Galaten 4:1-7
In dit hoofdstuk handelt de apostel zeer openhartig met hen, die luisterden naar de Judese leraren, welke de wet van Mozes tegen het Evangelie van Christus wilden omruilen, en trachtten hen onder het juk van de wet te brengen. Om hen te overtuigen van hun dwaasheid en hen daarvan terug te brengen, neemt hij in deze verzen het voorbeeld van een minderjarig kind, dat hij reeds in het vorige hoofdstuk ter sprake bracht, en toont daaruit aan welke grote voorrechten wij onder het Evangelie hebben boven hen, die onder de wet leefden. En hier:
I. Schetst hij ons den toestand van de kerk onder het Oude Verbond. Zij was gelijk aan een minderjarig kind en werd als zodanig behandeld, zij werd in een staat van duisternis en ondergeschiktheid gehouden in vergelijking met het meerdere licht en de grotere vrijheid, welke wij onder het Evangelie genieten. Het was inderdaad een bedeling van genade, maar in vergelijking met de tegenwoordige was het een bedeling van duisternis, want de erfgenaam zolang hij kind is, is onder voogden en verzorgers tot den tijd van den vader bepaald. Hij wordt door hen opgevoed en onderwezen in dingen, waarvan hij voor `t ogenblik nauwelijks de bedoeling begrijpt, ofschoon die zeer waarschijnlijk later hem van groot nut zullen zijn. Zo was het met de kerk des Ouden Verbonds, de Mozaïsche huishouding, waaronder zij verkeerde, was iets waarvan zij de bedoeling niet ten volle begrijpen kon, want, zoals de apostel in 2 Corinthiërs 3:13 zegt: Zij konden niet sterk zien op het einde van hetgeen teniet gedaan werd. Maar voor de kerk, tot meerderjarigheid gekomen onder het Evangelie, was het van groot nut. En gelijk dat de bedeling der duisternis was, zo was zij het ook van de dienstbaarheid, want zij waren dienstbaar gemaakt onder de eerste beginselen der wereld, gebonden onder een menigte van moeilijke vormen en plichten, waardoor, als een kind door de eerste lessen, zij opgevoed en onderwezen werden, en waardoor zij in een toestand van ondergeschiktheid gehouden werden, als een kind door voogden en verzorgers. De kerk van dien tijd had meer het voorkomen van een dienstknecht, zij was verplicht alles te doen op bevel van God, zonder ten volle de reden er van te weten, maar de dienst onder het Evangelie is redelijker. De tijd, door den Vader tevoren bepaald, is aangebroken, de kerk is tot meerderjarigheid gekomen, de duisternis en gebondenheid, waaronder zij lag, zijn weggenomen, en wij leven onder een bedeling van groter licht en vrijheid.
II. Hij schildert ons den veel gelukkiger toestand van de Christenen onder de bedeling des Evangelies, vers 4-7. Wanneer de volheid des tijds gekomen is, de tijd door den Vader bepaald, waarop Hij een einde maken wilde aan de bedeling der wet en een andere en betere voor haar in de plaats geven, heeft Hij Zijn Zoon uitgezonden, enz. Hij, die aangewezen was om deze nieuwe bedeling te brengen, was niemand minder dan de Zoon van God zelf, de Eengeborene des Vaders. Hij was voorzegd en beloofd van de grondlegging der wereld, en werd op den bepaalden tijd tot dat doel geopenbaard. Ten einde het grote doel te bereiken, dat Hij zich voorgesteld had, is Hij geworden uit ene vrouw, dat is Zijne vleeswording, geworden onder de wet, dat is Zijne onderwerping. Hij, die waarachtig God was, werd om onzentwille mens, en Hij, die de Heere was, stemde er in toe om te komen in een toestand van onderwerping en in de gestaltenis van een dienstknecht. En het ene grote doel van dit alles was, opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou, om ons te verlossen van dat ondraaglijke juk en de redelijker en gemakkelijker instellingen van het Evangelie ons te geven. Hij had inderdaad nog meer en groter doel op het oog, door in de wereld te komen, dan alleen ons te verlossen van het juk der ceremoniële wet, want Hij kwam in ons vlees om voor ons te lijden en te sterven, opdat Hij ons daardoor verlossen zou van den toorn Gods en den vloek der zedelijke wet, waaronder wij, als zondaars, allen lagen. Maar dit was ook een van de oogmerken en een genade, die ten tijde van Zijne verschijning op aarde zou verleend worden, toen kwam de toestand van dienstbaarheid der kerk tot een einde, en een betere zou dien opvolgen, want Hij was gezonden om ons te verlossen, opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden, opdat wij niet langer beschouwd en behandeld zouden worden als dienstknechten, maar als volwassen zonen, wie groter vrijheid en heerlijker voorrechten geschonken worden, dan toen zij onder voogden en verzorgers verkeerden. De gang van des apostels bewijsvoering leidt er toe om hiervan kennis te nemen als van een der dingen, door deze uitdrukking bedoeld, ofschoon zij zonder twijfel ook moet toegepast worden op die heerlijke aanneming tot kinderen, waarvan het Evangelie zo dikwijls gewaagt als van het voorrecht dergenen, die in Christus geloven. Israël was Gods zoon, Zijn eerstgeborene, Romeinen 9:4. Maar nu, onder het Evangelie, verkrijgen alle gelovigen in het bijzonder deze aanneming, en als eersteling en onderpand daarvan ontvangen zij tevens den Geest der aanneming, die hen tot het gebed leidt en hen in staat stelt om het oog op God te slaan als op hun Vader, vers 6. En overmits gij kinderen zijt, zo heeft God den Geest Zijns Zoons uitgezonden in uwe harten, die roept: Abba Vader! En daarop besluit de apostel deze redenering door hier bij te voegen, vers 7 :Zo dan, gij zijt niet meer een dienstknecht maar een zoon, en indien gij een zoon zijt, zo zijt gij ook een erfgenaam van God, door Christus. Dat is nu: onder de bedeling des Evangelies, zijn wij niet langer onder de dienstbaarheid der wet, maar door ons geloof in Christus zijn wij kinderen Gods geworden, wij zijn daartoe door Hem aangenomen en erkend, en indien wij zonen zijn, zijn wij ook erfgenamen van God en gerechtigd tot de hemelse erfenis (gelijk hij ook zegt in Romeinen 8:17), en daarom is het de grootst-mogelijke zwakheid en dwaasheid om terug te keren tot de wet en in hare werken onze rechtvaardigmaking te zoeken. Omtrent hetgeen de apostel in deze verzen zegt, mogen we nog opmerken:
1. Het wonder van goddelijke liefde en barmhartigheid jegens ons, voornamelijk van God den Vader, door Zijn Zoon in de wereld te zenden om ons te verlossen en zalig te maken, -van den Zone Gods, door zich zo diep te vernederen en zoveel voor ons te lijden om dat doel te bereiken, van den Heiligen Geest door neer te dalen om in de harten der gelovigen te wonen tot zo genadige doeleinden.
2. De grote en kostbare voorrechten, welke de Christenen onder het Evangelie genieten, want:
A. Wij ontvangen de aanneming tot zonen. Dat is het grote voorrecht, hetwelk de gelovigen door Christus hebben, dat zij door God in den hemel tot kinderen aangenomen zijn. Wij, die van nature kinderen des toorns en der ongehoorzaamheid zijn, werden door genade kinderen der liefde.
B. Wij ontvangen den Geest der aanneming. Allen, die het voorrecht der aanneming bezitten, hebben den Geest der aanneming, allen, die aangenomen zijn, delen in de natuur der kinderen Gods, want Hij wil dat al Zijn kinderen Hem gelijken zullen. De Geest der aanneming is altijd de Geest des gebeds en het is onze plicht God als onzen Vader aan te roepen. Christus heeft ons geleerd God aan te bidden als "onze Vader, die in de hemelen zijt". Indien wij zonen zijn, dan zijn wij erfgenamen. Het is niet als onder de mensen , waar de oudste zoon erfgenaam is, maar al Gods kinderen zijn erfgenamen. Die de natuur van zonen hebben, zullen ook allen de erfenis der zonen deelachtig worden.