn te denken dat iemand, die zulke gezichten en openbaringen gekregen had, daarover grotelijks roemen zou, maar hij zegt: Te roemen is mij waarlijk niet oorbaar, vers 1. Hij had er daarom niet onmiddellijk melding van gemaakt, maar deed het veertien jaren later, vers 2. En dan is het nog niet zonder zekere terughouding, als iets waartoe hij in zekeren zin gedwongen werd door de noodzakelijkheid van het geval. Daarbij spreekt hij van zichzelf in den derden persoon, en zegt niet: Ik ben de man, die zo boven alle anderen vereerd werd! Eindelijk komt zijne nederigheid ook uit in de vermaning, die hij zich zelven schijnt te geven in vers 6, waaruit duidelijk blijkt dat hij niet gaarne lang bij dit onderwerp stilstaat. Dus was hij, die bij de uitnemendste apostelen niet achterstond, zeer uitnemend in nederigheid. Het is heerlijk een nederigen geest te hebben temidden van de hoogste onderscheidingen, en hij, die zich zelven vernedert, zal verhoogd worden.
II. De apostel geeft een verslag van de middelen, waardoor God hem nederig houdt en voorkomt dat hij zich boven de maat verheffen zou, en dit doet hij om tegenwicht te geven tegen het verhaal van de gezichten en openbaringen, die hem verleend waren. Wanneer Gods kinderen mededeling doen van hun ondervindingen, laat hen er dan altijd vooral aan denken, om nota te nemen van hetgeen God gedaan heeft om hen nederig te houden, zo goed als hetgeen Hij hun schonk om hen te verheffen. Merk hier op:
1. De apostel werd gepijnigd door een doorn in het vlees, geslagen met vuisten door een engel des Satans, vers 7. Wij weten er weinig van wat dat was, hetzij een grote droefheid of een grote verzoeking. Sommigen houden het voor een plotselinge lichamelijke pijn of ziekte, anderen denken aan de beledigingen hem aangedaan door de valse apostelen, voornamelijk om zijn gebrek aan redenaarstalent. Hoe het zij, God doet meermalen dit goede uit het kwade voortkomen, dat de aanvechtingen van onze vijanden dienen moeten om ons voor hoogmoed te bewaren. Dit is zeker, dat hetgeen Paulus noemt een doorn in zijn vlees, hem hier tijdelijk zeer pijnlijk was, maar de doornen, die Christus voor ons droeg, waarmee Hij gekroond was, heiligen en verzachten alle doornen in het vlees, die ons ooit bedroeven kunnen, want Hij leed en werd verzocht, opdat Hij degenen, die verzocht worden, zou kunnen te hulpe komen. Verzoekingen tot zonde zijn de pijnlijkste doornen, zij zijn Satansengelen, die ons met vuisten slaan. Inderdaad het is voor een gelovige een vreeslijk leed zo dikwijls tot zonde verlokt te worden.
2. Het doel daarvan was den apostel nederig te houden. Opdat hij zich niet door de uitnemendheid der openbaringen zou verheffen, vers 7. Paulus wist wel van zich zelven, dat hij het nog niet verkregen had of alrede volmaakt was, en toch was hij in gevaar van hoogmoedig te worden. Indien God ons liefheeft, bewaart Hij ons voor hoogmoed, en houdt ons terug van verheffing boven de maat, geestelijke bezwaren zijn beschikt om geestelijken hoogmoed te genezen. Deze doorn in het vlees wordt een engel des Satans genoemd, dien hij niet met goede bedoeling zond, integendeel, met de slechte bedoeling om den apostel te ontmoedigen, (die door God zo hogelijk bevoorrecht was) en hem te hinderen in zijn werk. Maar God beschikte dat hem ten goede en bestuurde het ten goede en zorgde dat de engel des Satans, in plaats van den apostel schade te doen, hem voordeel aanbracht.
3. De apostel bad God ernstig om deze zware beproeving weg te nemen. Het gebed is een hulp tegen alle benauwdheid, een geneesmiddel voor elke ziekte, en wanneer wij met doornen in het vlees geplaagd worden, moeten we onze toevlucht nemen tot het gebed. Wij worden soms verzocht om te leren bidden. De apostel had den Heere driemaal gebeden, dat deze beproeving van hem wijken zou, vers 8. Ofschoon droefenissen ons tot ons geestelijk heil gezonden worden, mogen wij God bidden ze weg te nemen, maar wij behoren te begeren dat zij het doel bereiken waartoe ze gezonden zijn. De apostel bad ernstig en herhaaldelijk, hij smeekte den Heere driemaal, dat is: dikwijls. Indien er geen antwoord komt op het eerste gebed, en niet op het tweede, moeten we aanhouden, tot wij antwoord ontvangen. Christus zelf bad Zijnen Vader driemaal. Droefenissen worden gezonden om ons te leren bidden, en zo duren ze voort om ons te leren volhardend in het bidden te zijn.
4. Hier wordt ons meegedeeld welk antwoord den apostel op zijn gebeden gegeven werd. Ofschoon de beproeving niet werd weggenomen, werd hem een tegenwicht gegeven: Mijne genade is u genoeg. Alhoewel God het gebed des geloofs aanneemt, beantwoordt Hij het niet altijd in letterlijken zin, gelijk Hij soms in toorn iets toestaat, zo weigert Hij soms iets in liefde.
5. Wanneer God onze droefenissen en verzoekingen niet wegneemt, geeft Hij ons toch voldoende genade, zodat wij ons niet hebben te beklagen of zeggen kunnen dat Hij ons slecht behandelt. Het strekt ons tot grote vertroosting, door welke doornen in het vlees wij ook gepijnigd mogen worden, dat Gods genade ons genoeg is. Genade betekent tweeërlei. De welwillendheid Gods jegens ons, en dat is genoeg om ons te verlichten en te doen herleven, voldoende om ons te versterken en te vertroosten, onze zielen te steunen en onze geesten op te wekken, onder alle beproevingen en droefenissen. Het goede werk Gods in ons, de genade, die wij ontvangen, komt uit de volheid van Christus, ons hoofd, en uit Hem wordt meegedeeld alles wat geschikt en voldoende is voor Zijne leden. Christus Jezus begrijpt onzen toestand, kent onzen nood, en geeft het geneesmiddel naarmate van onze ziekte, Hij sterkt ons niet slechts, maar verheerlijkt zich in ons. Zijne kracht wordt in onze zwakheid volbracht. Dus wordt Zijne genade geopenbaard en verheerlijkt, Hij bereidt zich lof uit den mond van kinderkens en zuigelingen.
III. Hier is het gebruik, dat de apostel van deze beschikking maakt. Hij roemt in zijne zwakheden, vers 9, en heeft er behagen in, vers 10. Hij bedoelt niet zijn zondige zwakheden (want wij hebben reden om daarover beschaamd en bedroefd te zijn), maar hij zegt dit van zijn droefenissen, zijn smaadheden, noden, vervolgingen en benauwdheden om Christus' wil, vers 10. En de reden van zijn blijdschap en vreugde over deze dingen was: zij waren schone gelegenheden voor Christus om de macht en algenoegzaamheid van de hem geschonken genade te openbaren, waardoor hij zoveel ondervinding van de kracht der goddelijke genade had, dat hij zeggen kon: Want als ik zwak ben, dan ben ik machtig. Dat is een Christelijke paradox: wanneer wij zwak zijn in ons zelven, dan zijn wij machtig in de genade van onzen Heere Jezus Christus. Wanneer wij zien dat wij zwak zijn in ons zelven, dan gaan wij uit ons zelven uit tot Christus en ontvangen kracht van Hem, en ondervinden den toevloed van goddelijke kracht en genade.